Exodus 26:7-14
Aan Mozes wordt hier bevel gegeven om een dubbele bedekking voor de tabernakel te maken, opdat het er niet zal inregenen, en de schoonheid van die fraaie gordijnen niet bedorven zouden worden.
1. Er moest een bedekking wezen van geitenharen gordijnen, die van alle zijden iets ruimer waren dan de binnengordijnen, omdat zij deze moesten insluiten, en waarschijnlijk op een kleine afstand ervan geplaatst waren vers 7 en verv. Die buitengordijnen moesten met koperen haakjes aan elkaar bevestigd worden. Daar de stof minder kostbaar was, waren de haakjes ook van geen kostbaar metaal en de koperen haakjes konden hier evengoed aan het doel beantwoorden als de gouden. De band van de eenheid kan even sterk wezen tussen gordijnen van geitehaar als tussen gordijnen van purper en scharlaken.
2. Daar moest nog een andere bedekking voor wezen, en wel een dubbele, vers 14, een van roodgeverfde ramsvellen, waarschijnlijk bereid met de wol er nog op, nog een van dassenvellen, zoals onze vertaling van het woord is, maar het schijnt eerder een soort van sterk leer geweest te zijn (zeer fijn echter) want wij lezen, dat daar de beste schoenen van gemaakt werden, Ezechiël 16:10. Merk hier nu op:
Dat het buitenste van de tabernakel ruw en grof was, de schoonheid ervan was in de binnengordijnen. Zij, in wie God woont, moeten er naar streven om beter te zijn dan zij schijnen te wezen. Geveinsden keren de beste zijde naar buiten, zoals witgepleisterde graven, maar "des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig", Psalm 45:14, in het oog van de wereld is zij zwart, zoals de tenten van Kedar, maar in Gods oog is zij mooi, zoals de gordijnen Salomo's, Hooglied 1:5. "Laat ons versiersel zijn dat van de verborgen mens des harten", het onverderflijk versiersel, namelijk van een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God, 1 Petrus 3:4. Dat, waar God Zijn heerlijkheid plaatst, Hij er een beschutting voor maakt, op de woningen van de rechtvaardigen zal een beschutting wezen, Jesaja 4:5,6. De bescherming van Gods voorzienigheid zal altijd op de heerlijkheid van het Heiligdom wezen. Gods tent is ons een verberging ten dage van het kwaad. Psalm 27:5.