Exodus 2:23-25
Hier is:
1. De voortduring van Israëls slavernij in Egypte, vers 23. Het vermoorden van hun kinderen heeft waarschijnlijk niet voortgeduurd, dit deel van hun verdrukking had slechts plaats in het tijdperk van Mozes' geboorte, en diende er als kenmerk van. De Egyptenaren namen nu genoegen met hun toeneming, daar zij bemerkten dat Egypte verrijkt werd door hun arbeid, en nu zij hun tot slaven waren, bekommerden zij zich niet om hun aantal. Zij waren er dus alleen op bedacht om hen allen aan de arbeid te houden, en van hun arbeid zoveel mogelijk voordeel te trekken. Als de ene Farao stierf, stond een ander op in zijn plaats, die zich door dezelfde grondbeginselen liet leiden, en even wreed was voor Israël als zijn voorgangers. Was er soms een weinig verslapping, weldra was de strengheid weer even hard als ooit tevoren, en daar Israël waarschijnlijk meer toenam naarmate het meer verdrukt werd, werd het, hoe meer het toenam, ook zoveel te meer verdrukt. Soms laat God het toe, dat de roede van de goddelozen lang en zwaar drukt op de rechtvaardigen. Indien Mozes in Midian ooit was begonnen te denken, hoeveel beter zijn toestand zou zijn, als hij onder de hovelingen was gebleven, dan heeft hij ook moeten denken, hoeveel erger hij geweest zou zijn, indien hij het lot van zijn broeders had gedeeld. Het was een grote vermindering van staat voor hem om schapen te hoeden in Midian, maar het was toch beter dan tichelstenen te maken in Egypte. Het nadenken over de beproevingen van onze broeders moet ons helpen om tevreden te zijn onder onze eigen beproeving.
2. De inleiding tot hun eindelijke verlossing.
a. Zij "zuchtten en schreeuwden", vers 23. Eindelijk begonnen zij nu eens in hun benauwdheid aan God te denken, zich van de afgoden, die zij gediend hadden, Ezechiël 20:8, af te wenden en tot Hem weer te keren. Tot nu toe hadden zij zich verbitterd tegen de werktuigen van hun benauwdheid, maar God was niet in al hun gedachten. "En die huichelachtig zijn, leggen toorn op, zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.", Job 36:13. Maar eer God hen ontbond, heeft Hij het hun in het hart gegeven om tot Hem te roepen, zoals dit verklaard wordt in Numeri 20:16. Het is een teken dat God tot ons komt met verlossing, als Hij ons hart neigt en bekwaam maakt om tot Hem te roepen.
b. God hoorde, vers 24, 25. De Naam van God is hier met nadruk geplaatst voor vier verschillende uitdrukkingen om een vriendelijk voornemen omtrent hen aan te duiden.
Ten eerste. "God hoorde hun gekerm", dat is: Hij heeft doen blijken dat Hij acht gaf op hun klagen. Het gekerm van de verdrukten roept luid in de oren van de rechtvaardige God, van Wien de wrake is, speciaal het gekerm van Gods geestelijk Israël. Hij kent de lasten, waaronder zij zuchten, en de zegeningen waarnaar zij zuchten, en dat door deze zuchtingen de gezegende Geest in hen bidt.
Ten tweede. "God gedacht aan Zijn verbond", dat Hij scheen vergeten te hebben, maar waaraan Hij steeds gedachtig is. Hierop had God het oog, en niet op enigerlei verdienste van hen, in wat Hij voor hen deed. Zie Leviticus 26:42.
Ten derde. "God zag de kinderen Israëls aan". Mozes zag hen aan, en had medelijden met hen, vers 11,, maar nu zag God hen aan, en hielp hen. Ten vierde. "God kende hen", kende hen als de Zijnen. Die veelvuldige herhaling van de Naam van God hier geeft te kennen dat wij nu iets groots hebben te verwachten "Opus Deo dignum. Een werk, Gode waardig." Zijn ogen, die de gehele aarde doorlopen zijn nu op Israël gevestigd om zich sterk te betonen, zich tot hun behoeve als God te tonen.