Exodus 35:20-29
Daar Mozes hun nu de wil van God bekend had gemaakt, gingen zij naar huis en brachten hetgeen zij gehoord hadden terstond in praktijk, vers 20. O mocht elke vergadering na het horen van het woord Gods, aldus heengaan met het vaste besluit om er daders van te zijn!
Merk hier op:
I. De offeranden, die gebracht werden voor de dienst van de tabernakel vers 21 enz. Betreffende die vele en velerlei zaken kan gezegd worden:
1. Dat zij hun offeranden terstond hebben gebracht. Zij gingen naar hun tenten om terstond hun offeranden te halen, en verlangden geen tijd om er zich over te bedenken, opdat door uitstel hun ijver niet zou bekoelen. De plicht, waarvan God ons overtuigt en waartoe Hij ons roept, behoren wij met alle spoed te volbrengen. Geen tijd zal er geschikter voor wezen dan de tegenwoordige tijd.
2. Er wordt gezegd, dat hun geest hen vrijwillig maakte, vers 21 en hun hart, vers 29. Wat zij deden, deden zij gaarne en uit een goed beginsel. Zij waren gewillig, en het was geen uitwendige drijfveer, maar hun geest, die hen gewillig maakte. Het was uit een beginsel van liefde tot God en Zijn dienst, een begeerte naar Zijn tegenwoordigheid met hen in Zijn inzettingen, dankbaarheid voor de grote dingen die Hij voor hen gedaan had, geloof in Zijn belofte voor hetgeen Hij nog verder voor hen doen zou, of tenminste uit de tegenwoordige overweging van deze dingen, dat zij gewillig waren om te offeren. Wat Wij geven en doen voor God is Hem welbehaaglijk als het voortkomt uit een goed beginsel in het hart en de geest.
3. Als er gezegd wordt dat zovelen vrijwillig van hart waren, vers 22 en hun offers brachten, dan schijnt het, dat sommigen niet vrijwillig van hart waren, die hun goud meer beminden dan hun God en er geen afstand van wilden doen, neen, ook niet voor de dienst van de tabernakel. Er zijn zodanigen, die Israëlieten genoemd willen worden en zich toch noch door de billijkheid van de zaak, noch door Gods verwachting van hen en het goede voorbeeld van degenen, die hen omringen, laten bewegen om iets af te staan ten behoeve van de belangen van Gods koninkrijk. Zij zijn voor de ware Godsdienst, mits hij goedkoop is en hun niets kost.
4. De offeranden waren van verschillende aard, naar zij hadden. Zij, die goud en edelgesteenten hadden brachten ze, niet achtende dat iets te goed of te kostbaar was om af te staan voor de eer van God. Zij, die geen edelgesteenten hadden, brachten geitehaar en ramsvellen. Indien wij niet zoveel voor God kunnen doen als anderen, dan moeten wij daarom niet stilzitten en niets doen. Indien de geringere offeranden, die naar ons vermogen zijn, ons niet zoveel roem of aanzien verwerven onder de mensen, zullen zij toch door God worden aangenomen en Hem welbehaaglijk zijn, "die eist naar hetgeen iemand heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft," 2 Corinthiërs 8:12. Twee penningskens van de arme weduwe waren Gode meer welbehaaglijk dan vele talenten van de rijke man. God ziet meer op het hart van de gever dan op de waarde van de gave.
5. Veel van hetgeen zij offerden bestond in hun sieraden, haken en oorsierselen en ringen en spanselen, vers 22, zelfs de vrouwen hebben die afgestaan. Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel? Zij hebben ze in zoverre vergeten, dat zij de versiering van het heiligdom stelden boven de versiering van hen zelf. Laat dit ons leren in het algemeen, om, als God er ons toe roept, voor Hem afstand te doen van hetgeen ons dierbaar is, hetgeen waarop wij prijsstellen en waarnaar wij ons schatten, inzonderheid onze versierselen af te leggen en ons er in te verloochenen, als zij hetzij aanstoot geven aan anderen of onze hoogmoed voeden. Als wij deze Evangelieregelen betreffende onze kledij, 1 Timotheus 2:9, 10, 1 Petrus 3, te streng vinden, dan vrees ik dat wij nauwelijks zouden doen wat deze Israëlieten gedaan hebben. Indien zij achtten dat hun sieraden goed besteed waren aan de tabernakel, zullen wij dan niet achten dat het gebrek aan versierselen ruimschoots vergoed wordt door de genadegaven van de Geest? Spreuken 1:9.
6. Wij kunnen veronderstellen dat de kostbare dingen, die zij offerden, meestal afkomstig waren van de roof van de Egyptenaren, want in Egypte zijn de Israëlieten arm gehouden, totdat zij bij het scheiden die dingen geëist hebben. En wij kunnen veronderstellen, dat de oversten betere dingen hadden, vers 27 omdat zij, daar zij meer invloed hadden op de Egyptenaren, grotere sommen hebben geëist. Wie zou ooit gedacht hebben dat de schatten van Egypte zó goed besteed zouden worden! Maar aldus heeft God dikwijls de aarde de vrouw te hulp doen komen, Openbaring 12:16. Het was door een bijzondere leiding van de voorzienigheid Gods en Zijn belofte, dat de Israëlieten al die buit verkregen, en daarom was het hoogst passend, dat zij een deel er van zouden toewijden aan de dienst van die God, aan wie zij het alles verschuldigd waren. "Een ieder geve naar dat hij welvaren verkregen heeft," 1 Corinthiërs 16:2. Buitengewone voorspoed moet dankbaar erkend worden door buitengewone offeranden. Pas dit toe op menselijke geleerdheid, kunsten en wetenschappen, die aan de Egyptenaren, als het ware, ontleend zijn. Zij, die daarmee verrijkt zijn, moeten ze wijden aan de dienst van God en Zijn tabernakel, zij kunnen gebruikt worden als hulpmiddelen om de Schriften te verstaan, als sieraden of dienstmaagden van de godgeleerdheid. Maar dan moet er grote zorg voor worden gedragen, dat Egyptes goden niet met Egyptes goud vermengd worden. Hoewel Mozes onderwezen was in alle wijsheid van de Egyptenaren heeft hij daarom ook maar niet in het minst het voorbeeld willen verbeteren, dat hem op de berg getoond was. Het meubileren van de tabernakel met de schatten van Egypte was wellicht een teken ten goede voor de heidenen, die in de volheid des tijds in de Evangelietabernakel gebracht zullen worden, en hun zilver en goud met hen, Jesaja 60:9, en gezegd zal worden: "Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars," Jesaja 19:25.
7. Wij kunnen veronderstellen dat de herinnering aan de offers, die zij gebracht hebben voor het gouden kalf, hen zoveel ijveriger heeft gemaakt om deze offeranden te brengen. Zij, die toen hun oorsierselen hadden afgestaan wilden nu hun berouw hierover tonen door hun overige kostbaarheden te geven voor de dienst van God. "Een bedroefd zijn naar God werkt zodanig een wrake," 2 Corinthiërs 7:11. En zij, die zich rein hadden gehouden van deze afgoderij, zeiden bij zichzelf: "Zijn zij zo ijverig geweest in het offeren aan een afgod, en zullen wij dan achterblijven of karig zijn in onze offeranden aan de Heere?" Aldus is er zelfs uit dat kwaad nog iets goeds voortgekomen.
II. Het werk, dat gedaan werd ten dienste van de tabernakel, vers 25. De vrouwen sponnen met haar handen, sommigen sponnen fijn werk in blauw en purper, anderen grof werk in geitehaar, en toch wordt ook daarvan gezegd, dat het gedaan werd in wijsheid, vers 26. Gelijk het niet slechts rijke gaven zijn, zo is het ook niet slechts fijn werk, dat Gode welbehaaglijk is. Er wordt hier nota genomen van het werk van de Godvruchtige vrouwen, evengoed als van het werk van Bezaleël en Aholiab. De geringste dienst, die tot eer van God volbracht wordt, zal een eervolle beloning verkrijgen. Van Maria's zalven van Christus hoofd zal tot haar gedachtenis gesproken worden, Mattheus 26:13, en er wordt een register gehouden van de vrouwen, die in de Evangelietabernakel gearbeid hebben, Filippenzen 4:3, en medewerksters zijn geweest met Paulus in Christus Jezus Romeinen 16:3. Het behoort tot de hoedanigheden van de deugdzame vrouw, "dat zij haar handen uitsteekt naar de spil," Spreuken 31:19. Deze bezigheid werd hier tot een Godvruchtig gebruik aangewend, zoals dit ook nu nog kan geschieden, (al behoeven wij ook geen gordijnen te maken voor de tabernakel) door de liefdadigheid na te volgen van Dorkas, die rokken en kleren maakte voor de weduwen, Handelingen 9:39. Zelfs zij, die het vermogen niet hebben om in barmhartigheid te geven, kunnen toch in liefde en barmhartigheid arbeiden, en zo kunnen de armen de armen helpen, en zij, die niets anders hebben dan hun ledematen en hun zinnen, kunnen zeer barmhartig zij in de arbeid van de liefde.