Exodus 31:1-11
God had geboden dat zeer veel fraai werk aan de tabernakel gedaan moest worden, het volk moest in de materialen voorzien, maar wie zal er nu de vereiste vorm aan geven? Mozes zelf was onderwezen in al de wijsheid van de Egyptenaren, ja, hij was zeer vertrouwd met de woorden van God en de gezichten van de Almachtige, maar hij kon niet graveren of borduren. Wij kunnen veronderstellen dat er onder de Israëlieten zeer vernuftige mannen gevonden werden, daar zij echter al hun dagen in de slavernij van Egypte hadden doorgebracht, kunnen wij niet denken dat iemand van hen in deze kunsten onderwezen was. Zij wisten tichelstenen te maken en met leem te werken, maar met goud werken en diamanten snijden, daar waren zij niet bij grootgebracht. Hoe zou het werk gedaan kunnen worden met de vereiste netheid en nauwkeurigheid, als zij geen goudsmeden of juweliers hadden, niet anders dan metselaars of opperlieden? Wij kunnen veronderstellen dat er velen waren, die wel graag voor dit werk gebruikt wilden worden, en hun best zouden doen, maar het zal moeilijk zijn iemand te vinden, die bekwaam is om het te besturen: "Wie was tot deze dingen bekwaam?" Maar God zorgt ook voor deze zaak.
I. Hij benoemt de personen, die gebruikt moeten worden, opdat er geen strijd of twist zou zijn over voorrang of bevordering, en geen afgunst op hen, die aangesteld werden, daar God zelf hen verkiest.
a. Bezaleël moet de architect zijn, of de werkmeester, vers 2. Hij was van de stam van Juda, een stam, in wiens eer God een welgevallen had, een kleinzoon van Hur, waarschijnlijk wel dezelfde Hur, die geholpen had om Mozes hand op te houden in de strijd tegen Amalek, Hoofdstuk 17, en nu was deze gedurende de afwezigheid van Mozes met Aaron belast met het bestuur over het volk, Hoofdstuk 24:14. Uit dit geslacht, dat in aanzien was in Israël, werd deze werkmeester gekozen, en hierdoor werd er niet weinig eer aan toegevoegd, doordat een lid er van voor de dienst van de tabernakel gebruikt werd, al was het dan ook slechts als handwerksman. Volgens de overlevering van de Joden was Hur de echtgenoot van Mirjam, en in dat geval was het nodig, dat God zelf hem voor deze dienst aanwees, opdat men Mozes niet van partijdigheid voor zijn familie zou verdenken, daar zijn broeder Aaron tot het priesterschap was bevorderd. God wil eer toevoegen aan Mozes bloedverwanten, en toch doen blijken dat deze geen eer neemt voor zichzelf of voor zijn familie, maar dat dit zuiver en alleen des Heeren doen is.
b. Na Bezaleël en als ambtgenoot met hem wordt Aholiab aangesteld, vers 6. Twee zijn beter dan een. Christus heeft Zijn discipelen, die de Evangelietabernakel moesten oprichten, twee aan twee uitgezonden, en wij lezen van Zijn twee getuigen. Aholiab was van de stam van Dan, die een van de minst aanzienlijke van de stammen was, opdat de stammen van Juda en Levi niet opgeblazen zouden worden, alsof alle bevordering hun alleen toekwam. Om scheuring te voorkomen in het lichaam "heeft God aan dat deel overvloediger eer gegeven, dat er gebrek aan heeft," 1 Corinthiërs 12:24. "Het hoofd kan tot de voeten niet zeggen: ik heb u niet van node." Hiram, die de hoofdwerkman was bij de bouw van Salomo's tempel, was ook uit de stam van Dan, 2 Kronieken 2:14.
c. Er waren ook anderen, die, onder hen, voor de verschillende werken van de tabernakel in dienst genomen werden, vers 6. Als God werk te doen heeft, zal het Hem nooit aan werktuigen ontbreken om het te doen, want alle harten, en ook alle hoofden, zijn onder Zijn oog en in Zijn hand, en diegenen kunnen zich goedsmoeds tot enigerlei dienst van God begeven en er in voortgaan, die reden hebben om te denken dat Hij hen er op de een of andere wijze toe geroepen heeft, want hen die Hij roept, zal Hij bekwaam maken en helpen.
2. Hij maakt deze personen bekwaam voor de dienst, vers 3. Ik heb hem vervuld met de Geest Gods, en, vers 6, in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven. Bekwaamheid in gewone kunsten en werkzaamheden is de gave van God, van Hem komt het vermogen en de aanwending er van. Hij is het, die "de wijsheid in het binnenste heeft gezet," Job 38:36. Hij is het, die de landman onderricht over de juiste wijze, Jesaja 28:26, en evenzo ook de koopman en de ambachtsman, en Hij moet er de lof voor ontvangen. God deelt Zijn gaven onderscheidenlijk uit, de ene aan die, een andere aan iemand anders, en allen ten goede van het hele lichaam, zowel van het mensdom als van de kerk. Mozes was van allen de bekwaamste om Israël te regeren, maar Bezaleël was bekwamer dan hij om de tabernakel te bouwen. Het algemene welzijn wordt zeer bevorderd door de verscheidenheid van de gaven van de mensen en neigingen, het genie van sommigen leidt hen er toe om nuttig te zijn op de ene wijze, en dat van anderen op een andere wijze, "doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, :1 Corinthiërs 12:11. Dit voorkomt hoogmoed, afgunst, minachting en vleselijke eerzucht, en versterkt de band van wederzijdse liefde. Hen, die door God tot enigerlei dienst worden geroepen, zal Hij òf vinden en ontdekken, òf er bekwaam toe maken. Als God de opdracht geeft zal Hij, al naar het werk is, er ook de bekwaamheid toe verlenen. Het werk, dat hier gedaan moest worden, was de tabernakel maken en de gereedschappen er van, die hier in bijzonderheden opgenoemd worden, vers 7 en verv. En daarvoor werden de personen, die er voor gebruikt werden, bekwaam gemaakt om te werken in goud, en zilver, en koper. Toen Christus Zijn apostelen uitzond om de Evangelietabernakel op te richten, heeft Hij Zijn Geest over hen uitgestort, teneinde hen bekwaam te maken om in vreemde talen te spreken en de wonderbare werken Gods te verkondigen, niet om op metaal te werken, maar op mensen. Zoveel voortreffelijker waren die gaven, als de tabernakel, die zij moesten oprichten, meerder en volmaakter was, dan die in de woestijn werd opgericht, Hebreeën 9:11.