Exodus 4:1-9
Het was een zeer grote eer, waartoe Mozes geroepen werd, toen God hem de opdracht gaf om Israël uit te voeren uit Egypte, maar toch kan hij er nauwelijks toe bewogen worden om die opdracht te aanvaarden, en als hij haar ten laatste aanneemt, is het nog met grote tegenzin, wat wij eerder aan een nederig wantrouwen van zichzelf moeten toeschrijven dan aan een ongelovig wantrouwen van God en van Zijn woord en macht. Zij, die door God bestemd zijn om verhoogd te worden, worden door Hem met ootmoed bekleed, die het bekwaamst zijn voor de dienst, zijn het minst verwaand.
I. Mozes voert als bezwaar aan, dat naar alle waarschijnlijkheid het volk zijn stem niet zal horen, vers 1. Dat is: dat zij hem niet op zijn woord zullen geloven, tenzij hij hun een teken toonde en hem was nog niet gezegd, dat hij dit doen moest. Deze tegenwerping kan niet worden gerechtvaardigd, omdat zij in tegenspraak is met wat God gezegd heeft, Hoofdstuk 3:18 :Zij zullen uw stem horen. Als God zegt: Zij zullen, dan hoort Mozes niet te zeggen: Zij zullen niet. Zeker bedoelt hij: "Misschien zullen zij in het eerst niet," of, "sommigen van hen zullen niet." Indien er tegensprekers onder hen zijn, die zijn opdracht in twijfel trekken, hoe moet hij dan met hen handelen? En wat moet hij doen om hen tot overtuiging te brengen? Hij dacht hoe zij hem eens verworpen hebben, en hij vreesde dat het nu weer zo gaan zou. Tegenwoordige mismoedigheid ontstaat dikwijls uit vroegere teleurstellingen. Wijze en Godvruchtige mensen koesteren soms een ongunstiger mening over de lieden, dan zij verdienen. Mozes zei: vers 1. Zij zullen mij niet geloven, en toch heeft hij zich hierin gelukkig vergist, want in vers 31 wordt gezegd: het volk geloofde, maar toen waren ook eerst de tekenen, door God aangewezen, voor hun ogen gedaan.
II. God machtigt hem om wonderen te werken, wijst hem speciaal drie aan, waarvan twee nu direct tot zijn eigen overtuiging gewerkt werden. Echte wonderen zijn de overtuigendste uitwendige bewijzen van een Goddelijke zending. Daarom heeft onze Heiland zich dikwijls beroepen op Zijn werken, zoals in Johannes 5:36, en Nicodémus verklaart er zich door overtuigd, Johannes 3:2. daar aan Mozes hier een bijzondere opdracht gegeven is om de rechter en wetgever van Israël te zijn, wordt aan zijn lastbrief dit zegel gehecht, en wordt hij bij zijn komst tot Israël door deze geloofsbrieven ondersteund.
1. De staf in zijn hand wordt tot onderwerp gemaakt van een wonder, een dubbel wonder. Zij wordt slechts uit zijn hand geworpen, en zij wordt een slang, hij neemt haar op, en zij wordt weer een staf, vers 2-4 Nu was hier:
a. een Goddelijke macht geopenbaard in die verandering zelf: dat een droge stok veranderd zou worden in een levende slang, die zo schrikwekkend is dat Mozes zelf tot wie zij zich dreigend gekeerd scheen te hebben, van haar wegkroop, hoewel, naar wij kunnen veronderstellen, in die woestijn slangen niet vreemd voor hem waren, maar wat door een wonder werd voortgebracht, was altijd het beste en krachtigste in zijn soort, zoals het water, dat in wijn werd veranderd, en dat toen die levende slang weer tot een droge stok werd, dat was het doen des HEEREN.
b. Hier was eer gelegd op Mozes: daar die verandering gemaakt werd op zijn eenvoudig neerwerpen en weeropnemen, zonder een toverformule of bezwering. Dat hij aldus gemachtigd werd om onder God buiten de gewone loop van de natuur en van de voorzienigheid te handelen, was een bewijs van zijn gezag en van zijn macht om, onder God, een nieuwe bedeling vast te stellen van het Koninkrijk van de genade. Wij kunnen ons ons niet voorstellen, dat de God van de waarheid een macht als deze aan een bedrieger zou verlenen.
c. In het wonder zelf lag een betekenis: Farao had de roede van Israël in een slang verkeerd, hen voorstellende als gevaarlijk voor zijn rijk, Hoofdstuk 1:10, hen in het stof doen kruipen en hun verderf en ondergang zoekende, maar nu zullen zij weer in een roede verkeerd worden. Of wel: Farao had de roede van de regering verkeerd in een slang van verdrukking, waarvoor Mozes zelf naar Midian gevlucht was maar door middel van Mozes was het toneel nu veranderd.
d. Er was een directe strekking in om de kinderen Israëls er van te overtuigen, dat Mozes in waarheid van God was gezonden, om te doen wat hij deed, vers 5. Wonderen zijn tot een teken voor de ongelovigen, 1 Corinthiërs 14:22.
2. Vervolgens werd zijn hand tot het onderwerp van een wonder gemaakt. Hij steekt haar in zijn boezem, en toen hij ze er uittrok was zij melaats, hij steekt haar weer in dezelfde plaats, en trekt ze er uit, gezond en wel, vers 6, 7. Dat betekende:
a. Dat Mozes door de kracht Gods zware ziekten over Egypte zou brengen, die, op zijn gebed, weggenomen, opgeheven zullen worden.
b. Dat, doordat de Israëlieten in Egypte melaats waren geworden, verontreinigd door zonde en bijna verteerd door verdrukking (een melaatse is als een dode), Numeri 12:1 zij, door in Mozes' boezem genomen te worden, gereinigd en geheeld zouden worden, en al hun grieven zouden worden hersteld.
c. Dat Mozes niet in zijn eigen kracht, noch tot zijn eigen lof wonderen zou werken, maar door de kracht van God en tot Zijn verheerlijking, die melaatse hand van Mozes maakt, dat voor altijd de roem is uitgesloten. Nu werd verondersteld dat, zo het eerste teken hen niet zou overtuigen, het tweede die overtuiging wèl zou teweegbrengen. God is bereid om de waarheid van Zijn Woord meer overvloedig aan te tonen, en is niet zuinig met Zijn bewijzen, de menigte en de verscheidenheid van de wonderen bevestigen het getuigenis.
3. Hij ontvangt bevel om, als hij in Egypte zou gekomen zijn, water uit de rivier in bloed te verkeren, vers 9. Dit geschiedde in het eerst als een teken, maar toen Farao er geen geloof aan sloeg, werd daarna al het water van de rivier in bloed veranderd, en toen werd het een plaag. God beveelt hem dit wonder te doen ingeval dat de eerste twee wonderen hen nog niet tot overtuiging gebracht zouden hebben. Aan het ongeloof moet geen verontschuldiging worden gelaten, het moet schuldig worden bevonden aan moedwillige hardnekkigheid. Van het volk van Israël had God gezegd, Exodus 3:18 :Zij "zullen horen", toch verordineert Hij dat voor hun overtuiging deze wonderen gedaan zullen worden, want Hij die het doel heeft verordineerd, heeft ook de middelen verordineerd.