Exodus 35:1-19
In Hoofdstuk 34:32 is gezegd in het algemeen: Mozes gebood hun al wat de Heere met hem gesproken had. Maar omdat de oprichting en de meubilering van de tabernakel het werk was, waartoe zij zich nu terstond moesten begeven, worden de orders hiervoor in bijzonderheden genoemd.
1. De ganse vergadering wordt samengeroepen, vers 1, dat is: de hoofden en bestuurders van de vergadering, de vertegenwoordigers van de verschillende stammen, die van Mozes de instructies moeten ontvangen, zoals hij ze van de Heere had ontvangen, en ze aan het volk moeten meedelen. Zo heeft Johannes, toen hem bevolen was aan de zeven gemeenten te schrijven wat hem geopenbaard was, het geschreven aan de engelen, of dienaren van de gemeenten.
2. Mozes gebood hun alles (dit en niets anders) wat de Heere hem geboden had. Aldus betoonde hij zich getrouw, beide aan God en Israël, tussen wie hij een boodschapper en middelaar was. Indien hij er iets aan had toegevoegd of veranderd, of er van verminderd had, dan zou hij aan beide ontrouw zijn geweest. Maar nu beide zijden hem een opdracht gegeven hebben, heeft hij die getrouw volvoerd. Toch was hij slechts getrouw als een dienstknecht, maar "Christus als de Zoon," Hebreeën 3:5, 6.
3. Hij begint met de wet van de sabbat, omdat daarop in de instructies, die hij had ontvangen, zeer de nadruk was gelegd, vers 2, 3. Zes dagen zal men het werk doen, werk voor de tabernakel, het werk van de dag, dat nu overdag gedaan moet worden, en zij hadden weinig anders te doen in de woestijn, waar zij noch veldarbeid, noch koopmanschap hadden, niet voor voedsel en kleren hadden te zorgen. Maar op de zevende dag mag geen slag werk gedaan worden, neen, niet aan het werk voor de tabernakel, de eer van de sabbat ging die van het heiligdom te boven, was ouder en duurzamer. Dat moet een heilige dag zijn, gewijd aan God, en niet doorgebracht met gewone werkzaamheden, het is een sabbat van de rust. Het is een sabbat van de sabbatten, zoals sommigen de tekst lezen, meer geëerd en meer voortreffelijk dan al de andere feesten, en zal ze alle overleven. Een sabbat van sabbattisme, zoals anderen die woorden lezen, een type van het sabbattisme, of de rust, beide geestelijke en eeuwige, die daar overblijft voor het volk van God, Hebreeën 4:9. Het is een sabbat van de rust, dat is: waarin een rusten van alle wereldlijke arbeid zorgvuldig en nauwkeurig waargenomen moet worden. Het is een sabbat en een kleine sabbat, zoals sommigen van de Joden hier willen lezen, niet slechts de hele dag als een sabbat waarnemende, maar nog een uur vóór het begin, en een uur na het einde er van, die zij er van hun eigen tijd bijvoegen, en een kleine sabbat noemen, om te tonen hoe verheugd zij waren over de nadering van de sabbat, en hoe ongaarne zij er van scheidden. Het is een sabbat van de rust, maar het is een rust voor de Heere, aan wiens eer hij gewijd moet wezen. Er wordt hier een straf gesteld op het verbreken er van: al wie daarop werk doet, zal gedood worden, en een bijzonder verbod om vuur te ontsteken op de sabbat voor dienstwerk, zoals van een smid, of loodgieter, enz.
4. Hij beveelt dat er toebereidselen zullen gemaakt worden voor de oprichting van de tabernakel. Er moesten twee dingen gedaan worden:
A. Allen, die er toe instaat waren, moesten er bijdragen voor geven. Neemt van hetgeen gijlieden hebt een hefoffer, vers 5. de tabernakel moest aan de eer Gods worden gewijd en gebruikt in Zijn dienst, en daarom was dat wat gebracht werd voor de oprichting en meubilering er van een hefoffer voor de Heere. Onze goedheid raakt niet tot God, maar wat gegeven wordt ter bevordering van Zijn koninkrijk en de belangen daarvan onder de mensen wil Hij aannemen als een offer gebracht aan Hemzelf en Hij eist zodanige erkenning, dat wij alles van Hem ontvangen, en zodanig bewijs, dat wij alles aan Hem willen wijden. De regel is: Een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen. Het was geen belasting, die hun opgelegd werd, maar een vrijwillige bijdrage, om ons te kennen te geven:
a. Dat God ons juk niet zwaar heeft gemaakt. Hij is een Vorst, die Zijn onderdanen geen zware lasten oplegt, en zich niet doet dienen met spijsoffer, maar trekt met mensenkoorden, en het aan onszelf overlaat om te oordelen hetgeen recht is. In Zijn regering is geen oorzaak tot klacht, want Hij heerst niet met strengheid.
b. Dat God een blijmoedige gever liefheeft, en dat vrijwillige offeranden Hem het meest welbehaaglijk zijn. Die diensten zijn Hem welgevallig die komen "uit een gewillig hart van een gewillig volk," Psalm 110:3.
B. Allen, die bekwaam waren, moesten werken, vers 10. Allen die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen en maken. Zie hoe God Zijn gaven onderscheidenlijk uitdeelt, en, "een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij die," 1 Petrus 4:10. Zij, die rijk waren, moesten materialen brengen om ze te bewerken, zij, die vernuftig waren, moesten de tabernakel dienen met hun verstand of vernuft, gelijk zij elkaar nodig hadden, zo had de tabernakel hen beide nodig, 1 Corinthiërs 12:7,21. Het werk moest wel voorspoedig voortgaan, als sommigen hielpen met hun beurs, anderen met hun handen, en beide met een gewillig hart. Gelijk Mozes hun gezegd had wat gegeven moet worden, vers 5-9, zo duidt hij hun ook onder algemene hoofden aan wat gemaakt moet worden, vers 11-19, opdat zij, als zij zagen hoeveel werk zij voor zich hadden, er zich met kracht en ijver op zouden toeleggen en alle handen vlug in de weer zouden zijn. En het gaf hun zo'n denkbeeld van het gebouw, dat ontworpen was, dat het wel niet anders kon, of zij moesten wensen het voltooid te zien.