Exodus 5:3-9
Bevindende dat Farao hoegenaamd geen eerbied had voor God, willen Mozes en Aäron nu zien, of hij enig begrip had voor Israël en verzoeken hem nederig om verlof om te gaan offeren, maar tevergeefs.
1. Hun verzoek is zeer nederig en bescheiden, vers 3. Zij klagen niet over de hardheid en strengheid, waarmee zij geregeerd worden. Zij wijzen erop dat het plan voor de reis, die zij wilden doen, niet bij henzelf is opgekomen, maar dat hun God hen ontmoet is en hen er toe geroepen heeft. Zij vragen met alle onderdanigheid: laat ons toch heengaan. De arme bedient zich van smekingen. Hoewel God bij vorsten, die verdekken, kan eisen, behoort het ons hen nederig te smeken. Wat zij vragen is heel billijk, slechts een korte vacantie voor een driedaagse reis in de woestijn, en dat wel voor een goed doel, wij willen de HEERE onze God offeren, zoals andere mensen hun goden offeren", en zij geven er eindelijk nog een goede reden voor op: "Opdat, zo wij Zijn aanbidding helemaal niet doen, Hij ons niet met het een of ander overkome, en dan zal Farao zijn vazallen kwijt zijn".
2. Farao's weigering van hun verzoek is zeer barbaars en onredelijk, vers 4-9
A. Zijn vermoedens waren zeer onredelijk. Dat het volk lui was, en dat zij daarom spraken van te gaan offeren. De steden, die zij voor Farao bouwden, en de andere vruchten van hun arbeid, getuigden voor hen, dat zij niet lui waren, toch stelt hij hen aldus voor ten einde een voorwendsel te hebben om hun lasten te vermeerderen. Dat Mozes en Aäron hen lui maakten door "leugenachtige woorden", vers 9. Gods woorden worden hier "leugenachtige woorden" genoemd, en zij, die hen tot het beste en noodzakelijkste werk riepen, werden beschuldigd van hen lui te maken. De boosaardigheid van Satan heeft de dienst en de aanbidding Gods dikwijls voorgesteld als een geschikte bezigheid alleen voor diegenen, die niets anders te doen hebben, de bezigheid slechts van de luiaards, terwijl het in waarheid de allernoodzakelijkste plicht is van hen, die het werkzaamst zijn in deze wereld.
B. Zijn besluiten, die hij hierop nam, waren uiterst barbaars:
a. Mozes en Aäron zelf moeten tot hun lasten gaan, vers 4, zij zijn Israëlieten, en hoe God hen nu ook van de overigen onderscheiden heeft, Farao maakt geen verschil, zij moeten in de gemene slavernij van hun natie delen. Vervolgers hebben er altijd een bijzonder genoegen in gevonden om de leraren van de kerk te smaden en te verdrukken.
b. Er moet het gewone aantal tichelstenen geleverd worden zonder dat hun, als gewoonlijk, stro wordt verschaft om met het leem te vermengen, of om ze er mee te branden, ten einde aldus meer werk op te leggen aan de mensen, indien zij dit werk volbrachten dan zouden zij onder de zware arbeid wel spoedig bezwijken, en zo zij het niet volbrachten, zou het hen blootstellen aan straf.