Galaten 4:17-18
De apostel gaat nog voort over hetzelfde onderwerp als in de vorige verzen, dat is, de Galaten te overtuigen van hun zonde en dwaasheid in het verlaten van de waarheid des Evangelies. Nadat hij hun voorgehouden heeft de verandering in hun gedrag jegens hem, waarin hun verleiders hen trachtten te doen volharden, tekent hij nu het karakter van die valse leraren, welken er hun werk van maakten om hen van hem af te trekken. Indien zij hierop wilden letten, zouden ze zien hoe weinig reden er bestond om naar hen te luisteren. Hoe hun oordeel ook over hen wezen mocht, hij zegt hun dat zij mensen met nevenbedoelingen waren, die het er op aanlegden om zich zelven te verheffen en die, onder verschillende voorwendsels, meer naar hun eigen belang dan naar dat der Galaten vroegen. Zij ijveren niet recht over u, zegt hij, zij maken vertoning van grote achting voor u en wenden voor u zeer genegen te zijn, maar niet recht, zij doen het niet met enige goede bedoeling, zij zijn niet oprecht en eerlijk daarbij, maar zij willen ons uitsluiten opdat gij over hen zoudt ijveren. Wat zij in de eerste plaats bedoelen is uw genegenheid tot zich te trekken, en daarom doen ze al wat in hun vermogen is om u van mij en van de waarheid afkerig te maken, opdat zij u aan zich mogen verbinden. Dat, verzekert hij hun, was hun voornemen, en daarom was het zeer onverstandig om hun gehoor te geven.
1. Het kan voorkomen, dat men zeer veel ijver bespeurt waar toch slechts weinig waarheid en oprechtheid is.
2. Het is de gewone wijze van handelen van verleiders om zich in de gunst der mensen in te dringen en hen zo tot hun denkwijzen over te halen.
3. Wat dezulken ook voorwenden, zij hebben meestal meer het oog op hun eigen belang dan op dat van anderen, en zullen niet schromen den goeden naam van anderen te benadelen indien zij daardoor den hunnen kunnen bevorderen. Naar aanleiding hiervan geeft de apostel ons een uitnemenden regel in vers 18.
Doch in het goede te allen tijde te ijveren is goed. Onze vertaling heeft: in het goede, maar sommigen lezen daar: voor een goed man, en menen dat de apostel daarmee op zich zelven doelt. Zij menen dat deze lezing door den grondtekst aangegeven wordt, en begunstigd door wat er onmiddellijk op volgt: "En niet alleenlijk als ik bij u tegenwoordig ben". Dan zou de apostel bedoelen te zeggen: "Er was een tijd toen ge zeer ijverig mij genegen waart, eens hield ge mij voor een goed man, en ge hebt nu geen reden om anders over mij te denken, en daarom zou het u betamen om dezelfde welwillendheid jegens mij te betonen nu ik afwezig ben, die gij getoond hebt toen ik bij u was". Maar, wanneer wij ons houden aan onze gewone vertaling, dan geeft de apostel ons hier een uitnemenden regel voor het oefenen van onzen ijver, er zijn twee dingen, die hij voornamelijk in dat opzicht ons aanbeveelt.
A. We moeten alleen voor hetgeen goed is, ijveren, want ijver is alleen dan goed als ze voor het goede aangewend wordt, zij, die ijverig zijn voor het kwade, zullen daardoor maar des te meer kwaad stichten. En:
B. We moeten daarin standvastig zijn, het is goed om altijd in het goede te ijveren, niet nu en dan, niet met de hitte van een koortsaanval, maar met de warmte van een gezond lichaam. Het zou een zegen voor de Christelijke gemeente zijn indien deze regel wat meer door de Christenen in acht genomen werd.