Exodus 28:1-4
Wij hebben hier:
Aäron en zijn zonen tot priesters benoemd, vers 1. Tot nu toe was ieder hoofd van een huisgezin de priester van zijn eigen gezin, en offerde, als hij er reden toe vond, op aarden altaren, maar nu de huisgezinnen van Israël tezamen tot een volk waren geworden en er een tabernakel der samenkomst stond opgericht te worden als een zichtbaar middelpunt van hun eenheid, was het nodig dat een openbaar priesterschap zou worden ingesteld. Mozes, die tot nu toe de dienst had verricht, en daarom onder de priesters gerekend wordt, Psalm 99:6, had genoeg te doen om, als hun profeet de orakelen voor hen te raadplegen en, als hun vorst, hen te richten. Het was ook zijn begeerte niet om al de ere-ambten voor zich te houden of het priesterambt, het enige, dat erfelijk was voor zijn eigen familie te bewaren, maar het was hem zeer aangenaam om zijn broeder Aäron met dit ambt bekleed te zien, en zijn zonen na hem, terwijl-hoe groot hij ook was-zijn eigen zonen na hem slechts Levieten zijn zouden. Het is een voorbeeld van de nederigheid van die grote man, en een bewijs hoe oprecht hij de eer en heerlijkheid Gods op het oog had, dat hij weinig acht sloeg op de bevordering of het aanzien van zijn eigen familie. Aäron, die nederig zijn jongere broeder tot profeet had gediend en dat ambt niet had afgewezen, Hoofdstuk 7:1, wordt nu bevorderd om een priester, een hogepriester voor God, te zijn, want Hij zal verhogen die zichzelf vernederen. Ook kon niemand zichzelf die eer aannemen, "maar die van God geroepen wordt", Hebreeën 5:4. God had van Israël, in bijzonder, gezegd dat zij Hem een priesterlijk koninkrijk zullen zijn, Hoofdstuk 19:6. Omdat het echter nodig was dat zij, die het altaar bedienen, zich geheel en al aan die dienst zullen wijden, en omdat wat ieders werk is, spoedig niemands werk wordt, heeft God een familie onder hen verkoren, om een familie van priesters te zijn, de vader en zijn vier zonen, en uit Aärons lenden zijn al de priesters van de Joodse kerk voortgekomen, van wie wij zo dikwijls lezen, beide in het Oude en het Nieuwe Testament. Heerlijk en gezegend is het, als wezenlijke heiligheid, zoals deze ceremoniële heiligheid, van vader op zoon, van ouders op kinderen overgaat.
De kleren van de priesters worden hier voorgeschreven tot heerlijkheid en tot sieraad, vers 2. Er moeten sommige van de kostbaarste materialen voor genomen worden, vers 5, en de beste werkmeesters moeten gebruikt worden om ze te vervaardigen, wier bekwaamheid God als een bijzondere gave voor dit doel ten zeerste zou verhogen, vers 3. Uitnemendheid, zelfs in gewone bedrijven, is een gave Gods, zij komt van Hem en, als er gelegenheid toe is, moet zij voor Hem gebruikt worden. Hij, die de landman onderricht van de wijze, en hem leert onderwijst ook de koopman en de handwerksman, en beide behoren dus God te eren met hun gave en hun gewin. De menselijke geleerdheid behoort zeer bijzonder de dienst van het priesterschap gewijd te worden en gebruikt tot sieraad van hen, die de heilige dingen bedienen.
De kleren, hier voorgeschreven, zijn:
Vier, die beide de hogepriester en de mindere priesters droegen, namelijk de linnen onderbroek, de linnen rok, de linnen gordel die er aan bevestigd was, en de muts of tulband, die van den hogepriester wordt hoed genoemd.
Vier anderen, die alleen de hogepriester moest dragen, namelijk de efod met de kunstige riem, de borstlap des gerichts, de mantel met de gouden schelletjes en de granaatappelen aan het benedeneinde, en de gouden plaat op zijn voorhoofd. Deze heerlijke kleren werden voorgeschreven: Opdat de priesters zelf aan de waardigheid van hun ambt herinnerd zullen worden, en zich met betamelijkheid zullen gedragen. Opdat het volk hierdoor een heilige, diepe eerbied zou opvatten voor die God, wiens dienstknechten in zo grote luister verschenen. Opdat de priesters typen zouden zijn van Christus die zich Gode onstraffelijk heeft opgeofferd, en van alle Christenen, die met het sieraad der heiligheid zijn aangedaan, waarmee zij God zijn toegewijd. Onder het Evangelie moet nu beide van leraren en van Christenen, het versiersel niet bestaan in goud of paarlen, of kostelijke kleding, maar in de "klederen des heirs" en de "mantel der gerechtigheid", Jesaja 61:10, Psalm 132:9,16. Zoals de vuile kleren van Jozua, de hogepriester, de ongerechtigheid betekenden, die zijn priesterschap aankleefde, en zorg werd gedragen om het ervan te reinigen, Zacheria 3:3-4, zo betekenden deze heilige kleren de volmaakte reinheid van het priesterschap van Christus, Hij is heilig, rein, en onbesmet.