Exodus 17:1-7
I. Hier is de verlegenheid, waarin de kinderen Israëls zich bevonden vanwege gebrek aan water. Tevoren waren zij reeds eenmaal in een zelfde benauwdheid geweest, en nu zijn zij het voor de tweede maal, vers 1. Zij reisden overeenkomstig het bevel van de Heer geleid door de wolk- en vuurkolom, en toch kwamen zij toen aan een plaats, waar geen water voor hen was om te drinken. Wij kunnen ons in de weg van onze plicht bevinden, en toch moeilijkheden ondervinden en in benauwdheid komen waarin Gods voorzienigheid ons brengt ter beproeving van ons geloof, en opdat God verheerlijkt zal worden in onze uitredding.
II. Hun ontevredenheid en mistrouwen bij deze gelegenheid. In vers 3 wordt gezegd: het volk dorstte naar water. Als zij geen water hadden om te drinken, dan moesten zij wel dorst hebben, maar hiermee wordt aangeduid, niet alleen dat zij water nodig hadden en onder het ongemak leden van het gebrek eraan maar dat hun lust er naar nog gescherpt werd door hun hartstocht: zij waren heftig en ongeduldig in hun begeerte, hun dorst maakte hen beledigend en gewelddadig. Natuurlijke lusten en begeerten, ook die het vurigst zijn, moeten onder het bedwang en de leiding gehouden worden van godsdienst en verstand.
Let op de taal van die ongeregelde begeerte.
1. Zij eisen van Mozes dat hij in hun nood zal voorzien, vers 2. Geeft gij ons water, dat wij drinken, dit eisende als iets dat hij hun schuldig was maar met het sterke vermoeden, dat hij niet bij machte was om die schuld te betalen. Omdat zij van brood voorzien waren, eisen zij ook van water voorzien te worden en voor hen, die door geloof en gebed een leven leiden van afhankelijkheid van God is de ene gunst ook werkelijk het onderpand voor een andere gunst en dan kan er met ootmoed op gepleit worden. Maar de ondankbaren en ongelovigen hebben reden te denken, dat het misbruik van vroegere gunsten het verbeuren is van verdere gunsten, "Iaat hen niet menen, dat zij iets ontvangen zullen van de Heere," Jakobus 1:7, maar zij zijn geheel bereid alles te vragen, alles te eisen.
2. Zij twistten met hem, omdat hij hen uitgeleid heeft uit Egypte, alsof hij, in plaats van hen te bevrijden, slechts de bedoeling had hen te vermoorden, terwijl toch niets hatelijker of laaghartiger kon zijn, vers 3. Velen, die niet slechts het goede bedoelden voor hun geslacht, maar het ook deden, zagen aldus hun beste diensten verkeerd voorgesteld, waardoor hun geduld door een ondankbaar, onnadenkend volk op de proef werd gesteld. Hun toorn tegen Mozes werd zo heftig, dat het niet veel scheelde of zij gingen hem stenigen, vers 4. Veel voortreffelijke werken had hij hun getoond, om welk van die stenigen zij hem? Johannes 10:32. Onbedwongen hartstochten, geprikkeld door onbevredigde lusten, maken de mensen soms schuldig aan de grofste ongerijmdheden, zodat zij handelen als waanzinnigen, die brandhouten, pijlen en dood onder hun beste vrienden werpen.
3. Zij begonnen te twijfelen of God wel met hen was, vers 7, zij verzochten de Heer, zeggende: "Is de Heer in het midden van ons, of niet? Is Jehovah onder ons bij die naam, waarmee Hij zich in Egypte aan ons bekend heeft gemaakt?" Zij twijfelen aan Zijn wezen, Zijn bestaan, zij vragen of er al of niet een God is, zij betwijfelen Zijn algemene voorzienigheid, of die God de wereld regeerde, en Zijn bijzondere belofte, of Hij die wel aan hen zal vervullen. Dit wordt hun verzoeken van God genoemd, hetgeen betekent, niet slechts een wantrouwen van God in het algemeen maar een wantrouwen van Hem nadat zij zulke bewijzen hadden ontvangen van Zijn macht en goedheid ter bevestiging van Zijn belofte. Eigenlijk denken zij dat Mozes een bedrieger was-evenals ook Aäron-,dat de wolk- en vuurkolom slechts een zinsbedrog was-dat die lange reeks van wonderen, die hen hadden verlost, gediend en gevoed, een aaneenschakeling van bedriegerijen was-en de belofte van Kanaän een bespotten van hen, dit alles was zo, indien de Heer niet in hun midden was. Het is een tergend beledigen van God als wij Zijn tegenwoordigheid in twijfel trekken en Zijn voorzienigheid of belofte, in het bijzonder als Zijn Israël dit doet, dat zo heel bijzonder verplicht is op Hem te vertrouwen.
III. Wat Mozes deed, toen hij aldus aangevallen en beledigd werd.
1. Hij bestrafte de murmureerders, vers 2. Wat twist gij met mij? Let er op met hoeveel zachtmoedigheid hij tot hen spreekt, het was goed, dat hij een man was van buitengemene zachtmoedigheid, want anders zou hun woest onstuimig gedrag veroorzaakt hebben, dat hij zichzelf niet meester bleef. Het is dwaasheid om hartstocht met hartstocht te beantwoorden, want dat maakt wat slecht is nog slechter, maar een zacht antwoord keert de grimmigheid af. Hij toont hun tegen wie hun murmureringen gericht zijn, en dat de verwijtingen, die zij hem deden, God zelf troffen. Gij verzoekt de Heer, dat is "door Zijn macht te wantrouwen, stelt gij Zijn geduld op de proef, en verwekt Hem aldus tot toorn."
2. Hij doet zijn beklag bij God, vers 4. Zo riep Mozes tot de Heer, deze dienstknecht kwam, en boodschapte deze dingen aan zijn Heer, Lukas 14:21. Als de mensen ons onrechtvaardig laken en met ons twisten, dan zal het een grote verlichting voor ons wezen om tot God te gaan, en door het gebed Hem de zaak voor te leggen en het dan verder aan Hem over te laten, als de mensen ons niet willen horen, zal God naar ons horen, als hun slecht gedrag tegen ons onze gemoedsrust verstoort, zullen Gods vertroostingen ons kalmte en vrede geven. Mozes bidt God om hem te leren wat hij doen moet, want hij was ten einde raad hij kon zelf noch in hun behoefte voorzien noch het opbruisen van hun hartstochten tot bedaren brengen, God alleen kon dit. Hij wijst op het gevaar, waarin hij zich bevindt: "daar feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen, Heer, zo U iets gelegen is aan het leven van Uw dienstknecht, zo treed dan nu tussenbeide."
IV. Gods genadig verschijnen om hen te helpen, vers 5, 6. Hij beveelt Mozes voor het volk uit te gaan, zich op zijn post te wagen al is het ook dat zij er van spreken hem te stenigen. Hij moet zijn staf meenemen, niet (zoals God het hem rechtvaardig had kunnen gebieden) om de een of andere plaag op te roepen om hen te kastijden voor hun wantrouwen en murmureren, maar om water voor hen tevoorschijn te brengen. O hoe groot is het geduld en de lankmoedigheid Gods tegenover tergende zondaren! Hij overlaadt met weldaden hen, die Hem arbeid maken met hun zonden, onderhoudt hen, die strijd tegen Hem voeren reikt hun de hand van Zijn milddadigheid, die ten zeerste de verzenen tegen Hem verheven hebben. Aldus leert Hij ons om, indien onze vijand hongert, hem te spijzigen, en indien hem dorst, zoals Israël nu dorstte, "hem te drinken te geven." Romeinen 12:20-Mattheus 5:44, 45. Zal Hij falen aan hen, die op Hem bouwen, als Hij zo milddadig was, zelfs voor hen, die Hem verzochten? Indien God aan Mozes slechts een waterput in de woestijn had gewezen, zoals Hij er niet ver vandaar een aanklager heeft gewezen, Genesis 21:19, dan zou dit al een grote gunst geweest zijn, maar, ten einde Zijn macht te tonen, zowel als Zijn mededogen, en het tot een wonder van goedertierenheid te maken, gaf Hij hun water uit een rots. Hij wees Mozes aan waar hij gaan moest, en beval hem de oudsten van Israël mee te nemen om getuigen te zijn van hetgeen gedaan werd, ten einde zelf overtuigd te wezen en anderen tot de overtuiging te brengen, dat God voorzeker in het midden van hen was. Hij beloofde hem, dat Hij hem aldaar in de wolk der heerlijkheid zou ontmoeten (ten einde hem aan te moedigen) en gebood hem de rots te slaan. Mozes gehoorzaamde, en onmiddellijk kwam er water in grote overvloed uit de rots, dat in stromen en rivieren door het kamp vloeide Psalm 78:15, 16, en hen volgde overal waar zij in de woestijn heengingen, het wordt een watervloed genoemd, en "een waterfontein," Psalm 114:8. God toonde Zijn zorg voor Zijn volk door hun water te geven, als zij het nodig hadden, Hij toonde Zijn macht door water uit een rots te doen komen, en Hij bewees eer aan Mozes, door te gebieden dat het water er uit zou vloeien, nadat hij de rots geslagen had. Dit heldere water, dat uit de rots voortkwam wordt "honing en olie" genoemd, Deuteronomium 32:13, omdat de dorst van het volk het dubbel aangenaam maakte, komende toen zij er de grootste behoefte aan hadden, was het als honing en olie voor hen. Waarschijnlijk heeft het volk kanalen gegraven om het te leiden, en vijvers om het er in te verzamelen, op dezelfde wijze als zij lang daarna, door het dal van Baca gaande het tot een fontein hebben gesteld, Psalm 84:7. Laat ons hieruit leren te leven in:
1. Afhankelijkheid van de voorzienigheid van God, zelfs in de grootste moeilijkheid of benauwdheid. God kan fonteinen voor ons openen waar wij ze het minst verwachten, "rivieren in de wildernis," Jesaja 43:20, omdat Hij in de woestijn een weg legt, vers 19. Zij, die zich in deze woestijn op de weg van God houden, kunnen op Hem vertrouwen om voor hen te voorzien. Zolang wij de wolk- en vuurkolom volgen zullen ons zeer zeker het goede en de weldadigheden volgen, zoals het water uit de rots.
2. In afhankelijkheid van Christus' genade "die steenrots was Christus, " 1 Corinthiërs 10:4. De genade en vertroostingen van de Geest worden vergeleken bij "stromen van levend water" Johannes 7:38, 39, 4:14. Deze vloeien uit Christus, die de Rots is, geslagen door de wet van Mozes, want Hij is geworden onder de wet. Niets zal voorzien in de behoeften, en de begeerten vervullen van een ziel, dan water uit de rots, deze fontein, die geopend is. De genoegens van de zinnen zijn modderig water, geestelijke verlustigingen zijn water uit de rots, zuiver, helder en verfrissend, stromen van geneugten.
V. Bij die gelegenheid werd aan deze plaats een nieuwe naam gegeven om de gedachtenis te bewaren, niet van de zegen, waardoor in hun behoefte voorzien werd (het water, dat hen volgde, volstond hiervoor) maar van de zonde van hun murmurering: Massa, verzoeking omdat zij God verzochten, Meriba, strijd, of twist, omdat zij twistten met Mozes, vers 7. Er werd dus de herinnering bewaard van zonde zowel tot schande van de zondaren zelf (zonde laat een vlek achter op de naam) als tot waarschuwing aan hun zaad om zich te wachten van te zondigen in de gelijkheid van hun overtreding.