Handelingen 5:26-42
Er wordt ons niet gezegd wat de apostelen voor het volk gepredikt hebben, ongetwijfeld was het overeenkomstig de aanwijzíng des engels: de woorden des levens, maar wèl wordt ons bericht wat er tussen hen en den raad voorviel, want in hun lijden werd de Goddelijke kracht en macht nog meer openbaar dan in hun prediking. Nu hebben wij hier:
1. Hoe zij ten tweeden male gevat worden. Nu kunnen wij denken: "indien dit Gods bedoeling was, waarom zijn zij dan eerst uit den kerker bevrijd?" Maar dit was alzo beschikt om den hoogmoed der vervolgers te vernederen, en hun woede te beteugelen, en nu wilde God tonen, dat zij uit den kerker ontslagen werden, niet omdat zij gerechtelijk verhoor vreesden, want zij waren bereid zich over te geven en voor hun grootste vijanden te verschijnen.
1. Zij brachten hen, doch niet met geweld, met alle mogelijke onderscheiding en zachtheid. Zij rukten hen niet af van het spreekgestoelte, zij bonden hen niet, noch sleepten hen voort, maar richten zich tot hen met beleefdheid, en men zou denken, dat zij daar ook alle reden toe hadden, uit eerbied voor den tempel, de heilige plaats, en uit eerbied voor de apostelen, vrezende, dat zij hen anders neer zouden vellen, zoals zij Ananias neergeveld hadden, of vuur van den hemel op hen zouden doen neerkomen, zoals Elia gedaan had. Maar al wat hen weerhield van geweld te gebruiken was slechts hun vrees voor het volk, die scharen, die zulk een eerbied hadden voor de apostelen, dat zij de beambten gestenigd zouden hebben, indien zij hen op enigerlei wijze mishandeld of beledigd hadden.
2. Maar toch brachten zij ze tot hen, die zij wisten heftig tegen hen te zijn, en vast besloten waren maatregelen van geweld tegen hen te nemen, vers 27. Zij brachten hen, en stelden hen voor den raad, als kwaaddoeners. Aldus zijn de machten, de overheden, die ene vreze hadden moeten wezen den kwaden werken en den kwaden, dit den goeden geworden.
II. Hun verhoor. Voor die verheven vergadering gebracht zijnde, zei hun de hogepriester, als de mond, de woordvoerder, van het hof, wat het was, dat hun ten laste werd gelegd, vers 28.
1. Dat zij de bevelen van het gezag niet hadden gehoorzaamd, en dat zij zich niet wilden onderwerpen aan het gebod, of het verbod, dat hun was opgelegd, vers 28. "Hebben wij u niet krachtens het gezag, waarmee wij bekleed zijn, ernstelijk aangezegd, u bevolen, op straffe van ons hoogste ongenoegen, dat gij in dezen naam niet zoudt leren? Maar gij zijt ongehoorzaam geweest aan onze bevelen, en gij zijt gaan prediken, niet slechts zonder ons verlof, maar tegen ons uitdrukkelijk bevel". Aldus zijn zij, die Gods geboden krachteloos maken, gewoonlijk zeer streng en strikt in hun eis van gehoorzaamheid aan hun eigene geboden, en blijven zij staan op hun eigene macht en gezag: hebben wij u niet aangezegd? Ja, dat hebben zij, maar heeft toen Petrus hun niet aangezegd, dat Gods gezag hoger was dan het hun, en dat Zijne geboden den voorrang hebben boven de hunnen? En dit hadden zij vergeten.
2. Dat zij ene valse leer hadden verspreid onder het volk, of ten minste ene zeer vreemde leer, die door de Joodse kerk niet was toegelaten, en ook niet overeenkwam met hetgeen van Mozes' stoel den volke verkondigd werd. "Gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en daardoor den openbaren vrede verstoord, en de mensen van de gevestigde kerk afgetrokken". Sommigen houden dit voor een trots, minachtend woord: "Met deze uwe zotte, onzinnige leer, die niet waard is dat er notitie van genomen wordt, hebt gij zoveel gerucht gemaakt, dat zelfs Jeruzalem, de grote en heilige stad, er gans van vervuld is, zodat de gehele stad er van spreekt". Zij zijn er toornig om, dat mensen, op wie zij met minachting neerzien, zich zulk een aanzien hebben verworven.
3. Dat zij boosaardige plannen koesterden tegen de regering, het er op aanlegden om het volk er tegen op te ruien, door haar voor te stellen als goddeloos en tiranniek, en zich met recht bij God en mensen hatelijk te hebben gemaakt. "Gij wilt het bloed van dezen mens over ons brengen, de schuld er van voor God, en de schande er van voor de mensen, op ons doen neerkomen". Aldus beschuldigen zij hen niet slechts van weerspannigheid en minachting van het hof, maar ook van muiterij en samenspanning, van een complot te hebben beraamd, om zowel het volk tegen hen op te zetten, omdat zij, niet slechts zulk een onschuldig, maar zulk een goed en groot man als deze Jezus was, ten dode toe hebben vervolgd, als ook de Romeinen, wijl zij hen in de zaak betrokken hadden. Zie hier, hoe zij, die met grote laatdunkendheid ene boze daad willen volbrengen, het later toch niet kunnen verdragen om er van te horen, of dat het hun ten laste gelegd wordt. Toen zij in de hitte hunner vervolging waren, konden zij stoutmoedig genoeg roepen: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, wij willen er tot in eeuwigheid de schuld van dragen". Maar nu zij tijd hebben voor koeler nadenken, vatten zij het op als ene grote belediging, dat Zijn dood hun te wijten is. Aldus worden zij door hun eigen geweten schuldig verklaard en veroordeeld, en vrezen zij, dat de schuld op hen zal blijven rusten, die zij niet gevreesd hebben aan te gaan.
III. Hun antwoord op de beschuldiging tegen hen ingebracht. Petrus en de andere apostelen spraken allen in gelijken zin, hetzij afzonderlijk ondervraagd zijnde, of wel te zamen antwoordende, zij spraken naar dat een en dezelfde Geest hun gaf te spreken, vertrouwende op de belofte, die hun Meester hun gegeven had, dat, als zij voor raadsvergaderingen gebracht zullen worden, hun in die ure gegeven zal worden wat zij zullen spreken en ook moed om het te spreken.
1. Zij rechtvaardigden zich in hun ongehoorzaamheid aan de bevelen van het grote sanhedrin, hoe groot het ook was, vers 29.
Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen. Zij pleiten niet op hun macht om wonderen te doen (dit was een voldoend getuigenis voor hen, en daarom willen zij in hun' ootmoed er niet zelf gewag van maken), maar zij beroepen zich op een algemeen erkend grondbeginsel, waarmee zelfs het natuurlijk geweten instemt, en dat op hun zaak zo zeer van toepassing is. God had hun bevolen te leren in den naam van Christus, en dus behoren zij het te doen, al werd het hun ook door de overpriesters verboden. Die heersers stellen zich tegen God, en zullen dit zwaar te verantwoorden hebben, die mensen straffen wegens hun ongehoorzaamheid aan hen, in hetgeen hun plicht is jegens God.
2. Zij rechtvaardigden zich in hun doen wat zij konden om Jeruzalem te vervullen met de leer van Christus, hoewel zij door Hem te verheerlijken in hun prediking, hen bestraften die Hem boosaardig hebben vernederd, en indien zij hiermede Zijn bloed over hen brengen, dan hebben zij dit zich zelven te wijten. Het wordt hun als misdaad aangerekend, dat zij Christus en Zijn Evangelie prediken "Wij zullen u zeggen", antwoordden zij, "wie deze Christus is, en wat Zijn Evangelie is, oordeelt dan zelven, of wij het niet moeten prediken, ja meer, wij zullen deze gelegenheid te baat nemen, om, hetzij gij het wilt horen, of het zult laten, het u te prediken. A. Den overpriesters wordt in hun aangezicht gezegd, dat zij dezen Jezus hebben mishandeld, dat zij Hem versmaadheden hebben aangedaan: "Gij hebt Hem omgebracht, hangende Hem aan het hout, gij kunt het niet loochenen". In plaats van verontschuldigingen te maken, of hun om vergeving te vragen, omdat zij het bloed dezes mans over hen hadden gebracht, herhalen zij de beschuldiging en houden haar staande: "Gij waart het, die Hem hebt omgebracht, het was uw doen". Dat de mensen niet gaarne hun gebreken horen, is gene goede reden, om ze hun niet getrouwelijk te zeggen. Het is ene gewone verontschuldiging voor het niet bestraffen der zonde, dat men het in onzen tijd niet wil dragen. Maar zij, wier ambt het is te bestraffen, moeten zich hierdoor niet laten afschrikken, men moet het ook in onzen tijd dragen, en zal het dragen, Roep uit de keel en houd niet in, roep luide en vrees niet.
B. Hun wordt ook gezegd, welke ere God dezen Jezus heeft aangedaan, en laten zij dan oordelen wie gelijk had, de vervolgers van Zijne leer, of de predikers er van. Hij noemt God den God onzer vaderen, niet alleen onzer maar ook uwer vaderen, om te tonen, dat zij door Christus te prediken, geen nieuwen God prediken, noch het volk verleiden, om andere goden te aanbidden. En evenmin richtten zij een godsdienst op, in tegenstelling, of tegenspraak met dien van Mozes en de profeten, neen, zij blijven den God aanhangen van de Joodse vaderen, en de naam van Christus, dien zij prediken, beantwoordt aan de beloften, gedaan aan de vaderen, en aan het verbond, dat God met hen gemaakt heeft, en aan de typen en afschaduwingen van de wet, die Hij hun gegeven heeft. De God van Abraham, Izaak en Jakob is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Ziet, welke ere God Hem heeft aangedaan. Hij heeft Hem opgewekt. Hij heeft Hem bekwaam gemaakt voor, en geroepen tot, Zijne grote onderneming. Dit schijnt te verwijzen naar de belofte, die God door Mozes gedaan heeft, Een profeet zal u de Heere, uw God verwekken. God heeft Hem uit geringheid opgewekt, en Hem groot gemaakt. Of het kan ook bedoeld zijn van Zijne opwekking uit het graf. "Gij hebt Hem ter dood gebracht, maar God heeft Hem in het leven teruggeroepen, zodat God en gijlieden blijkbaar in strijd zijn omtrent dezen Jezus, en aan wiens zijde moeten wij ons nu scharen?" Hij heeft Hem door Zijne rechterhand verhoogd, hupsoose -heeft Hem opgeheven. "Gij hebt Hem overladen met versmaadheid, maar God heeft Hem gekroond met ere, en behoren wij Hem niet te eren, dien God eert? God heeft Hem verhoogd, tei dexiai autou - door Zijne rechterhand, dat is: door Zijne kracht. Christus wordt gezegd te leven door de kracht Gods. Of, aan Zijne rechterhand, om daar neer te zitten, daar te rusten, daar te regeren. "Hij heeft Hem bekleed met de hoogste waardigheid, Hem het hoogste gezag toevertrouwd, en daarom moeten wij leren in Zijn naam, want God heeft Hem een naam gegeven boven allen naam. "Hij heeft Hem gesteld om een Vorst en Zaligmaker te zijn, en daarom behoren wij te prediken in Zijn naam en de wetten van Zijn rijk af te kondigen, daar Hij een Vorst is, en de aanbiedingen Zijner genade, daar Hij een Zaligmaker is". Merk op: wij kunnen Christus niet hebben voor onzen Zaligmaker, tenzij wij bereid zijn Hem aan te nemen als onzen Vorst. Wij kunnen niet verwachten door Hem verlost en genezen te worden, tenzij wij er in toestemmen, om door Hem te worden geregeerd. De richteren van ouds waren redders, behouders. Christus regeert om te behouden, en het geloof neemt den gehelen Christus aan, die gekomen is, niet om ons zalig te maken in onze zonden, maar om ons zalig te maken van onze zonden. Hij is gesteld als een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden. Daarom moeten zij in Zijn naam prediken voor het volk van Israël, want Zijne gunsten waren in de eerste en voornaamste plaats voor hen bestemd, en niemand, die zijn volk en vaderland waarlijk lief heeft, kan daar tegen zijn. Waarom zouden de oversten en ouderlingen van Israël iemand tegenstaan, die met geen minderen zegen kwam voor Israël dan bekering en vergeving van zonden? Indien Hij verhoogd was, om aan Israël verlossing te geven van het Romeinse juk, en heerschappij over de omliggende volken, dan zouden de overpriesters Hem van harte welkom hebben geheten. Maar bekering en vergeving van zonden zijn zegeningen, die zij niet waarderen, waaraan zij gene behoefte gevoelen, en daarom kunnen zij die leer geenszins toelaten. Merk hier op: Ten eerste. Bekering en vergeving gaan samen, waar bekering gewerkt is, daar wordt vergeving geschonken, en de gunst wordt verleend aan allen, die er toe bekwaam gemaakt zijn. En van den anderen kant, gene vergeving zonder bekering, niemand wordt van schuld en straf ontheven dan zij, die verlost zijn van de macht en de heerschappij der zonde, die er van bekeerd, en er tegen gekeerd zijn. Ten tweede. Al wat in het Evangelie-verbond geëist wordt, is beloofd. Wordt ons voorgeschreven ons te bekeren? Christus is gesteld om bekering te geven, door Zijn Geest, werkende met het woord, om het geweten te doen ontwaken, om berouw te wekken over de zonde, en ene afdoende verandering van hart en leven. Het nieuwe hart is Zijn werk, en de verbroken geest een offer, dat Hij gegeven heeft. En als Hij bekering heeft gegeven, en Hij zou dan niet ook vergeving schenken, dan zou Hij het werk Zijner handen laten varen. Zie, hoe noodzakelijk het is, dat wij ons bekeren, en dat wij ons door het geloof, tot Christus wenden om Zijne genade, om bekering in ons te werken. Dit alles is behoorlijk gestaafd: Ten eerste. Door de apostelen zelven, zij zijn bereid, om, zo het nodig is, onder ede te getuigen, dat zij Hem na Zijne opstanding levend gezien hebben, Hem op zagen varen naar den hemel, alsmede, dat zij de kracht Zijner genade hebben ervaren in hun eigen hart, hen opheffende tot hetgeen ver boven hun natuurlijke bekwaamheid was.
"Wij zijn Zijne getuigen, door Hem aangesteld, om dit te verkondigen aan de wereld, en indien wij zwegen, zoals gij van ons eist, dan zouden wij ontrouw zijn aan onze roeping." Als ene zaak in rechterlijk onderzoek is, dan behoort aan gene getuigen het zwijgen te worden opgelegd, want de uitslag der zaak hangt af van hun getuigenis. Ten tweede. Door den Geest Gods: "Wij zijn getuigen, bevoegde getuigen, wier getuigenis voor elke menselijke rechtspleging voldoende wordt geacht." Maar dit is niet alles: de Heilige Geest is Getuige: een Getuige van den hemel, want God heeft Zijne gaven en genade gegeven aan hen, die Christus gehoorzamen. Daarom moeten wij prediken in Zijn naam, want te dien einde is de Heilige Geest ons gegeven, wiens werkingen gij niet kunt onderdrukken. Het geven van den Heiligen Geest aan gehoorzame gelovigen, niet slechts om hen tot de gehoorzaamheid des geloofs te brengen, maar om hen hierin bij uitnemendheid nuttig te doen zijn, is een krachtig bewijs van de waarheid van het Christendom. God heeft den Heiligen Geest gegeven door Zijn Zoon en in Zijn naam, Johannes 14:26, en als verhoring van Zijn gebed, Johannes 14:16, ja, het was Christus, die Hem zond van den Vader, Johannes 15:26, 16:7, en dit bewijst de heerlijkheid, waartoe de Vader Hem heeft verhoogd. Het grote werk des Geestes was niet slechts Christus te rechtvaardigen maar Hem te verheerlijken, en al Zijne gaven de onmiddellijke strekking hebbende om Zijn' naam te verhogen, bewijzen, dat Zijne leer Goddelijk is, want anders zou zij niet aldus door Goddelijke kracht worden voortgeplant.
Eindelijk. Het geven van den Heiligen Geest aan hen, die Christus gehoorzamen, beide om hun ter hulpe te zijn in hun gehoorzaamheid, en als ene dadelijke beloning voor hun gehoorzaamheid, is een duidelijk bewijs, dat het de wil van God is, dat Christus gehoorzaamd zal worden, "oordeelt dan, of wij ulieden, in tegenstand met Hem, behoren te gehoorzamen".
IV. De indruk, door de verdediging van de apostelen, teweeggebracht op het hof. Het was een tegenovergestelde indruk van dien, dien men verwacht zou hebben in mensen, die aanspraak maakten op verstand, geleerdheid en heiligheid. Voorzeker kon zulk een helder, logisch betoog gene andere uitwerking hebben dan de gevangenen te zuiveren en de rechters te bekeren. Maar neen, in plaats van er door overtuigd en gewonnen te worden, worden zij er in woede om ontstoken, en zijn vervuld van:
1. Toorn om hetgeen de apostelen hadden gezegd: hun hart werd als van een gereten zij zijn toornig, omdat zij zich hun eigene zonde ordelijk voor ogen zagen gesteld, als volslagen waanzinnig van woede door te bevinden, dat er zo veel voor het Evangelie van Christus te zeggen was, en dat het bijgevolg wel veld moest winnen. Toen voor het volk ene rede van dezelfde strekking gehouden was, werden zij verslagen in het hart van berouw en droefheid naar God, Hoofdstuk 2:37. Dezen hier berstte het hart van toorn en woede. Aldus is het Evangelie voor sommigen ene reuke des levens ten leven, voor anderen ene reuke des doods ten dode. De vijanden van het Evangelie beroven zich niet slechts van deszelfs liefelijkheid en vertroosting, maar vervullen zich van verschrikking en zijn hun eigene pijnigers.
2. Met kwaadwilligheid tegen de apostelen. Daar zij bevinden, dat zij hun niet anders den mond kunnen stoppen, dan door hun het leven te benemen, hielden zij raad om hen te doden, hopende, dat zij op die wijze het werk kunnen doen ophouden. Terwijl de apostelen voortgingen in hun dienen van Christus, met ene heilige gerustheid en kalmte van gemoed en innerlijken vrede, gingen hun vervolgers voort met hun tegenstaan van Christus, in voortdurenden angst en beroering des geestes, in onrust en kwelling van zich zelven.
V. Het ernstig advies, dat Gamaliël, een der voornaamste leiders in hun raad, bij deze gelegenheid heeft uitgebracht, waarvan de strekking was de woede van deze blinde ijveraars te matigen en het heftige der vervolging tegen te gaan. Van dezen Gamaliël wordt hier gezegd, dat hij van belijdenis een Farizeeër was, en het ambt had van een leraar der wet, iemand, die de Schriften des Ouden Testaments bestudeerde, lezingen hield over de gewijde schrijvers, en jonge lieden opleidde in de kennis er van. Paulus was opgevoed aan zijne voeten, Hoofdstuk 22:3, en, volgens de overlevering, ook Stefanus en Barnabas. Sommigen zeggen, dat hij de zoon was van dien Simeon, die Christus in zijne armen had genomen, toen Hij in den tempel werd voorgesteld, en kleinzoon van den beroemden Hillel. Hier wordt van hem gezegd, dat hij in waarde was gehouden bij al het volk, om zijne wijsheid en levenswandel, en uit dit verhaal blijkt, dat hij een gematigd man was, niet geneigd om met maatregelen van woede en geweld in te stemmen. Mannen van een kalmen, barmhartigen gemoedsaard worden te recht in waarde gehouden, daar zij de geweldenaars in toom houden, die anders de wereld in rep en roer zouden brengen. Merk hier nu op:
1. De noodzakelijke vermaning tot voorzichtigheid, die hij tot den raad richt met betrekking tot deze zaak. Hij gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buitenstaan, opdat hij vrijer zou kunnen spreken, en men hem vrijer zou kunnen antwoorden, (het was gepast, dat de gevangenen naar buiten werden gezonden, terwijl er over hun zaak beraadslaagd werd) en toen wees hij de vergadering op het gewicht van deze zaak, dat zij in hun ijver en hartstochtelijkheid niet in staat waren genoegzaam in het oog te houden. Gij Israëlitische mannen, zei hij, ziet voor u, bedenkt wat gij doet, of voornemens zijt te doen aangaande deze mensen, vers 35. Het is gene gewone zaak, en daarom moet er geen haastig besluit worden genomen. Hij noemt hen Israëlitische mannen, om aan zijne waarschuwing kracht bij te zetten. "Gij zijt mannen, die u door verstand moet laten regeren, weest dus niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, gij zijt Israëlitische mannen, die u moet laten regeren door openbaring, weest dus niet als vreemdelingen en Heidenen, die geen acht slaan op God en Zijn woord.
Ziet voor u, nu gij in toorn zijt ontstoken tegen deze mensen, opdat gij u niet in het kwade mengt en valt. De vervolgers van Gods volk zouden wèl doen met toe te zien, opdat zij niet vallen in den kuil, dien zij graven. Wij moeten voorzichtig zijn en toezien, wie wij bemoeilijken, opdat wij niet bevonden worden het hart der rechtvaardigen bedroefd te maken.
2. De gevallen, die hij aanhaalt om zijne mening ingang te doen vinden. Hij geeft twee voorbeelden van muitzieke mannen (waarvoor zij de apostelen willen gehouden hebben) wier pogingen op niets uitliepen, waaruit hij de gevolgtrekking afleidt, dat, indien deze mannen werkelijk zijn, zoals zij hen voorstellen, hun zaak wel van zelf te gronde zal gaan, daar de Voorzienigheid hen zou verdwazen en vernietigen, en dan behoefden zij hen niet te vervolgen.
A. Er was een zekere Theudas, die voor ene wijle groten opgang maakte, als iemand, die van God was gezonden, zeggende, dat hij wat was -iets groots -(zoals de letterlijke betekenis is van het woord) hetzij een leraar of een vorst met ene Goddelijke opdracht om ene grote omwenteling teweeg te brengen in de kerk of den staat, en hem aangaande merkt hij hier op, vers 36 :Ten eerste. In hoever hij slaagde, "een getal van omtrent vier honderd mannen hing hem aan, heeft zich met hem verenigd, mannen, die niets beters wisten te doen, of hoopten er hun omstandigheden door te zullen verbeteren, en die schenen toen een geduchte macht te zijn". Ten tweede. Hoe spoedig zijne verwachtingen bedrogen uitkwamen, toen hij is omgebracht (waarschijnlijk in den krijg.) "Er behoefde toen niets meer tegen hem of zijne zaak gedaan te worden, allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid, versmolten als sneeuw voor de zon. Vergelijkt nu dat geval met dit, hetwelk u thans bezig houdt. Gij hebt Jezus, den aanvoerder van deze partij, omgebracht. Indien hij nu was wat gij van hem zegt, een bedrieger, dan zal zijn dood, evenals die van Theudas, de dood wezen van zijne zaak, en de eindelijke verstrooiing zijner aanhangers ten gevolge hebben". Uit hetgeen geweest is, kunnen wij afleiden, wat, in een gelijk geval, wezen zal, het slaan van den herder zal de verstrooiing zijn der schapen, en, indien de God des vredes dien groten Herder der schapen niet had weder gebracht uit de doden, zou bij Zijn dood de verstrooiing volkomen en voor altijd hebben plaats gehad.
B. Dat was evenzo het geval met Judas, den Galileër, vers 37. Let op diens aanslag. Hij wordt gezegd te hebben plaats gehad, na hem, of daarna. Sommigen lezen de woorden: behalve dat, of, laat mij hierna melding maken van-in de veronderstelling, dat de opstand van Judas lang voor dien van Theudas heeft plaats gehad, want het was in de dagen der beschrijving, de beschrijving namelijk bij de geboorte onzes Zaligmakers, Lukas 2:1, terwijl die van Theudas, waarvan Josephus spreekt, plaats had in den tijd van Cuspius Fadus, maar deze was in de dagen van Claudius Caesar, enige jaren nadat Gamaliël dit zei, en kon dus niet dezelfde wezen. Het is niet gemakkelijk om zeer nauwkeurig aan te duiden wanneer die gebeurtenissen plaats hadden, of bepaald te zeggen, dat deze belasting uitschrijving dezelde is, als die bij de geboorte onzes Heilands, of van een lateren datum was. Sommigen denken, dat deze Judas de Galileër dezelfde is als Judas Gaulonites, van wie Josephus gewag maakt, maar anderen zijn niet van die mening. Waarschijnlijk waren het voorvallen, die kort geleden hadden plaats gehad, en nog vers in het geheugen waren. Deze Judas maakte veel volks afvallig achter zich, mensen, die geloof sloegen aan hetgeen hij voorgaf. Maar.. zijn aanslag mislukte, en dat wel zonder enigerlei tussenkomst of bemoeiing van het grote sanhedrin, of van enigerlei decreet, dat zij tegen hem uitvaardigden. Het was niet nodig, want ook deze is vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, of door hem overreed waren geworden, zijn verstrooid geworden. Velen hebben dwaselijk hun leven als weggeworpen, en anderen in dezelfden strik doen vallen, uit ijver voor hun vrijheden in de dagen der beschrijving, terwijl zij beter gedaan hadden met te berusten, nu Gods voorzienigheid het over hen had beschikt om den koning van Babylon te dienen.
3. Zijn gevoelen omtrent deze zaak.
A. Dat zij de apostelen niet moesten vervolgen, vers 38. En nu zeg ik ulieden, ta nun -voor het ogenblik, zo als de zaak nu staat, is mijn raad: "houdt af van deze mensen, straft hen niet wegens hetgeen zij gedaan hebben, noch legt enigerlei bedwang op hen voor het vervolg. Laat hen geworden, laat onze hand niet aan hen zijn". Het is niet zeker, of hij dit sprak uit staatkunde, uit vrees van of het volk, of de Romeinen te beledigen, en alzo nog meer kwaad aan te richten. De apostelen ondernamen niets door uitwendig geweld. De wapenen van hun krijg waren niet vleselijk, waarom zou er dan uitwendig geweld tegen hen gebruikt worden? Of dat hij wellicht voor het ogenblik overtuigd was van de waarheid der Christelijke leer, er ten minste de waarschijnlijkheid van aannam, en dacht, dat zij ene betere behandeling verdiende, ten minste wel een eerlijk, onpartijdig onderzoek waardig was. Of dat het slechts de taal was van een kalm, zachtaardig man, die tegen vervolging om des gewetens wil was. Of wel, dat God hem deze woorden in den mond legde, zonder zijne bedoeling, ter bevrijding der apostelen. Wèl zijn wij er zeker van, dat Gods voorzienigheid het aldus beschikte, opdat Christus' dienstknechten met ere uit deze beproeving te voorschijn zouden komen.
B. Dat zij deze zaak aan Gods voorzienigheid behoorden over te laten. "Wacht af, wat hiervan komen zal. Indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het van zelf gebroken worden, maar indien het uit God is, dan zal het bestaan niettegenstaande al uwe macht en al uw politiek beleid". Hetgeen blijkbaar goddeloos en onredelijk is, moet onderdrukt worden, want anders zou de overheid te vergeefs het zwaard dragen, maar datgene, waarin een schijn van goed is, maar dat toch twijfelachtig is, of het uit God is of uit de mensen, moet men liefst begaan laten, er moet gene uitwendige macht gebruikt worden om dat te onderdrukken. Christus heerst door de kracht der waarheid, niet van het zwaard. Hetgeen Christus vroeg betreffende den doop van Johannes: of hij uit den hemel was, of uit de mensen? was ene gepaste vraag omtrent de leer en den doop van de apostelen, die op Christus volgden, zoals die van Johannes den Doper Hem voorafgingen. Nu hebben zij van den eersten- van den doop van Johannes-erkend, dat zij niet wisten of hij uit den hemel was of uit de mensen, en daarom behoorden zij niet zo zeker te zijn omtrent den laatsten. Maar beschouwt het in welk licht gij wilt, er is ene reden om hen niet te vervolgen. Indien deze raad, of dit werk, dit formeren van een gezelschap, ene vereniging in den naam van Jezus, uit de mensen is, zo zal het gebroken worden. Indien het de raad en het werk is van dwaze, of waanzinnige mensen, die niet weten wat zij doen, laat hen voor ene wijle begaan, en zij zullen zich buiten adem lopen, hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, en zo zullen zij zich belachelijk maken. Indien het de raad en het werk is van listige mensen, die onder den dekmantel van den Godsdienst wereldse belangen willen dienen en bevorderen, laat hen voor een wijle begaan, zij zullen het masker wel afwerpen, en hun oneerlijke bedoelingen en handelingen zullen allen openbaar worden, en zij zullen zich gehaat maken. De voorzienigheid zal het niet onder- steunen of bevorderen. In weinig tijds zal het gebroken worden, en zo is dan uw vervolgen en tegenstaan gans onnodig, gij behoeft u niet zo veel moeite te geven, zo veel blaam en haat op u te laden, om datgene te doden, dat, zo gij het slechts een weinig tijds laat, wel van zelf sterven zal. Een onnodig gebruik van macht is misbruik van macht. Maar-"Indien het zou blijken, (en mensen, even wijs en verstandig als gij, hebben zich wel eens aan dwaling schuldig gemaakt) dat deze raad en dit werk uit God is, dat deze predikers hun orders en instructies van Hem hebben, dat zij even waarlijk Zijne boden zijn aan de wereld, als de Oud-Testamentische profeten dit geweest zijn, wat denkt gij dan van uw vervolgen van hen, van dezen uwen aanslag, vers 33, om hen te doden? Gij moet tot de gevolgtrekking komen: Ten eerste. Dat uw aanslag tegen hen vruchteloos is: Indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken, want daar is gene wijsheid, en daar is geen verstand, en daar is geen raad tegen den Heere, die in den hemel woont zal u bespotten." Het kan allen, die in oprechtheid aan Gods zijde zijn, die een eenvoudig oog hebben op Zijn wil als hun regel, en op Zijne heerlijkheid als hun doel, tot troost wezen, dat alles wat uit God is, niet geheel, en niet voor altijd, verbroken kan worden, al wordt het ook zeer krachtig tegen gestaan, het kan worden aangelopen, maar het kan niet worden omver gelopen: Ten tweede. Dat de aanslag gevaarlijk is voor u zelven. Laat er toch van af, opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden, en ik behoef u niet te zeggen, dat gij in dien strijd het onderspit moet delven". Wee dien, die met zijn Formeerder twist, want hij zal niet slechts als een machteloze vijand ten onder worden gebracht, maar zeer streng zal er met hem afgerekend worden als een rebel tegen zijn rechtmatigen vorst. Zij, die Gods getrouwe volk haten en mishandelen, die Zijne getrouwe dienstknechten onder bedwang houden en tot zwijgen brengen, strijden tegen God, want Hij acht, dat hetgeen hun aangedaan wordt, Hem aangedaan is. Die hen aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Dit nu was het advies van Gamaliël. Wij wensten wel, dat er behoorlijk acht op werd geslagen door hen, die vervolgziek zijn, want het was ene goede gedachte, en ene zeer natuurlijke gedachte, hoewel wij in onzekerheid zijn omtrent hetgeen de man was. Volgens de overlevering der Joodse schrijvers zou hij met dat al als een beslist vijand van Christus en Zijn Evangelie geleefd hebben en gestorven zijn, en hoewel hij (toen ten minste) tegen de vervolging van Christus' volgelingen geweest is, zou hij toch de man zijn geweest, die het gebed heeft opgesteld om de uitroeiing van de Christenen en het Christendom, nog heden bij de Joden in gebruik. Volgens de overlevering der pausgezinden daarentegen, is hij Christen geworden, en een uitnemend beschermer van het Christendom, en een volgeling van Paulus, die voormaals aan zijne voeten was opgevoed. Indien dit zo ware, dan zouden wij waarschijnlijk wel als zodanig melding van hem gemaakt vinden in de Handelingen, of de Brieven. VI De beslissing van den raad in deze zaak, vers 40.
1. Zij hebben in zo verre met Gamaliël ingestemd, dat zij afzagen van hun plan om de apostelen ter dood te brengen. Zij vonden zeer veel verstandigs in hetgeen Gamaliël had gezegd, en, voor het ogenblik, werd hun woede er door in toom gehouden, en werd het overblijfsel hunner grimmigheid opgebonden.
2. Zij konden er zich echter niet van onthouden, om tegen de overtuiging van hun verstand en geweten in, lucht te geven aan hun toorn, want, hoewel hun de raad gegeven was de apostelen met rust te laten, hebben zij hen toch gegeseld, hun den rug ontbloot en geslagen, zoals zij dat in hun synagogen gewoon waren te doen, en er wordt nota genomen van den smaad hiervan, vers 41. Aldus dachten zij hen door schaamte van het prediken te doen aflaten, en het volk door schaamte terug te houden van hen te horen, zoals Pilatus onzen Heiland gegeseld heeft om Hem smadelijk ten toon te stellen, hoewel hij verklaarde gene schuld in Hem te vinden. Voorts geboden zij hun, dat zij niet zouden spreken in den naam van Jezus, opdat, als zij geen ander bezwaar hadden tegen hun prediking, zij er toch dit verwijt tegen konden richten, dat het tegen de wet was, en niet slechts zonder de vergunning, maar tegen de stellige orders van hun meerderen. VII. De verwonderlijke moed en standvastigheid der apostelen onder al dezen smaad en mishandeling. Toen men hen ontsloeg, gingen zij heen van het aangezicht des raads, en wij bevinden niet, dat zij een enkel woord van berisping tot het hof hebben gericht wegens de onrechtvaardige behandeling, die hun was aangedaan. Toen zij gescholden werden, hebben zij niet weder gescholden, en toen zij leden, hebben zij niet gedreigd, maar het overgegeven aan Hem, tot wie Gamaliël de zaak had verwezen, namelijk aan God, die rechtvaardiglijk oordeelt. Wat zij te doen hadden was hun zielen te bezitten in hun lijdzaamheid, en te maken, dat men van hun dienst ten volle verzekerd zou zijn, in weerwil van den tegenstand, dien zij ondervonden, en die beide zaken hebben zij op bewonderenswaardige wijze gedaan.
1. Hun lijden hebben zij met ene onverwinlijke blijmoedigheid gedragen, vers 41. Toen zij heengingen, met de tekenen der striemen, wellicht, op hun armen en handen, uitgefloten misschien door de dienaren en het grauw, terwijl ene openbare bekendmaking plaats had van de smadelijke straf, die zij hadden ondergaan, hebben zij, in plaats van zich Christus te schamen, of zich hun betrekking tot Hem te schamen, zich verblijd, dat zij waren waardig geacht geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden. Zij waren mensen, mensen, die in achting stonden, die nooit iets gedaan hadden, om zich te schande te maken, en daarom kon het niet anders of zij moesten de schande gevoelen, die hun was aangedaan, en het schijnt wel, dat die hun smartelijker viel dan de pijn, zoals dit gewoonlijk het geval is bij mensen van een edel gemoed. Maar zij bedachten, dat het om den naam van Christus was, dat zij aldus smadelijk behandeld werden, omdat zij Hem toebehoorden en Zijne belangen dienden, en dat hun lijden dienstbaar gemaakt zou worden aan de verhoging van Zijn naam, en daarom achtten zij het ene ere, beschouwden zij het als zijnde waardig geacht smaadheid te lijden, katêxioothêsan atimasthênai -dat zij geëerd waren, door om Christus wil onteerd te zijn. Smaadheid te lijden voor Christus is ware bevordering, daar het ons gelijkvormig maakt aan Zijn voorbeeld en dienstbaar aan Zijne belangen. Zij verheugden er zich in, gedenkende wat hun Meester tot hen gezegd had, reeds bij het begin van hun roeping, Mattheus 5:11, 12, Zalig zijt gij, als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u. Zij verblijdden zich niet alleen ofschoon zij smaadheid hadden geleden (hun lijden heeft hun blijdschap niet verminderd,) maar dat zij smaadheid hadden geleden, hun lijden vermeerderde hun blijdschap. Indien wij kwaad lijden voor weldoen, dan behoren wij- mits wij dat lijden dragen, zoals wij het moeten dragen- ons te verblijden in de genade, die er ons toe bekwaam maakt.
2. Met onvermoeide naarstigheid hebben zij hun werk voortgezet, vers 42. Zij werden gestraft voor hun prediken, en er werd hun geboden niet meer te prediken, en toch: zij hielden niet op te leren en te verkondigen, zij verzuimden gene gelegenheid en hebben i n geen enkel opzicht hun ijver of voortvarendheid verminderd. Merk op:
A. Wanneer zij predikten-dagelijks, niet slechts op sabbatdagen, of op den Dag des Heeren, maar elke dag, zonder dit op een enkelen dag na te laten, evenals hun Meester dit ook gedaan heeft, Lukas 19:47, Mattheus 26:55, zonder bevreesd te zijn, dat zij zodoende zich door overmatigen arbeid zouden doden, of wel, dat hun hoorders oververzadigd zouden worden.
B. Waar zij predikten-openlijk in den tempel, en meer afzonderlijk bij de huizen, in gemengde vergaderingen, waar allen heengingen, en in uitgelezene gezelschappen van Christenen voor de bijzondere inzettingen der Godsverering. Zij dachten niet, dat het prediken in de ene vergadering hen zou verontschuldigen van het prediken in de andere bijeenkomst, want het woord moet gepredikt worden, tijdiglijk en ontijdiglijk. Hoewel zij in den tempel onder het oog hunner vijanden meer aan gevaar waren blootgesteld, hebben zij zich toch niet in het bidvertrek hunner eigene woning opgesloten, maar waagden zij zich op de plaats des gevaars, en hoewel zij toegang hadden tot den tempel, een gewijde plaats, hebben zij toch geen bezwaar gemaakt om in huizen te prediken, in ieder huis ook in de armste hut. Zij deden huisbezoek bij hen, die aan hun zorgen waren toevertrouwd, gaven hun, naar zij het nodig hadden, afzonderlijk onderricht, ook aan de kinderen en de dienstboden.
C. Wat het onderwerp was van hun prediking: zij verkondigden Jezus Christus. Zij predikten over Hem, maar dat was niet alles: zij predikten Hem, verhoogden Hem, prezen Hem aan, stelden Hem voor aan hun hoorders, om hun Vorst en Zaligmaker te zijn. Zij predikten niet zich zelven, maar Christus, als getrouwe vrienden van den Bruidegom, er zich op toeleggende om Zijne belangen te bevorderen. Dat was de prediking, die de meeste ergernis gaf aan de priesters, zij waren bereid hun toe te staan alles te prediken, zo het slechts niet Christus was, maar zij wilden, om hen te behagen, niet van onderwerp veranderen. Evangeliedienaars behoren er voortdurend werk van te maken om Christus te prediken: Christus, en dien gekruisigd, Christus, en dien verheerlijkt, buiten dit, niets dan wat hiertoe terug te brengen is.