1 Kronieken 4:11-23
In deze verzen kunnen wij opmerken:
1. Dat hier een gehele familie is van werkmeesters, handwerkslieden, die zich toelegden op allerlei fabrikaat, waarin zij vernuftig en vlijtig waren boven hun naburen, vers 14.
Zij woonden in een dal, dat naar hen "het dal van de werkmeesters" genoemd werd. Op hen, die handwerkslieden zijn, moet niet neergezien worden alsof zij geringe lieden zijn. Hoewel twee van eenzelfde bedrijf zelden overeenkomen, verkozen deze werkmeesters toch bij elkaar te wonen ter bevordering en verbetering van de kunsten door zich met elkaar te beraden, hun ervaringen met elkaar te vergelijken en elkanders reputatie op te houden
2. Dat een van deze de dochter van Farao huwde, vers 18 , Farao was de algemene naam van de koningen van Egypte. Indien een Israëliet in Egypte, voordat de slavernij begon, toen Jozefs verdiensten nog vers in het geheugen waren, bevorderd werd om des konings schoonzoon te zijn, dan moet dat niet vreemd geacht worden, weinige Israëlieten konden, zoals Mozes, een verbintenis met het hof afwijzen.
3. Dat een ander gezegd wordt "de vader te zijn van het huis van de linnenwevers", vers 21. Dat wordt opgenomen in hun geslachtsregister als een eer voor hen, namelijk dat zij de beste wevers waren van het koninkrijk. Zij leidden hun kinderen, van het een geslacht tot het andere, op tot hetzelfde bedrijf, er niet naar strevende om heren van hen te maken.
Deze Lada wordt gezegd de vader te zijn van hen die fijn linnen vervaardigden, zoals vóór de zondvloed Jubal gezegd wordt de vader te zijn van allen, die harpen en orgels hanteerden, en Jabal de vader van degenen, die tenten bewoonden en vee hadden, enz. Zijn nakomelingen bewoonden de stad Maresa, de voorname stapelplaats van het linnen, waarmee hun koningen en priesters bekleed waren.
4. Dat een of andere familie "heerschappij voerde in Moab", maar nu in dienstbaarheid was in Babel, vers 22, 23. Het werd ontdekt in "de oude dingen", dat zij geheerst hebben in Moab, waarschijnlijk in Davids tijd. Toen dat land veroverd was geworden, verhuisden zij daarheen, en werden er mee bekleed, welke macht zij lange tijd behouden hebben, maar dit was nu al lang geleden.
Hun nakomelingen waren nu pottenbakkers en hoveniers in Babel naar men veronderstelt, waar "zij bij de koning bleven in zijn werk", een goed levensonderhoud hadden uit hun bedrijf, en er daarom niet op gesteld waren om met hun broeders naar hun eigen land terug te keren toen de jaren hunner ballingschap voleindigd waren.
Zij, die thans heerschappij hebben weten niet waar hun nakomelingen nog toe komen zullen, welk gering bedrijf zij gaarne zullen uitoefenen, omdat het hun brood geeft.
Maar zij waren de naam van `Israëlieten' onwaardig, die liever bij plantages en tuinen woonden, dan zich de moeite te geven om naar Kanaän terug te keren.