Exodus 12:29-36
1. Hier zien wij de zonen van de Egyptenaren namelijk hun eerstgeborenen, gedood, vers 29-30 Indien Farao de waarschuwing ter harte had willen nemen, die hem door deze plaag was gegeven, en Israël had losgelaten, hoeveel dierbare en kostelijke levens zouden dan niet gespaard zijn gebleven! Maar zie wat een hardnekkig ongeloof niet al brengt over de mensen.
Merk op:
1. De tijd, wanneer deze slag werd toegebracht, het was te middernacht, hetgeen er het ontzettende nog van vermeerderde. De drie vorige nachten waren verschrikkelijk gemaakt door de plaag van de duisternis, die getast kon worden en ongetwijfeld hun rust had verstoord, en toen zij nu op een rustige nachtrust hoopten, werd te middernacht het alarmsein gegeven. Toen de verderfengel zijn zwaard trok tegen Jeruzalem, was het dag, 2 Samuël 24:15, waardoor het minder ontzettend was, maar het verderf over de Egyptenaren was door "een pest die in de donkerheid wandelt," Psalm 91:6. Weldra zal te middernacht het geroep worden gehoord: Zie, de Bruidegom komt.
2. Op wie de plaag viel, op hun eerstgeborenen, de vreugde en hoop van hun gezinnen. Zij hadden de Hebreeuwse kinderen gedood, en nu doodde God die van hen. Aldus bezoekt Hij de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en God is niet onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt.
3. Hoe ver zij reikte, van de troon tot het gevangenhuis, vorst en boer staan gelijk voor Gods rechterstoel, want bij Hem is geen aanneming van een persoon: zie Job 34:19, 20. Nu "waren de verslagenen van de Heer vermenigvuldigd, menigten, menigten vallen in dit dal van de dorswagens" of van de "beslissing," toen de twist tussen God en Farao beslist moest worden.
4. Welk een kreet er toen opging, er was een groot geschrei in Egypte, een algemene klacht, een rouwbedrijf voor hun enige zonen (bij velen) en bij allen voor hun eerstgeborenen. Als iemand in de nachts plotseling ziek wordt, dan roept men de buren, maar voor de Egyptenaren was er geen hulp, geen troost bij hun buren, daar allen door dezelfde ramp waren getroffen. Laat ons hieruit leren:
a. Te beven voor God, en "te vrezen voor Zijn oordelen," Psalm 1-19:120. Wie kan voor Hem bestaan? Wie durft Hem weerstaan?
b. Gode dankbaar te wezen voor de dagelijkse bewaring van onszelf en ons gezin, aan zoveel gevaren blootgesteld zijnde, hebben wij reden te zeggen: "Het zijn de goedertierenheden van de Heer, dat wij niet vernield zijn."
II. Gods zonen, Zijn eerstgeborenen, behouden, verlost. Dit oordeel heeft Farao overwonnen, hem genoodzaakt zich op genade of ongenade over te geven. De mensen zouden beter doen met maar terstond Gods voorwaarden aan te nemen, want hoe lang zij ook tegenstand bieden, nooit zal Hij hun voorwaarden aannemen. Nu is Farao's hoogmoed neergeworpen, en hij bewilligt in alles wat Mozes had geëist: Dient de Heer, gelijk gijlieden gesproken hebt, vers 31, neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gij gesproken hebt, vers 32. Gods woord zal bestaan, en wij winnen niets met het te betwisten, of met dralen en uitstellen om ons er aan te onderwerpen. Tot nu toe was het de Israëlieten niet vergund heen te gaan, maar nu zijn de zaken tot het uiterste gekomen, en tengevolge daarvan:
1. Wordt hun bevolen heen te gaan, vers 31. Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk. Farao had aan Mozes gezegd dat hij zijn aangezicht niet meer zien zou, maar nu zond hij om hem, diegenen zullen God vroeg zoeken in hun benauwdheid, die Hem tevoren weerstaan hebben. Hij was nu in zo'n angst, dat hij in de nacht orders gaf voor hun vrijlating, vrezende dat, zo hij langer uitstelde hij zelf nu het eerst zou vallen. En dat hij hen wegzond, niet als mensen die gehaat waren, (gelijk de heidense geschiedschrijvers deze zaak hebben voorgesteld) maar als mensen die gevreesd waren, wordt duidelijk gezien in zijn nederig verzoek aan hen, vers 32 "en zegent mij ook. Bidt voor mij, dat mij geen plagen mogen treffen vanwege hetgeen geschied is, nadat gij zult heengegaan zijn." Zij, die vijanden zijn van de kerk van God, zijn vijanden van zichzelf, en vroeg of laat zal hen geleerd worden dit in te zien.
2. Zij worden door de Egyptenaren gedrongen om te vertrekken, Wij zijn allen dood! riepen zij, vers 33. Als de dood in ons huis komt, dan is het tijdig en gepast om aan onze eigen dood te denken. Zijn onze bloedverwanten gestorven? Hieruit is gemakkelijk af te leiden, dat wij stervende zijn, ja in eigenlijke zin reeds dood zijn. Op dit denkbeeld dringen zij de Israëlieten om te vertrekken, hetgeen aan de Israëlieten een groot voordeel gaf bij het eisen van hun gouden en zilveren vaten vers 35, 36. Toen de Egyptenaren hen drongen om heen te gaan, konden zij hun gemakkelijk zeggen dat zij hen arm hadden gehouden, en dat zij niet met een lege beurs zo'n reis konden ondernemen, als zij hun wilden geven hetgeen, waarmee zij de kosten er van konden bestrijden, dan wilden zij heengaan. En dit heeft de goddelijke wijsheid bedoeld met de dingen tot dit uiterste te laten komen, namelijk dat zij, door geducht te worden voor de Egyptenaren, van hen konden krijgen wat zij vroegen. De Heer heeft ook door Zijn invloed op de geest van de mensen het hart van de Egyptenaren geneigd om hun te geven wat zij begeerden, waarmee zij waarschijnlijk bedoelden verzoening te doen opdat de plaag zou ophouden, zoals de Filistijnen, toen zij de ark terugzonden er, met het oog op dit precedent, een geschenk mee gezonden hebben, als een zoenoffer, 1 Samuël 6:3-6. De Israëlieten mochten hetgeen zij van de Egyptenaren aldus eisten ontvangen en behouden:
a. Even rechtmatig, als dienstknechten loon ontvangen van hun meesters voor werk, dat zij verricht hebben, en het opeisen als het hun onthouden wordt.
b. Even rechtmatig als overwinnaars in de oorlog de buit nemen van de vijanden, die zij tenonder hebben gebracht. Farao was in opstand tegen de God van de Hebreeën, waardoor hij alles wat hij bezat, had verbeurd.
c. Even rechtmatig als onderdanen de goederen aannemen, die hun door hun vorst worden geschonken. God is de soevereine eigenaar van de aarde en van haar volheid, en als Hij iets van de een neemt en het aan de ander geeft, wie kan dan tot Hem zeggen: Wat doet gij? Het was op Gods uitdrukkelijk bevel en volgens Zijn aanwijzing, dat de Israëlieten deden wat zij deden, hetgeen voldoende was om hen te rechtvaardigen en te verdedigen, maar wat zij deden zal anderen (die zich op zo'n volmacht niet kunnen beroepen) het recht niet geven om hetzelfde te doen. Laat ons gedenken:
a.a. Dat de Koning van de koningen geen kwaad of onrecht kan doen. b.b. Dat Hij de verdrukte recht zal doen, Psalm 146:7. En zo is het dan, dat "het vermogen van de zondaar dikwijls blijkt weggelegd voor de rechtvaardige," Spreuken 13:22, Job 27:16, 17.