Exodus 19:16-25
Eindelijk is dan nu de gedenkwaardige dag aangebroken, de verschrikkelijke dag van de Heer de dag van het oordeel, waarin Israël de stem van God hoorde, sprekende uit het midden van het vuur, en levend gebleven is, Deuteronomium 4:33. Nooit tevoren of daarna is zo'n prediking gehoord, als die welke nu gehouden werd voor de kerk in de woestijn. Want:
I. De prediker was God zelf, vers 18, de Heer kwam neer in vuur, en vers 20, de Heer was neergekomen op de berg Sinaï: De Shechina, of heerlijkheid van de Heer verscheen voor de ogen van al het volk, "Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden van de heiligen," Deuteronomium 33:2, dat is: vergezeld, zoals de goddelijke majesteit altijd vergezeld is, door een menigte van heilige engelen, die aan de plechtigheid luister en heerlijkheid moesten bijzetten, en tevens er dienst bij deden. Vandaar dat de wet gezegd wordt "door de bestellingen van de engelen ontvangen te zijn," Handelingen 7:53.
II. De kansel (of liever de troon) was de berg Sinaï, omgeven door een zware wolk, vers 16, en bedekt met rook, vers 18, en zeer bevende. Nu was het, dat de aarde beefde voor het aangezicht van de Heer en de bergen sprongen als rammen, Psalm 114:4, 7, dat "zelfs Sinaï, de ruwe en rotsachtige, wankelde voor het aangezicht van de Heer, de God van Israëls," Richteren 5:5. Nu was het dat "de bergen Hem zagen en beefden," Habakuk 3:10 en getuigen waren tegen een volk, onbewogen en hard van hart, waarop door niets invloed geoefend kon worden.
III. De vergadering werd samengeroepen door het geluid van een zeer sterke bazuin, vers 16, en die al luider en luider werd, vers 19. Dit geschiedde door de dienst van de engelen, en wij lezen van engelen, die bazuinden, Openbaring 8:6. Het was het geluid van de bazuin, dat al het volk verschrikte, als degenen, die hun schuld kenden en reden hadden te verwachten, dat het geluid van deze bazuin voor hen als een krijgsgeschrei zou zijn.
IV. Mozes bracht de hoorders naar de plaats van bijeenkomst, vers 17. Hij, die hen uitgeleid had uit het diensthuis van Egypte, leidde hen nu om de wet uit Gods mond te horen. Openbare personen zijn openbare zegeningen als zij zich beijveren om de openbare eredienst, dat is de openbare aanbidding van God, te bevorderen. Mozes aan het hoofd van een God aanbiddende vergadering is even waarlijk groot, als Mozes aan het hoofd van een leger te velde.
V. De inleidingen tot de dienst waren donderen en bliksemen, vers 16. Deze waren bestemd om het volk te vervullen met ontzag en hun aandacht op te wekken. Sliepen zij? De donderen zullen hen wekken. Zagen zij heen naar een andere kant? De bliksemen zullen hen aansporen om hun aangezicht te wenden tot Hem, die tot hen sprak. Donderen en bliksemen hebben natuurlijke oorzaken, maar de Schrift leidt er ons op bijzondere wijze toe om er de macht van God en Zijn verschrikking in op te merken. Donder is de stem van God, en bliksem is het vuur van God, beide geschikt om de zintuigen van het gezicht en het gehoor geheel in te nemen, de zintuigen, door welke wij zoveel van onze kennis opdoen.
Vl. Mozes is Gods dienstknecht, tot wie gesproken wordt, aan hem wordt bevolen om stilte te gebieden en de vergadering in orde te houden, vers 19. Toen het geluid van de bazuin gaande was en zeer sterk werd, sprak Mozes. Sommigen denken dat het nu was, dat hij zei: "Ik ben erg bevreesd en bevende," Hebreeën 12:21, maar God bracht zijn vrees tot bedaren door hem de onderscheidende gunst te betonen van hem tot op de top van de berg te roepen, vers 20, waarmee Hij ook zijn geloof en zijn moed op de proef stelde. Niet zodra was Mozes een eindweegs naar de top van de berg geklommen, of hij werd weer naar beneden gezonden, om het volk te weerhouden van door te breken tot de Heer om te zien, vers 21. Zelfs de priesters, of vorsten, de hoofden van de huizen van hun vaderen, die de dienst waarnamen voor hun verschillende families, en daarom op andere tijden gezegd worden tot de Heere te naderen, moeten nu op een afstand blijven en zich met zeer grote voorzichtigheid gedragen. Mozes voert aan dat hun geen verdere orders behoeven gegeven te worden, daar afdoende maatregelen genomen waren om enigerlei indringing te voorkomen, vers 23. Maar God, die hun eigenzinnigheid en vermetelheid kende, en wist wat er nu in het hart van sommigen was, haast hem naar beneden met de last, dat noch de priesters noch het volk het moeten beproeven om door de linies heen te breken en op te klimmen tot de Heer, alleen aan Mozes en Aäron, de mannen, tot wier eer God een welbehagen had, werd dit vergund.
Merk op:
1. Wat het was, dat God hun verbood door te breken om te staren. Er was genoeg gedaan om hun geweten te doen ontwaken, maar het werd hun niet toegelaten om hun ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij mochten zien, maar niet staren, niet turen. Sommigen van hen hebben waarschijnlijk begeerd enigerlei gelijkenis te zien, ten einde te weten hoe een beeld van God te maken, en Hij droeg zorg om dit te voorkomen, want zij hebben geen gelijkenis gezien, Deuteronomium 4:15. In de dingen van God moeten wij niet begeren meer te weten dan God wil, dat wij zullen weten, en Hij heeft ons vergund zoveel te weten als goed voor ons is. Een begeerte naar verboden kennis was het verderf voor onze eerste ouders. Zij die wijs willen zijn boven hetgeen geschreven is en zich willen indringen in de dingen, die zij niet gezien hebben, hebben de vermaning nodig om niet door te breken en te zien.
2. Onder welke strafbedreiging het hun verboden was: dat de Heer tegen hen uitbreke, vers 22-24, en velen van hen vallen. De beperkingen en waarschuwingen van de goddelijke wet bedoelen allen ons welzijn, ons behoeden voor het gevaar, waarin wij ons anders door onze eigen dwaasheid storten zouden. Het is op ons gevaar, als wij heenbreken door de perken die God ons gesteld heeft, ons indringen in hetgeen ons niet vergund is, de lieden van Beth-Semes en Uzza hebben hun vermetelheid duur betaald. En zelfs als wij geroepen worden om tot God te naderen, moeten wij gedenken, dat Hij in de hemel is en wij op de aarde zijn, en dat het ons daarom betaamt eerbied en godvruchtige vrees te betonen.