19. Aangaande al het gereedschap van de tabernakel, alle werktuigen, die men voor het opslaan en afbreken behoeft, en al het overige in al deze dienst, ja al zijn pennen, die tot bevestiging van de deksel over de woning nodig zijn (zie "
Exodus 26:14), en al de pennen van de voorhof, (
hoofdstuk 27:17) zullen van koper (zie "
Exodus 26:11) zijn. 1)
1) De voorhof, die de tabernakel omsloot, bestond dus uit 2 maal 20, 2 maal 10 gelijk 60 pilaren, en een uit enkel byssus geweven wit omhangsel; van boven was het open; het besloeg een ruimte van 100 el lengte en 50 el breedte en was 5 el breed. De in hun kapitelen verzilverde pilaren waren aan elkaar verbonden door massief zilveren in zilveren haken liggende staven en stonden van onderen in koperen, in de aarde gegraven voetstukken vast, zij waren bovendien zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde met koorden aan koperen in de aarde geslagen pinnen bevestigd. Aan de staven nu hing aan de buitenzijde van de voorhof, het eenvoudig witte, uit byssus geweven omhangsel; dit bedekte aan de voorste naar het oosten gekeerde zijde slechts 15 el aan de rechter- en 15 el aan de linkervleugel, de middelste 20 el waren voor de door- en ingangen bestemd. Deze ingangen stonden echter niet open, maar aan de naar binnen gekeerde zijden van de pilaren, die de ingangen verdeelden, was een voorhangsel, in bonte kleuren gewerkt, dat aan de beide zijden kon teruggeslagen worden, en zo naast de noordelijke vleugel een doorgang vormde. De binnenste, door de pilaren in hun behangsels omsloten ruimte van de voorhof bedroeg 5000 vierkante el. De tabernakel zelf was zó binnen deze ruimte geplaatst, dat hij in het zuiden, noorden en westen ieder 20 el van de pilaren verwijderd was; de voorste plaats, voor de ingang tot de tabernakel, omvatte alzo 2500 vierkante el, op deze plaats stonden het brandofferaltaar en het koperen wasvat (hoofdstuk 27:1-8; 30:18)
Gelijk de tabernakel de woning van de Heere is in het midden van Zijn volk, zo betekent de voorhof de plaats, welke Israël tegenover zijn God inneemt. Aan de ene zijde is deze plaats een, die uitnemend is boven alle volken van de aarde: God en volk wonen bij elkaar. God midden onder Zijn volk, het volk in de omgeving en nabijheid van zijn God. Aan de andere zijde is deze verhouding toch ook een nog daar buiten staan, een staan voor de deuren. De woning van God zelf mag Israël niet betreden; alleen is aan zijn gewijde plaatsbekleders en middelaars, de priesters het ingaan toegestaan, opdat zij in zijn plaats met God verkeren, daar de gaven van het volk aan God brengen, en van daar aan het volk de genadebetuigingen van God terugbrengen. Maar ook zelfs de priesters is de onmiddellijke toegang tot God en het bestendig blijven bij Hem nog ontzegd; zij mogen niet verder dan in het heilige; slechts eens in het jaar mag de hogepriester de voorhang voor het Allerheilige opheffen en met het verzoenend offerbloed en de wolk van wierook voor God verschijnen, om de volkomen verzoening met God in het nieuwe verbond en de volkomen vereniging met Hem, en het bestendig wonen bij Hem in het rijk van de heerlijkheid profetisch af te beelden. Wij zien alzo, dat de tent der samenkomst in haar drievoudige verdeling drie trappen van voortgang in zich heeft, welke de voortgaande ontwikkeling van het rijk van God in zijn geschiedenis aanwijzen; in de voorhof hebben wij de oudtestamentische gemeente, die als drager van het rijk van God nog priesterlijke middelaars nodig heeft; in het heilige zien wij de nieuwtestamentische gemeente, die, daar de verzoening reeds volbracht is, door middel van het algemene priesterschap onmiddellijk en zelf tot God naderen, haar gaven brengen en de zegen halen mag; in het Allerheilige eindelijk wordt ons de hemelse gemeente voorgesteld, die, nadat het rijk van God zijn volmaking gevonden heeft, tot het aanschouwen van de heerlijkheid van God en tot bestendig wonen bij Hem gekomen is..
De majesteit van de heilige zaken lag voor hen verborgen onder deze schaduwbeelden, opdat zij eerbiedig zouden naderen, om God te vereren; en aan hun onwaardigheid werden zij herinnerd, opdat zij des te nederiger zich voor Gods aangezicht zouden gedragen, en de vrees het berouw tevoorschijn zou brengen. Hun werd tevens aanbevolen, de matigheid in het wijs zijn te betrachten, opdat zij niet bovenmate weetgierig zouden zijn..
III. Vers 20-21. Het eveneens in de voorhof te plaatsen wasvat (hoofdstuk 30:7) vooreerst nog voor bijgaande, en in het volgende hoofdstuk van de kleding van zijn dienaren willende handelen, schrijft de Heere eerst voor de soort en toebereiding van de olie voor de zeven lampen, omdat de dagelijkse verzorging van deze lampen aanstonds na het oprichten van de tabernakel een begin moet nemen.