Exodus 1:15-22
De toorn van de Egyptenaren tegen Israël nam nog toe niettegenstaande al de verdrukking waarmee zij hen kwelden, en nu kwamen zij eindelijk tot de meest barbaarse en onmenselijke methode om het volk tenonder te brengen door hun kinderen te vermoorden. Het was vreemd dat zij niet liever twist zochten met de volwassen mannen, tegen wie zij misschien wel gelegenheid zouden kunnen vinden. Zo bloeddorstig te werk te gaan, tegen kleine kinderen, die iedereen erkennen zal onschuldig te zijn, was een zonde, waarvoor zij geen verontschuldiging of voorwendsel hadden. Er is in het verdorven hart van de mensen meer wreedheid, dan men zou denken Romeinen 3:15, 16. De vijandschap, die in het zaad van de slang is tegen het zaad van de vrouw, ontbloot de mens van alle menselijkheid, dooft alle medelijden of barmhartigheid in hem uit. Men zou het niet mogelijk achten, dat mensen ooit zo barbaars en bloeddorstig kunnen zijn, als de vervolgers van Gods volk geweest zijn, Openbaring 17:9. Zelfs blijkbare onschuld is geen beschutting tegen de oude vijandschap, welk bloed is zo schuldeloos als het bloed van een pasgeboren kind? Toch wordt dit vergoten, overvloedig uitgestort als water, opgezogen met genot, alsof het melk of honing was. Farao en Herodes hebben zich volkomen als agenten betoond van die grote rode draak, die stond voor de vrouw, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben, Openbaring 12:3, 4. Pilatus heeft Christus overgeleverd om gekruisigd te worden, nadat hij erkend had geen schuld in Hem te hebben gevonden. Het is gelukkig voor ons, dat de mens wel het lichaam kan doden, maar dat dit ook alles is wat hij doen kan.
Twee bloeddorstige wetten worden hier getekend ter verdelging van alle kinderen van het mannelijk geslacht, die aan de Hebreeën geboren zouden worden.
1. Aan de vroedvrouwen wordt bevel gegeven hen te doden.
Merk op:
1. De orders, die haar gegeven werden, vers 15, 16. Het vermeerderde de barbaarsheid van de beoogde terdoodbrenging, dat de vroedvrouwen aangesteld werden om haar te volvoeren, want hierdoor wilden zij haar niet alleen wreed, maar vals en verraderlijk maken, haar noodzaken misbruik te maken van het vertrouwen, dat in haar gesteld werd, hen te verderven, die zij moesten helpen en redden. Kon hij zich voorstellen, dat haar sekse zo'n wreedheid zou toestaan, haar ambt zich tot zo'n laaghartig verraad zou lenen? Zij, die zelf wreed zijn, denken anderen even wreed te zullen vinden of te kunnen maken, als zij zelf zijn. Farao's bedoeling was, dat de vroedvrouwen de kinderen zouden smoren zodra zij geboren waren, om dan de oorzaak van hun dood toe te schrijven aan de moeilijke verlossing, of aan het een of ander ongelukkig toeval, dat in zulke omstandigheden dikwijls voorkomt, Job 3:11. De twee vroedvrouwen die hij hiertoe zocht te bewegen, worden hier genoemd, en misschien waren deze twee in die tijd, meer dan tachtig jaren vóór Israëls uittocht uit Egypte, voldoende om al de Hebreeuwse vrouwen te helpen, of tenminste zoveel van haar, als dicht bij het hof woonden, zoals met velen het geval was, wat duidelijk blijkt uit Hoofdstuk 2:5, 6, en tegen deze koesterde hij de meeste achterdocht. Zij worden de vroedvrouwen van de Hebreïnnen genoemd, waarschijnlijk, niet omdat zij zelf Hebreïnnen waren (Farao kon zeker niet verwachten, dat deze zo barbaars zouden zijn voor haar eigen volk) maar omdat de Hebreïnnen gewoonlijk van haar diensten gebruik maakten, en Egyptische vrouwen waren, hoopte hij, dat zij naar zijn wil zouden doen. 2. Haar Godvruchtige ongehoorzaamheid aan dit goddeloos bevel, vers 17. Zij vreesden God, namen Zijn wet waar, en vreesden Zijn toorn meer dan die van Farao, en daarom behielden zij de kinderen in het leven. Indien de geboden van mensen op enigerlei wijze in strijd zijn met de geboden Gods, dan moeten wij God, en niet de mensen gehoorzamen Handelingen 4:19, 5:29. Geen macht op aarde kan ons machtigen, en nog veel minder verplichten of noodzaken, tegen God, onze Opperheer, te zondigen. Als de vreze Gods in het hart heerst, daar zal zij het bewaren voor de strik, die de buitensporige vrees voor mensen met zich brengt.
3. Hoe zij zich rechtvaardigden vanwege deze ongehoorzaamheid, toen men er haar van beschuldigde als van een misdaad, vers 18. Zij gaven er als reden voor op, waarvan God in Zijn genadige voorzienigheid haar voorzien scheen te hebben, namelijk dat zij te laat kwamen om het te kunnen doen, want over het algemeen waren de kinderen al geboren, als zij kwamen, vers 19. Ik zie geen reden om aan de waarheid hiervan te twijfelen, het is duidelijk dat de Hebreeën toen onder een buitengewone zegen van toeneming waren, die men wel kan veronderstellen deze uitwerking te hebben, dat de vrouwen voorspoedig en snel haar kinderen ter wereld brachten, en dat moeders en kinderen erg gezond en krachtig waren, zodat zij zelden de hulp van de vroedvrouwen nodig hadden. Dat werd door deze vroedvrouwen opgemerkt, en zij zagen er de vinger van God in, en hierdoor verkregen zij vrijmoedigheid om de koning ongehoorzaam te zijn ten gunste van hen, die aldus door de hemel begunstigd werden, en zij rechtvaardigden zich er mee tegenover Farao toen hij haar ter verantwoording riep Sommige van de oude Joodse schrijvers verklaren het aldus: Eer de vroedvrouw tot ze komt, bidden zij haar Vader in de hemel, en Hij verhoort ze, en zij baren. God komt Zijn volk in benauwdheid eerder te hulp dan alle andere helpers, en Hij komt hen dikwijls voor met zegeningen van het goede. Zulke verlossingen legden hen onder erg bijzondere verplichtingen.
4. Het loon, dat God haar schonk voor haar barmhartigheid aan Zijn volk, Hij deed haar goed, vers 20. God zal geen vriendelijkheid onbeloond laten, die aan Zijn volk wordt bewezen, daar Hij ze beschouwt als bewezen aan Hemzelf. Hij heeft in het bijzonder haar huizen gebouwd, vers 21, ze opgebouwd tot gezinnen, haar kinderen gezegend, en haar voorspoedig gemaakt in alles wat zij deden. De diensten, aan Gods volk bewezen, worden dikwijls beloond met weldaden, die met deze diensten van gelijke aard zijn. De vroedvrouwen hielden de huisgezinnen van de Israëlieten in stand en als beloning hiervoor bouwde God haar huizen. De beloning staat in verband met het beginsel waarnaar zij handelden, omdat zij God vreesden, bouwde Hij haar huizen. Godsvrucht en vroomheid zijn erg bevorderlijk aan uitwendige voorspoed, de vreze Gods in een huis zal helpen om het op te bouwen en te bevestigen. Dr. Lightfoot's denkbeeld hierover is, dat zij om haar Godsvrucht gehuwd waren aan Israëlieten en dat alzo door haar Hebreeuwse huisgezinnen opgebouwd werden.
II. Toen dit plan mislukte, gaf Farao openbare orders aan geheel zijn volk om al de kinderen van de Hebreeën, die van het mannelijk geslacht waren, te verdrinken, vers 22. Wij kunnen begrijpen dat allen met zware straffen bedreigd werden, die kennis droegen van de geboorte van een zoon aan een Israëliet en er geen mededeling van deden aan hen, die aangesteld waren om hem in de rivier te werpen. De vijanden van de kerk zijn rusteloos geweest in hun pogingen om de heiligen van de Allerhoogste te verstoren, Daniël 7:25, maar Die in de hemel woont zal lachen, de Heere zal hen bespotten, Psalm 2:4.