Exodus 9:22-35
De bedreigde plaag van de hagel wordt hier door de machtige hand en staf van Mozes opgeroepen, vers 22, 23, en zij gehoorzaamt de oproeping, of liever het gebod van God, want "vuur en hagel doen Gods woord," Psalm 148:8. En hier wordt ons gezegd:
I. Welke verwoestingen hij aanrichtte op de aarde. De donder en het hemelvuur (of bliksem) maakten de plaag nog meer ontzagwekkend en meer verwoestend, vers 23, 24. God maakt de wolken niet slechts tot Zijn voorraadkameren, van waar Hij vettigheid doet druipen op Zijn volk, maar tot Zijn wapenhuis van waar Hij, als het Hem behaagt, een ontzaglijke trein van geschut kan doen voortkomen, om er Zijn vijanden mee te vernielen. Hij zelf spreekt van "de schatkamers van de hagel," die Hij "ophoudt tot de tijd van de benauwdheid, tot de dag van de strijd en de oorlog," Job 38:22, 23. Ontzettende verwoesting werd door die hagel aangericht in het land van Egypte. Mens en dier werd er door gedood, gras en kruid neergeslagen en bomen gebroken, vers 25. Het koren, dat reeds boven de grond was, werd vernield, alleen datgene bleef bewaard dat nog niet ontsproten was, vers 31,32. God heeft velerlei middelen om "het koren weg te nemen op Zijn tijd," Hosea 2:8, hetzij door een stille verborgen verwoesting, of door een knetterende hagelslag. Bij deze plaag hebben de vurige kolen hun vee gedood, zowel als de hagel, Psalm 78:47, 48, zie ook Psalm 105:32, 33. Misschien zinspeelt David hierop als hij, wijzende op Gods glorierijke verschijning ter verdelging van Zijn vijanden, spreekt van de hagel en de vurige kolen, die Hij onder hen wierp Psalm 18:13, 14. En er wordt duidelijk op gezinspeeld in het uitgieten van de zevende schaal, Openbaring 16:21. In vers 26 wordt er op gewezen, dat het land Gosen generlei letsel ondervond van deze plaag. God heeft het bestuur over de wolken, en doet regenen of hagelen over de ene stad en niet over de andere, hetzij in goedertierenheid en zegen of in oordeel.
II. In welk een ontsteltenis Farao er door gekomen is, zie de uitwerking, die het op hem had:
1. Hij verootmoedigde zich voor Mozes in de taal van berouw, vers 27,28. Niemand zou beter hebben kunnen spreken. Hij erkent dat hij het aan het verkeerde einde heeft in zijn strijd met de God van de Hebreeën: "Ik heb gezondigd door die strijd zolang vol te houden." Hij erkent de billijkheid van Gods handelwijze jegens hem, de Heere is rechtvaardig, en moet als Hij spreekt, gerechtvaardigd worden, al is het ook, dat Hij spreekt in donderslagen en bliksemen hij veroordeelt zich en zijn land: "Ik en mijn volk zijn goddeloos, en wij verdienen wat over ons gebracht is." Hij verzoekt om Mozes' gebed: Bidt vuriglijk tot de Heer, dat deze ontzettende plaag weggenomen worde."
Eindelijk: hij belooft zijn gevangenen los te zullen laten: dan zal ik u laten trekken. Wat zou men meer kunnen begeren? En toch was zijn hart onder dit alles verhard. De verschrikkingen van de roede dwingen dikwijls bekentenissen af van berouw van hen die geen berouw hebben en niet boetvaardig zijn. Onder de overrompeling en pijn van de beproeving zijn zij opgeschrikt en zeggen dan wat gepast en van belang is, niet omdat zij diep getroffen zijn, maar omdat zij weten dat zij het behoorden te wezen, en dat het gepast is het te zeggen.
2. Hierop wordt Mozes zijn voorspraak bij God. Hoewel hij alle reden had om te denken, dat hij terstond berouw zal hebben van zijn berouw, en hem dit ook zegt, vers 30, belooft hij toch zijn vriend te wezen aan het hof van de hemel. Zelfs voor hen, van wie wij weinig hoop kunnen koesteren, moeten wij toch blijven bidden, en hen blijven vermanen, 1 Samuël 12:23. Merk op:
A. De plaats, die Mozes uitkoos om er zijn voorbede te doen: hij ging de stad uit, vers 33, niet slechts voor afzondering in zijn gemeenschapsoefening met God, maar om te tonen dat hij zich naar buiten, op het open veld durfde wagen, in weerwil van de hagel en de bliksem, die Farao en zijn knechten binnenshuis hielden, wetende dat iedere hagelsteen door God bestuurd wordt, die hem niet wilde schaden. Vrede met God maakt dat de mens beveiligd is tegen het onweer, want de donder is de stem van zijn Vader.
B. De houding: hij breidde zijn handen uit tot de Heer, een uitwendige uitdrukking van vurige begeerte en ootmoedige verwachting. Zij, die tot God komen om genade, moeten gereed staan om haar te ontvangen.
C. Wat Mozes beoogde met zijn voorbede voor hem: opdat gij weet, en er van overtuigd zijt, dat de aarde van de Heer is vers 29, dat is: dat God soevereine heerschappij heeft over alle schepselen, dat zij allen door Hem geregeerd en bestuurd worden, en dat ook gij u dus door Hem moet laten regeren. Zie hoe verschillende methodes God gebruikt om de mensen tot bezinning te brengen. Oordelen worden gezonden, en oordelen worden weggenomen alles tot hetzelfde doel, namelijk de mensen te doen weten, dat de Heer regeert.
D. De uitslag er van.
a. Hij overmocht bij God, vers 33. Maar:
b. Bij Farao heeft hij niet overmocht: die verzondigde zich nog verder, en hij verzwaarde zijn hart, vers 34, 35. Evenals het gebed van Elia, heeft ook het gebed van Mozes de hemel geopend en gesloten, Jakobus 5:17, 18, en zo is ook de macht van de twee getuigen van God, Openbaring 11:6, maar noch Mozes, noch Elia, noch deze twee getuigen vermochten het harde hart van de mensen tot onderwerping te brengen. Door het ontzettend oordeel werd Farao tot toegeven verschrikt, maar toen het oordeel was opgeheven verdween zijn overtuiging, en waren zijn schone beloften vergeten. Er moet weinig geloof worden geschonken aan bekentenissen, die op de pijnbank worden afgelegd. Zij, die door oordelen en zegeningen van Gods goedertierenheid niet beter gemaakt worden, worden er gewoonlijk slechter door.