Exodus 19:1-8
Hier is:
I. De dagtekening van de grote oorkonde van overeenkomst, waardoor Israël tot een volk, een maatschappij, verenigd werd.
1. De tijd van die dagtekening, vers 1, in de derde maand na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypte. Men heeft uitgerekend dat de wet gegeven is juist vijftig dagen na hun uittocht uit Egypte, ter herinnering waarvan het pinksterfeest op de vijftigste dag na het pesach gevierd werd, en dienovereenkomstig werd op de dag van het pinksterfeest, vijftig dagen na de dood van Christus, de Geest uitgestort over de apostelen. In Egypte hadden zij gesproken van een reis van drie dagen in de woestijn naar de plaats waar zij moesten offeren, Hoofdstuk 5:3, maar het bleek een reis te zijn van bijna twee maanden, zo dikwijls hebben wij het mis in onze berekening van tijd, en blijkt het dat het doen van de dingen langer duurt dan wij gedacht hebben.
2. De plaats van de dagtekening: van de berg Sinaï, een plaats door de natuur, niet door de kunst, opmerkelijk gemaakt, want het was de hoogste top van die hele bergketen. Aldus legt God minachting op steden en paleizen en prachtige gebouwen, daar Hij Zijn tent opricht op de top van een hoge berg, in een dorre woestijn, om daar Zijn verbond tot stand te brengen. De berg wordt Sinaï genoemd naar de menigte van doornstruiken, waarmee hij bedekt wast
II. De overeenkomst zelf. Mozes werd op de berg geroepen, (op de top had God Zijn tent opgeslagen, en aan de voet had Israël die van hen opgericht) en werd gebruikt als de middelaar, of eigenlijk slechts als de boodschapper van het verbond, vers 3. Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen Israëls verkondigen. De geleerde bisschop Patrick merkt hier op, dat het volk beide met de naam Jakob en Israël genoemd wordt, om hen er aan te herinneren dat zij, die nog kort geleden even arm en gering waren als Jakob toen hij naar Paddan-Aram ging, nu even groot waren geworden als God hem gemaakt had toen hij van daar terugkwam, rechtvaardig verrijkt met de roof van hem, die hem had verdrukt) en Israël genoemd werd. Merk nu op:
1. Dat de maker en eerste voorsteller van het verbond God zelf is. Niets werd door dit domme, onnadenkende volk zelf gezegd of gedaan om tot dit verbond te komen, er was geen smeekbede opgezonden tot God om Zijn gunst, maar dit zalig verbond dit charter werd verleend "ex mero motu-zuiver en alleen uit welbehagen van God." In al onze handelingen met God komt vrije genade ons voor met zegeningen van het goede, en al onze vertroosting, ons genot, komt voort, niet uit ons kennen van God maar wel hieruit, dat wij van Hem gekend zijn. Galaten 4:9. "Wij hebben Hem lief", bezoeken Hem en maken een verbond met Hem, "omdat Hij ons eerst liefgehad heeft," ons heeft bezocht en een verbond met ons gemaakt heeft. God is de Alfa, en daarom moet Hij ook de Omega zijn.
2. Dat de voorwaarden van het verbond niet slechts rechtvaardig zijn, en hun geen hardheid opleggen, maar ook vriendelijk en genadig, en waardoor hun de grootste voorrechten en voordelen geschonken worden.
A. Hij herinnert hen aan alles wat Hij voor hen gedaan heeft, vers 4. Hij heeft hun recht gehandhaafd, hen gewroken op hun vervolgers en verdrukkers: "Gijlieden hebt gezien wat Ik de Egyptenaren gedaan heb, hoeveel levens opgeofferd werden aan de eer en het belang van Israël", Hij had hun weergaloze voorbeelden gegeven van Zijn gunst jegens hen en Zijn zorg voor hen: Ik heb u op vleugels van arenden gedragen, een verheven uitdrukking van de wonderbare tederheid, die God hun betoond had, zij wordt verklaard in Deuteronomium 32:11, 12. Zij duidt grote snelheid aan, God kwam niet slechts snel om hen te verlossen (toen de bestemde tijd gekomen was, voer Hij op een cherub en vloog) maar Hij spoedde hen naar buiten als het ware op vleugelen, Hij deed het ook met grote gemakkelijkheid, met de kracht zowel als met de snelheid van de arend. Van hen, die niet moe of mat worden, wordt gezegd dat zij "opvaren met vleugelen zoals de arenden," Jesaja 40:31. Inzonderheid wordt er Gods bijzondere zorg voor en liefde tot hen mee aangeduid. Zelfs Egypte, die ijzeren oven, was het nest waarin deze jongen uitgebroed werden, waar zij het eerst geformeerd werden als het embryo van een natie. Toen zij door de toeneming van hun getal tot enige rijpheid gekomen waren, werden zij van uit dat nest weggedragen. Andere vogels dragen hun jongen in de klauwen, maar de arend (zegt men) op zijn vleugels, zodat zelfs de schutters, die ze vliegende schieten, de jongen niet kunnen treffen, of zij moeten eerst de ouden schieten. Zo heeft in de Rode Zee de wolk- en vuurkolom, het teken van Gods tegenwoordigheid, zich tussen de Israëlieten en hun vervolgens gesteld, (verdedigingslinies, die niet geforceerd konden worden, een muur, waar niemand door heen kon), en toch was dit nog niet alles: hun weg, aldus geplaveid, aldus bewaakt, was heerlijk, maar hun einddoel was nog heerlijker: Ik heb u tot Mij gebracht. Zij werden niet alleen in een toestand gebracht van vrijheid en eer, maar in verbond en gemeenschap met God. Dit, dit was de heerlijkheid van hun verlossing, gelijk die van de onze door Christus: dat Hij stierf, Hij "de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, ten einde ons tot God te brengen." In al de genaderijke handelwijzen van God in Zijn voorzienigheid en genade is het Zijn doel ons tot Hem terug te brengen, tegen wie wij hebben gerebelleerd, en ons thuis te brengen tot zich, in wie alleen wij gelukkig kunnen zijn. Hij beroept zich op hen, op hun eigen waarneming en ervaring, voor de waarheid, waarop hier met zoveel nadruk wordt gewezen: Gijlieden hebt gezien, wat Ik gedaan heb, zodat zij niet ongelovig konden zijn, zo zij tenminste ook hun eigen ogen niet geloven. Zij zagen dat alles wat gedaan werd, zuiver en alleen het doen van de Heer was. Zij waren het niet, die tot God kwamen, het was God, die hen tot zich bracht. Sommigen hebben zeer juist opgemerkt, dat de Oud Testamentische kerk gezegd wordt gedragen te zijn op vleugels van arenden, waardoor de kracht wordt aangeduid van de bedeling, die ten uitvoer werd gebracht met "een hoge hand en een uitgestrekte arm, " maar die van het Nieuwe Testament wordt gezegd vergaderd te zijn door de Heer Jezus, "zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugelen." Mattheus 23:37, aanduidende de genade en ontferming van die bedeling en de bewonderenswaardige, nederbuigende goedheid en vernedering van de Verlosser.
B. Hij zegt hun klaar en duidelijk wat Hij van hen eist en verwacht, en dat is in een woord: gehoorzaamheid, vers 5. Dat zij naarstig zijn stem zullen gehoorzamen en Zijn verbond houden. Aldus door Hem verlost zijnde eiste Hij dat zij zich door Hem zullen laten regeren. Lang daarna werd op het redelijke van die eis bij hen gepleit, dat ten dage dat Hij hen uitvoerde uit Egypteland, dit de voorwaarde was van het verbond: "Hoort naar Mijn stem," Jeremia 7:23, en er wordt van Hem gezegd, dat Hij hun dit ernstig betuigd heeft, Jeremia 11:4, 7. Alleen hoort, dat is: gehoorzaamt Mijn stem in waarheid, niet in belijdenis en belofte alleen, niet in voorgeven, maar in waarheid en oprechtheid. God heeft hun wezenlijke gunsten bewezen, en daarom eist Hij wezenlijke gehoorzaamheid.
C. Hij geeft hun de verzekering van de eer, die Hij hun zou schenken, en de goedertierenheid, die Hij hun zou bewijzen, indien zij aldus Zijn verbond zullen houden, vers 5, 6. Zo zult gij Mijn eigendom zijn. Hij noemt generlei bijzondere gunst, zoals bijvoorbeeld hun het land Kanaän te geven, of iets dergelijks, maar Hij drukt het uit in hetgeen, waarin alle andere geluk en zaligheid ligt opgesloten, namelijk dat Hij hun God zal zijn in verbond met hen, en dat zij Hem een volk zullen wezen.
a. God handhaaft hier Zijn soevereiniteit over, en Zijn recht van eigendom in geheel de zichtbare schepping: De hele aarde is van Mij. Daarom had Hij hen niet nodig, Hij, die zo ruim een gebied had, was groot genoeg en gelukkig genoeg zonder zich om zo klein een domein als Israël was te behoeven te bekommeren. Alle natiën van de aarde Zijn eigendom zijnde, kon Hij kiezen welke onder haar Hem behaagde om Zijn bijzonder volk te wezen en als soeverein met haar te handelen.
b. Hij neemt Israël tot Zijn eigendom.
Ten eerste. Als een volk, dat Hem dierbaar is. Gij zult Mijn bijzondere schat zijn, niet dat God door hen verrijkt was, zoals een man verrijkt is door zijn schat: maar het behaagde Hem hen te waarderen, op prijs te stellen, zoals een man zijn schat waardeert, zij waren "kostelijk in Zijn ogen en verheerlijkt," Jesaja 43:4 "de Heer heeft lust aan hen gehad" Deuteronomium 7:1. Hij nam hen onder Zijn bijzondere zorg en bescherming, als een schat die men zorgvuldig bewaart, achter slot en grendel houdt. In vergelijking met hen was de rest van de wereld Hem als onbeduidend, nutteloos goed. Door hun een goddelijke openbaring te geven, inzettingen en rechten en beloften, die ook het eeuwige leven omvatten, door profeten onder hen te zenden en Zijn Geest over hen uit te storten, onderscheidde Hij hen van, en verwaardigde Hij hen boven, alle andere volken. En deze eer hebben al de heiligen, zij zijn Hem een eigen volk, Titus 2:14, de Zijnen, Zijn bijzonder "eigendom ten dage, als Hij Zijn allerdierbaarste juwelen afzonderen zal," Maleachi 2:17.
Ten tweede. Als een volk, dat Hem gewijd is, Hem en Zijn eer en Zijn dienst, vers 6, een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk. Vergeleken met anderen, waren alle Israëlieten voor God priesters, zo nabij waren zij Hem, Psalm 148:14, zo gebruikt in Zijn onmiddellijke dienst, en zo innige gemeenschap hadden zij met Hem. Toen zij voor het eerst tot een vrij volk waren gemaakt, was het opdat zij als priesters de Heer, hun God offeranden zouden brengen, zij waren onder Gods onmiddellijke regering en bestuur, en de strekking van de wetten, die hun gegeven waren, was hen van anderen te onderscheiden, en hen voor God tot een heilig volk te maken. Aldus zijn alle gelovigen voor God gemaakt tot koningen en priesters, Openbaring 1:6, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom," 1 Petrus 2:9.
III. Israëls instemming met die overeenkomst en de voorwaarden, die er aan verbonden zijn.
1. Mozes heeft hun getrouw Gods boodschap overgebracht, vers 7, hij stelde voor hun aangezichten al deze woorden, hij heeft hun niet slechts verklaard wat God hem had opgedragen, maar legde hun de keuze voor, of zij, al of niet, deze beloften op die voorwaarden wilden aannemen. Dat hij deze woorden voor hun aangezichten stelde geeft te kennen, dat hij ze tot hun consciëntie sprak.
2. Zij hebben het voorgestelde verbond geredelijk aangenomen. Zij wilden zich verplichten de stem van God te gehoorzamen, en het als een grote gunst aannemen om Hem tot een priesterlijk koninkrijk gemaakt te worden. Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, "nemine contradicente" zonder dat iemand er tegen sprak: Al wat de Heer gesproken heeft zullen wij doen, vers 8. Aldus sluiten zij de koop, de Heer aannemende om hun tot een God te zijn, en zich overgevende om Hem tot een volk te wezen. O dat er in hen zo'n hart geweest ware!
3. Mozes heeft, als middelaar de woorden van het volk aan God overgebracht vers 8. Aldus openbaart ons Christus, de Middelaar tussen ons en God, als een profeet de wil van God, Zijn wetten en Zijn beloften, en dan offert Hij als een priester, Gode onze geestelijke offeranden, niet slechts van gebed en lofzegging, maar van toegewijde liefde en godvruchtige besluiten, het werk van Zijn eigen Geest in ons. Aldus is Hij de gezegende scheidsman, die Zijn hand op ons beide legt.