Exodus 24:9-11
Daar het volk bij hun onderwerping aan de plechtigheid van de besprenging met bloed, telkens en nogmaals hun welbehagen verklaard hadden in God en Zijn wet, geeft God hun hier in hun vertegenwoordigers enige bijzondere tekenen van Zijn gunst jegens hen want God ontmoet de vrome en die gerechtigheid doet, en laat hun toe meer in Zijn nabijheid te komen dan zij konden verwachten. Zo vinden wij in de Nieuw Testamentische kerk de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen geëerd met plaatsen rondom de troon, daar zij door God gekocht zijn met het bloed van het Lam, dat in het midden van de troon is, Openbaring 4:4-6 :8,9. merk op:
1. Zij zagen de God Israëls, vers 10 , dat is: er werd hun een blik gegeven op Zijn heerlijkheid in licht en vuur, hoewel zij geen gelijkenis zagen en Zijn wezen, welk geen mens gezien heeft, noch zien kan, 1 Timotheus 6:16. Zij zagen de plaats, waar de God Israëls stond (aldus Johannes 1:18) iets dat een gelijkenis nabij kwam, maar het toch niet was. Wat zij nu ook zagen zeker was het niet iets, waarvan een beeld of schilderij gemaakt kon worden, maar het was toch genoeg om hun de overtuiging te geven, dat God in waarheid in hun midden was.
Er wordt niets beschreven dan wat onder Zijn voeten was, want onze denkbeelden van God zijn alle beneden Hem, en zeer verre van voldoende. Zij zagen niet zoveel als Gods voeten, maar onder de glans, die zij zagen (zoals zij nooit tevoren noch daarna gezien hebben, en als de voetbank, of voetstuk ervan) een uiterst rijk en prachtig plaveisel, alsof het van saffieren of hemelsblauw vervaardigd was. De hemelen zelf zijn het plaveisel van Gods paleis, en Zijn troon is boven het uitspansel. Zie hoeveel beter wijsheid is dan de kostelijke onyx of de saffieren, want de wijsheid is van eeuwigheid Gods vermaking geweest, Spreuken 8:30, en was in Zijn schoot, maar de saffieren zijn het plaveisel onder Zijn voeten, laat ons daar al de rijkdom van deze wereld leggen, maar niet in ons hart.
2. Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen Israëls, vers 11. Hoewel zij mensen waren heeft de verblindende pracht van Zijn heerlijkheid hen niet overstelpt, zij was getemperd, Job 26:9, en zij werden zo versterkt, Daniël 10:19, dat zij in staat waren haar te verdragen. Ja, hoewel zij zondige mensen waren en blootgesteld aan Gods gerechtigheid, heeft Hij Zijn straffende, wrekende hand toch niet tot hen uitgestrekt, zoals zij gevreesd hadden. Als wij bedenken welk een verterend vuur God is, en welke stoppelen wij zijn voor Zijn aangezicht, dan zullen wij reden hebben te zeggen in als ons naderen tot Hem: Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn.
3. Zij zagen God en zij aten en dronken. Hun leven was niet alleen gespaard, maar zij hadden ook hun kracht, hun moed, hun lichamelijk welzijn behouden, hun blijdschap werd er niet door verminderd, integendeel, zij nam er door toe, zij werd er door verhoogd. Zij hielden een feestmaaltijd van het offer voor het aangezicht des HEEREN, ten teken van hun blijmoedige instemming met het Verbond, dat nu gesloten was, en hun dankbaar aannemen van de weldaden ervan, en hun gemeenschap met God als gevolg van dit Verbond. Aldus eten en drinken de gelovigen met Christus aan Zijn tafel, Lukas 22:30. Zalig zij, die brood zullen eten in het Koninkrijk van onze Vader, en er van de nieuwe wijn zullen drinken.