6. En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, die de oordelen van Gods toorn in volgorde moesten vermelden (
Vers 2), bereidden zich om te bazuinen, zij namen de bazuinen op, zodat zij ieder ogenblik daarvan gebruik zouden kunnen maken. Zoals op het tweede vers van het voorgaande zesde Hoofdstuk is aangetekend, dat enige uitleggers de gerichten van de zes eerste zegels duidelijk op de staatkundige veranderingen en zwarigheden, die de wereld en inzonderheid het Roomse rijk vanwege de verdrukking van de Kerk van Christus tot de tijden van Constantijn toe, zijn overkomen, zo zijn er ook enigen, die deze bazuinen van de volgende veranderingen en zwarigheden verstaan, die het Roomse rijk door verscheidene barbaarse natiën uit alle gewesten van de wereld, tot verscheidene reizen en in verscheidene tijden heeft uitgestaan. Daardoor is dat rijk in het Westen geheel onder de voet geraakt en onder vele koninkrijken en prinsdommen verdeeld, die daarna door de geestelijke heerschappijen van de bisschop van Rome op een andere wijze aan de andere enigszins zijn gehecht. Een voelen dat met de wijze van spreken, die hier gebruikt wordt en met de vergelijkingen van dergelijke uit het Oude Testament ook gestijfd schijnt te worden (
Jesaja 28:2;
10:30 Maar aangezien van te voren gezegd is, dat Christus hier niet als heerser van wereldse koninkrijken, maar als een geestelijk Regeerder van Zijn gemeente alom is ingevoerd en dat toch de voorbidding en voorspraak van Christus alhier, door Zijn uittekeningen in het voorgaande hoofdstuk en in het volgende in
Vers 4, de ware gelovigen van deze volgende oordelen en zwarigheden vrij worden gehouden, zoals Christus ook voor Petrus bidt (
Lukas 22:32) en alle gelovigen verzekert, dat zij door de valse profeten niet verleid zullen worden (
Mattheus 24:24), omdat zij van de lichamelijke zwarigheden niet vrij zijn, zo is het gevoeglijker, dat dit door de geestelijke staat van de Kerk verstaan wordt en door de wereldlijke staat alleen, voorzover hij de geestelijke staat raakt.
Nu volgen de engelen, na elkaar bazuinend, na het half uur stilzwijgen beginnend, ten tijde van Constantijn de Grote; de bazuinen worden met nadruk onderscheiden in de vier eerste, die de trappen aantonen, waarbij de anti-Christ op de troon is geklommen, de tijd begrijpend van het half uur stilzwijgen af tot over het jaar zes honderd zes, wanneer de Roomse Bisschop voor algemeen bisschop door de keizer Phocas is uitgeroepen en in de drie laatste de allergrootste verdrukking van de Kerk aanwijzend. De vijfde bazuin vertoont de Mohammedanen of Turken, met hun leer en zwaard de Kerk in Azië verwoestende. De zevende bazuin vertoont de anti-christ, de Kerk vervolgend, uit Babel uitgaande en zich van de anti-christ afscheidend, te vuur en te zwaard en zich dronken drinkende met het bloed van de heiligen.
Op dezelfde wijze worden de bazuinen verklaard door Bullingerus, Durham enz. De laatste merkt er bij aan, dat de geestelijke oordelen van dwalingen, scheuringen, verdeeldheden in de zichtbare Kerk vaak volgen op bedestonden of een biddende gestalte van Gods volk, omdat, terwijl de godzaligen ernstig zijn in het gebed, de huichelaars zich geveinsdelijk aanstellen. Al de heiligen waren biddend geweest; nochtans volgt dit oordeel onmiddellijk er op. De ondervinding heeft de waarheid duidelijk bevestigd. Dit vloeit voort uit de boosheid van de duivel, die, hoe ernstiger en aanhoudender het volk van de Heere met God werkzaam is, des te meer woeden en razen zal. Maar tevens is het een rechtvaardig oordeel van God tot straf van de goddelozen en van de geveinsde belijders, die zich in bedestonden bij de godzaligen voegen, maar de liefde van de waarheid niet aannemen (2 Thessalonicenzen 2:10), noch praktijk en wandel ernaar richten. Vitringa daarentegen verklaart het van de oordelen van God, die over het Romeinse rijk zijn gekomen en waarvan hij zegt: "Dit nu is geschied ten tijde van Alexander, Mammeus zoon, of van de Gordianen en inzonderheid over die tijd, toen Decius, niettegenstaande hij een wakker man was en in staat om het rijk te besturen en Gallus, die hem kort daarna opgevolgd is, het bewind van zaken hebben gehad, terwijl het Romeinse rijk door de laatste inlandse oorlogen reeds verzwakt was. Toen is het de goddelijke toorn en Zijn wraak beginnen te voelen, die van de hemel zeer zwaar werd uitgestort. De heidenen zelf hebben toen openlijk beleden en erkend, dat de afgoden op het rijk vertoornd waren. De historie nu toont aan, dat juist over die tijd, terwijl het rijk van alle kanten, aan deze zijde door de Perzen, aan gene zijde door de Gothen, gedrukt werd en doorgaans grote neerlagen kreeg, dat toen een pestilentie onder de mensen gewoed heeft, als nooit meer is gezien, met onvruchtbaarheid en daarmee gepaard gaande buitengewone hongersnood, die het grootste gedeelte van de mensen verteerd heeft. Die pest, met de onheilen, die haar vergezelden, heeft meteen het rijk aangetast en op een onmenselijke wijze verwoest in het begin van de regering van Gallienus.
In deze bazuin wordt het Arianisme als leervervalsing geschilderd, die dan uit Constantinopel tot de Duitsers aan de Beneden-Donau wordt overgebracht en hun op de weg van de volksverhuizing meegegeven werd, zoals de vijfde bazuin aantoont. De hagel is het zinnebeeld van een vernietigend gericht, niet tot verbetering maar tot volle vernietiging uitgezonden, zoals hij ook in de natuur naast zijn schadelijke, geen heilzame werking uitoefent, zoals bliksem en donder doen. Ik breng de hagel dus thuis op de vernietiging van het Heidens-Romeinse rijk door de volken, die het Arianisme huldigen. Met de hagel gaat ook vuur samen; beiden zijn met bloed gemengd. Het is dus hagelslag, bliksemvuur en bloedregen. Het vuur is een zinnebeeld van een, inzonderheid voor de geest, verterend gericht, hoewel ook een zinnebeeld van licht en helderheid is. Het bloed is een tegenbeeld van water en het water is een zinnebeeld van de zuivere leer. Waar bronnen vloeien, daar vindt men grazige weiden, krachtig opgaand geboomte, geurig kruid, liefelijke bloemen, uitlokkende vruchten. Waar geen fontein is, of slechts ongezond water, daar is een lege woestijn, een kale bodem een dorre wildernis, zonder plantengroei, bloesem of vrucht, een toneel van treurigheid en dood. Wat een overvloed van rein bronwater voor de aarde is, dat is het zuivere woord van God voor de ziel; wat bedorven water of wel gebrek aan water in de natuur is, dat is voor de geest de gedeeltelijke of hele vervalsing van Gods woord, in de beeldspraak door het "bloed" aangeduid. De geheel vervalste leer, of het bloed is hier het Arianisme, dat de Godheid van Christus loochent, waarmee het Christendom staat of valt. De aarde is hier het beeld van het Romeinse wereldrijk, wel verontrust, maar toch ook tegenover de hooggaande golven van de volksverhuizing vergelijkenderwijs rustig. De hagel en het vuur, beide met bloed gemengd, werden op het Romeinse rijk geworpen, toen de volksverhuizing zich derwaarts wendde. De bomen zijn zinnebeelden van de koningen onder de natiën van de volksverhuizing; het groene gras betekent de toenmaals pas in de wereldgeschiedenis en het Christendom optredende Duitse volken. De aarde verbrandde, in zo verre het Arianisme in het Romeinse rijk, bijzonder in het Oost-Romeinse, vaak met geweld van wapens werd gehandhaafd en veel onheil aanrichtte.
"Gemengd met bloed" dat duidt aan, dat de verpletterende hagel en het verterend vuur de oorlog betekenen, zoals deze landen verwoest in mensen doodt. De engel blaast de bazuin met over één enkele strijd, maar over alle oorlogsverwoestingen, die in de loop van de tijd gedurig bij vernieuwing losbarsten over de wereld, die in het boze ligt. Zo heeft het de Heere vanaf het begin bestuurd. De eerste heerschappij, die zich op aarde tegen het rijk en volk van God durfde verzetten ter verdelging, was die van Egypte onder Farao. Zoals onder de plagen van dat land de zevende daarin bestond, dat de Heere donder en hagel gaf en het (bliksem-)vuur neerschoot op de aarde, zodat de hagel al het kruid van het veld neersloeg en al het geboomte verbrak, zo was deze zevende plaag de afbeelding van de hier bedoelde soort van plagen door alle tijden heen. De oorlog is aan hagel gelijk in het verpletteren en aan vuur in het verzengen.