8. Toen, na deze toespraak van de hovelingen, werden Mozes en Aäron weer tot farao gebracht, 1)en hij zei tot hen, daar hij voor een ogenblik het voornemen had de raad op te volgen (
Vers 7): Gaat heen, dient deHEERE, uw God! Doch er ver van verwijderd, om werkelijk de Heere te vrezen en zich onder Zijn machtige hand te verootmoedigen, nam hij de zo-even gegeven toestemming voor een groot deel terug, daar hij voortging: Wie en wie zijn zij, die gaan zullen? 2) Gij hebt toch niet het gehele volk bedoeld?
1) Het is waarschijnlijk, dat, nadat zijn toorn bedaard was, hij spoedig uit zijn hofstoet iemand heeft gezonden, om Mozes en Aäron ogenblikkelijk terug te halen, opdat de straf, tegen de volgende dag aangekondigd, niet zou doorgaan. Want uit de woorden van de koning is op te maken, dat hij niet geheel en al door hun gebeden is overwonnen, maar omdat hij niet, door beslist te weigeren, alle gemoederen wilde beledigen heeft hij toegelaten, dat Mozes terug geroepen werd, om hen een rad voor de ogen te draaien. Doch hij keert terug tot het vroegere plan, terwijl hij midden in de onderhandeling met God afbrekende, zich wil verzekeren van de terugkeer van het volk. Het blijkt ook wel dat hij zelf verschrikt is geworden en een uitweg gezocht heeft om God te behagen. Ondertussen, alsof hij vrijheid had om een verdrag te sluiten, stelt hij voorwaarden die voor hem goed uitkwamen..
2) Het komt bij deze samenspraken met farao steeds op de vraag neer, of de koning de kinderen van Israël als zijn lijfeigenen zal mogen beschouwen, dan wel, of Israël de vrijheid heeft zijn God te dienen, gelijk Deze het wil. farao had over hen kunnen heersen, als over een zelfstandig volk dat, zijn God getrouw, naar eigen godsdienst en naar eigen wetten leefde; en er is geen spoor in de geschiedenis, dat het zich, onder die bepaling, aan zijn gezag zou onttrokken hebben. Maar onder geen voorwaarden, kan Israël zich dan ook datgene laten welgevallen, waardoor het in de gemeenschap met de God van zijn vaderen zou belemmerd zijn..
Het volk als volk wil hij dus niet laten vertrekken, wel enkelen uit dit volk, en deze slechts in beperkte getale; zo weinigen slechts, dat hij verwacht, dat hun namen op staande voet zouden kunnen meegedeeld worden. "Wie en wie zijn zij, die gaan zullen?" aldus vraagt hij. Misschien koestert hij een heimelijke hoop in het hart, dat hij aldus van de mannen zou bevrijd worden, die hij als opruiers en beroerders van het volk beschouwde. Want gewoonlijk zullen de tegenstanders van de waarheid en verdrukkers van des Heeren volk de onverbrekelijke tegenstand van het volk zelfs aan enkele leidslieden van het volk toeschrijven; als of deze slechts aan het volk voorspiegelden en ingaven wat het volk zelf niet voelt, begeert en wil.. 9. En Mozes zei: 1) Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochters, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest voor de HEERE, 2)en daaraan zal ons gehele volk deelnemen, evenals ook gij, Egyptenaren, aan feesttochten ter ere van uw goden allen, zonder onderscheid van ouderdom en geslacht, deelneemt. Omdat wij nu allen moeten gaan, moeten wij ook ons vee meenemen, opdat het niet onverzorgd blijft.
1) Doch ofschoon Mozes door zijn antwoord zich vrijwillig de gelegenheid afsnijdt, om te schikken en te plooien, en hem niet met dubbelzinnige uitvluchten vleit, verzwijgt hij toch het plan, om het volk te bevrijden, niet omdat hij hem wil voorliegen of bedriegen, maar opdat hij zich houdt binnen de grenzen van zijn lastgeving. En opdat hem niet voor de voeten kan geworpen worden, dat de Israëlieten op deze wijze aan zijn wettige heerschappij onttrokken worden, verbergt hij niet, dat zij, omdat zij door God zijn aangenomen, onder de heerschappij van een ander staan. God eist derhalve de zijnen terug, welke Hij zich eenmaal heeft verkoren. En nu moet men niet menen, dat hij bedrieglijk met de tiran handelde, al is het ook, dat hij het eigenlijke plan voor hem verbergt. Hij zegt, dat zij de runderen en de kudden schapen met zich zullen voeren, opdat zij voorhanden zouden hebben, wat zij God zullen offeren. Wat de zonen en dochters betreft, hij voegt er bij, dat, hoe jong zij ook zijn mogen, zij de feestdag mee moeten vieren, daar God allen zich heeft verkozen, om hen tot vroomheid op te voeden..
Het is opmerkelijk, dat Mozes, ter beantwoording van farao's vragen, deze optelling doende, en dat wel zonder enige uitzondering, zulks niet doet bij wijze van verzoek, veel minder, dat hij zulks zou overlaten aan de keuze en het welgevallen van farao, niets minder dan dat; met een onbedwelmende vrijmoedigheid zegt hij hem: Wij zullen gaan met onze jongen enz., en dit zegt hij bij herhaling ten tweede maal, als hij er bij voegt: Met onze schapen en runderen zullen wij gaan; en dus toonde hij niet alleen, wat hun oogmerk was en wat zij wensten te doen, maar wat zij doen moesten, ja, ook doen zouden, of het farao lief of leed zou zijn..
2) Met dit laatste wordt de reden aangegeven, waarom allen, zowel ouden en jongen, mee moesten. Het was geen eigen gekozen feestviering, maar een feest, door de Heere, Jehova verordend. Daarom mocht niemand wegblijven. Ook de Egyptenaren hadden zulke feesten, waarbij niemand mocht gemist worden, noch groten, noch kleinen. farao kon er zich dus niet over verwonderen, dat Mozes nu ook aandrong op het meegaan van allen, omdat het een feest van de Heere, hun God, was..