Exodus 34:28-35
I. Hier is het verblijf van Mozes op de berg, waar hij wonderdadig onderhouden werd, vers 28. Hij was daar in zeer innige gemeenschap met God, zonder tusschenpoos of stoornis, veertig dagen en veertig nachten, en hij achtte dit niet lang. Als wij moe zijn van een paar uur, doorgebracht om van God te horen en in Zijn aanbidding, dan moeten wij eens bedenken hoeveel dagen en nachten Mozes met Hem doorgebracht heeft, en van de eeuwige dag, die wij hopen door te brengen met Hem te loven. Gedurende al die tijd heeft Mozes gegeten noch gedronken. Hoewel hij er de vorige maal zo lang vastende werd gehouden, heeft hij deze tweede maal toch niet voor zoveel dagen mondvoorraad meegenomen maar geloofde dat de mens niet bij brood alleen leeft, en hij bemoedigde zich met de ervaring, die hij had opgedaan van de waarheid hiervan. Zolang is hij zonder spijs of drank (en waarschijnlijk ook zonder slaap) gebleven, want:
1. De kracht Gods heeft hem ondersteund, zodat hij er geen behoefte aan had. Hij, die het lichaam heeft gemaakt, kon het ook zonder de gewone middelen voeden, want die middelen gebruikt Hij, maar Hij is er niet aan gebonden. Het leven is meer dan het voedsel.
2. Zijn gemeenschap met God onderhield hem, zodat hij geen voedsel begeerde. Hij had een spijs om te eten, die de wereld niet kende want het was zijn spijs en drank het woord Gods te horen en te bidden. De overvloedige voldoening, die zijn ziel smaakte in het woord Gods en in de gezichten van de Almachtige, deden hem het lichaam en de genoegens er van vergeten. Als God Zijn gunstgenoot Mozes wilde onthalen, dan was het niet met spijs en drank, maar met Zijn licht, Zijn wet en Zijn liefde, met de kennis van Hemzelf en van Zijn wil, en toen heeft de mens in waarheid engelenbrood gegeten. Zie hier wat wij het grootste, het wenselijkste genot moeten achten, het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, noch de overvloed, noch het aangename er van, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest. Gelijk Mozes, zo hebben ook Elia en Christus veertig dagen en veertig nachten gevast, hoe meer wij van de genietingen van de zinnen gestorven zijn, hoe beter en hoe meer wij voor de genietingen van de hemel zijn bereid.
II. Mozes afkomen van de berg, zeer verrijkt en wonderbaarlijk versierd.
1. Hij kwam af, verrijkt met de kostelijkste schat, want hij bracht de twee tafelen van de wet mede, geschreven met de vinger Gods, vers 28, 29. Het is een grote gunst, dat ons de wet gegeven is, "die gunst werd aan Israël bewezen," Psalm 147:19, 20. Het is een grote eer om gebruikt te worden om Gods wet aan anderen over te leveren, deze eer werd aan Mozes bewezen.
2. Hij kwam neer, versierd met de heerlijkste schoonheid, want het vel van zijn aangezicht glinsterde, vers 29. Bij dit verblijf op de berg hoorde hij alleen wat hij tevoren had gehoord maar hij zag meer van de heerlijkheid Gods, en deze met ongedekt aangezicht aanschouwd hebbende, was hij nu ook enigermate naar "hetzelfde beeld in gedaante veranderd," 2 Corinthiërs 3:18. De vorige keer kwam hij af van de berg met de heerlijkheid van een magistraat om Israëls afgoderij te kastijden, thans met de heerlijkheid van een engel, met tijdingen van vrede en verzoening. Toen kwam hij neer met een roede, nu in de geest van de zachtmoedigheid. Dit nu kan beschouwd worden: A. Als een grote eer, die aan Mozes werd bewezen, opdat het volk nooit meer zijn zending in twijfel zou trekken, gering over hem zou denken of spreken. Hij droeg zijn geloofsbrieven in zijn gelaat, dat, naar sommigen denken, zolang hij leefde nog overblijfselen bleef behouden van deze heerlijkheid en wellicht bijgedragen heeft tot het krachtige van zijn ouderdom. Het oog kon niet verdonkerd worden, dat God had gezien, het gelaat niet door rimpels worden doorploegd, dat geblonken had met Zijn heerlijkheid. De Israëlieten konden hem niet in het aangezicht zien, of zij moesten er zijn opdracht op lezen: Alzo werd gedaan aan de man, tot wiens eer de Koning een welbehagen had. Toch hebben zij daarna nog tegen hem gemurmureerd, want op zich zelf zullen ook de meest tastbare bewijzen geen hardnekkig ongeloof overwinnen. Het blinken van Mozes gelaat was een grote eer voor hem, toch was dit geen heerlijkheid in vergelijking met de uitnemende heerlijkheid. Wij lezen van onze Heere Jezus niet alleen dat Zijn aangezicht blonk als de zon, maar ook Zijn gehele lichaam want "Zijn kleding werd wit en zeer blinkende," Lukas 9:29. Maar toen Hij afkwam van de berg, heeft Hij die heerlijkheid geheel afgelegd, daar Hij wil dat wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
B. Het was ook een grote gunst jegens het volk en een aanmoediging voor hen, daar hun hiermede de verzekering werd gegeven, dat hij was aangenomen, en zij door hem. Zo is de verhoging van Christus, onze Voorspraak bij de Vader, de grote steun van ons geloof.
C. Het was de uitwerking van het gezicht dat hij op God heeft gehad. Gemeenschap met God:
a. Doet het gelaat blinken en schitteren. Ernstige Godsvrucht brengt een schittering, een glans op het aangezicht van een mens, die eerbied en liefde afdwingt.
b. Het moet het aangezicht doen schitteren in algemene heiligheid, als wij met God op de berg zijn geweest, wij moeten ons licht laten schijnen voor de mensen in ootmoed, zachtmoedigheid en al de blijken van een hemelse wandel. Aldus moet de lieflijkheid van de Heere, onze God, over ons zijn, in heilig sieraad, opdat allen met wie wij omgaan aan ons zien, dat wij met Jezus geweest waren, Handelingen 4:13.
Omtrent dit glinsteren van Mozes aangezicht hebben wij nu op te merken:
Ten eerste. Dat Mozes zelf er zich niet van bewust was, vers 29, hij wist niet dat het vel van zijn aangezicht glinsterde. Aldus is het:
1. Het ongeluk van sommigen, dat hun aangezicht glinstert van wezenlijke genade, maar dat zij het niet weten en er dus de vertroosting niet van hebben. Hun vrienden zien veel van God in hen, maar zij zelf zijn geneigd te denken dat zij geen genade hebben.
2. Er zijn anderen, van wie het aangezicht blinkt van uitnemende gaven, maar hun nederigheid belet hun dit te weten en er door opgeblazen te zijn. Met wèlke schoonheid God ons ook moge versieren, toch moeten wij altijd vervuld zijn van zo'n ootmoedig besef van onze onwaardigheid en menigerlei tekortkoming dat wij hetgeen ons gelaat doet blinken voorbijzien en vergeten.
Ten tweede. Dat Aaron en de kinderen Israëls het zagen, en bevreesd waren, vers 30. De waarheid er van werd getuigd door een menigte van getuigen, die zich ook het ontzagwekkende er van bewust waren. Het verblindde hun ogen niet slechts, maar vervulde hen van zo'n ontzag, dat zij genoodzaakt waren terug te gaan, waarschijnlijk waren zij in onzekerheid of het een teken was van Gods gunst of van Zijn misnoegen, en hoewel het hoogstwaarschijnlijk een teken was ten goede, vreesden zij toch het ergste omdat zij zich zozeer van schuld bewust waren, inzonderheid bij de herinnering aan de houding, waarin Mozes hen vond, toen hij de vorige maal van de berg was afgekomen. Heiligheid zal eerbied afdwingen, maar de bewustheid van zonde maakt dat de mensen bevreesd zijn voor hun vrienden, en zelfs voor hetgeen in werkelijkheid een gunst voor hen is.
Ten derde. Dat Mozes een deksel op zijn aangezicht legde, toen hij bemerkte dat het glinsterde, vers 33, 35.
1. Dit is voor ons een les van bescheidenheid en ootmoed. Wij moeten er mee tevreden zijn, dat wat er voortreffelijks in ons is, in de schaduw blijft, dat er een sluier over geworpen wordt, niet begerende een schoon gelaat te tonen naar het vlees. Zij, die waarlijk begerig zijn om door God erkend en aangenomen te worden, zullen ook begeren dat mensen hen niet opmerken of toejuichen. "Qui bene laterit, bene vixit- Er is een lofwaardig zich verbergen."
2. Het leert aan Evangeliedienaren zich te voegen naar de vatbaarheid van hun hoorders en voor hen te prediken naar zij in staat zijn de prediking te begrijpen. Laat een sluier geworpen worden over al die kunst en al die geleerdheid, die eerder tot vermaak strekken dan tot stichting, en laat de sterken zich neerbuigen tot de zwakheid van de zwakken.
3. Dat deksel, die sluier, betekende het duistere van die bedeling. Er was in de ceremoniële inzettingen veel van Christus en de genade van het Evangelie, maar er was een deksel op, zodat de kinderen Israëls niet duidelijk de toekomende goederen konden zien, waarvan de wet een schaduw had. Het was schoonheid, die omsluierd was, goud in de mijn, een parel in de schelp, maar, Gode zij dank, door het Evangelie zijn leven en onsterflijkheid aan het licht gebracht, het deksel is weggenomen van het Oude Testament, maar het blijft nog op de harten van hen, die hun ogen sluiten voor het licht. Aldus wordt deze Schriftuurplaats verklaard door de apostel in 2 Corinthiërs 3:13-15.
Ten vierde. Dat hij, als hij inging voor het aangezicht des Heeren, om met Hem te spreken in de tent van de samenkomst, het deksel afnam, vers 34. Dan was dat deksel niet nodig, en voor God moet iedereen ongesluierd verschijnen, want alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met wie wij te doen hebben en het is dwaasheid om iets voor Hem te willen bedekken of verbergen. Als wij komen om ons voor de Heere te stellen, moet iedere sluier afgeworpen worden. Dit betekende ook, gelijk het verklaard wordt in 2 Corinthiërs 3:16, dat wanneer een ziel tot de Heere bekeerd wordt, "het deksel wordt weggenomen," opdat zij met ongedekt aangezicht Zijn heerlijkheid zal aanschouwen. En als wij voor de Heere komen in de hemel om daar voor altijd met Hem te spreken, dan zal de sluier weggenomen worden, niet slechts van de Goddelijke heerlijkheid, maar van ons hart en van onze ogen, opdat wij zien gelijk wij gezien, en kennen gelijk wij gekend zijn.