Exodus 10:1-11
I. Mozes wordt hier onderricht. Wij kunnen wel veronderstellen, dat hij voor zich verbaasd was, zowel over Farao's hardnekkigheid, als over Gods strengheid. Hij kon ook wel niet anders dan bewogen zijn door medelijden met de Egyptenaren bij al die verwoestingen over het land, en kon zich ook niet voorstellen waar die strijd ten slotte op zou uitlopen. Nu zegt God hem hier wat Zijn bedoeling is: niet alleen Israëls verlossing, maar ook de verheerlijking van Zijn naam. Opdat gij moogt vertellen in uw geschriften, die tot aan het einde van de wereld zullen blijven bestaan, wat Ik in Egypte uitgericht hebt, vers 1, 2. De tien plagen van Egypte moeten opgelegd worden, opdat zij aan de volgende geslachten verhaald zullen worden als onloochenbare bewijzen:
1. Van Gods albesturende macht in het rijk van de natuur, Zijn heerschappij over al de schepselen, en Zijn macht om ze te gebruiken, hetzij om Zijn gerechtigheid te dienen, of om er onder te lijden, overeenkomstig de raad van Zijn wil.
2. Van Gods zegevierende macht over het rijk van Satan, om de boosheid ten onder te houden en de onbeschaamdheid van Zijn vijanden en die van de kerk te straffen. Deze plagen zijn blijvende gedenktekenen van de grootheid Gods, het geluk van de kerk en de zondigheid van de zonde, en ook een blijvende waarschuwing aan de kinderen van de mensen in alle eeuwen, om de Heer niet tot ijver te verwekken, of met hun Maker te twisten. Het voordeel van dit onderricht aan de wereld weegt ruimschoots op tegen de kosten er van.
II. Farao wordt bestraft, vers 3. Zo zegt de Heer, de God van de arme, geminachte, vervolgde Hebreeën: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Met recht wordt van de voornaamste, de aanzienlijkste mensen verwacht, dat zij zich voor het aangezicht van de grote God verootmoedigen, en het is voor hun verantwoording zo zij het weigeren. Dit is meer dan eens Gods twist geweest met vasten: Belsazar "heeft zijn hart niet vernederd" Daniël 5:22, Zedekia "verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van de profeet Jeremia," 2 Kronieken 36:12. Hen, die zich niet willen verootmoedigen, zal God vernederen. Farao heeft soms voorgewend zich te verootmoedigen maar er werd geen acht op geslagen, omdat hij er evenmin oprecht als standvastig in was.
III. Farao wordt met de plaag van de sprinkhanen gedreigd, vers 4-6. De hagel had de vruchten van de aarde geslagen, maar deze sprinkhanen zullen opkomen en ze verslinden, en dat niet alleen, zij zullen hun huizen vervullen terwijl de vroegere invallen van die insecten tot hun landerijen beperkt bleven. Dit zal erger wezen dan al de rampen van die aard, die ooit bekend waren. Toen Mozes zijn boodschap had overgeleverd en geen beter antwoord verwachtte dan hij tevoren ontvangen had keerde hij zich om en ging uit van Farao, vers 6. Zo heeft Christus ook Zijn discipelen bevolen weg te gaan van hen, die hen niet wilden ontvangen, en "het stof van hun voeten te schudden als een getuigenis tegen hen," en dan is het verderf niet ver van degenen, die door de boodschappers van de Heer rechtvaardig worden verlaten, 1 Samuël 15:27 en verv.
IV. Farao's dienaren, zijn staatsministers of de leden van zijn raad treden tussenbeide en bewegen hem tot enigerlei overeenkomst zien te komen met Mozes, vers 7. Gelijk hun plicht was stellen zij hem de jammerlijke toestand voor het rijk, (Egypte is verdorven) en raden hem om zijn gevangenen los te laten (Laat de mannen trekken), want zij vonden dat Mozes hun tot een strik zal zijn, zolang dit niet is geschied, en het zou beter zijn dadelijk in te willigen, dan er ten slotte toe gedwongen te worden. De Israëlieten waren de Egyptenaren tot een lastige steen geworden, en nu willen de vorsten van Egypte hen eindelijk wel gaarne kwijt wezen, Zacheria 12:3. Het is te betreuren, (en, zo mogelijk, te voorkomen) dat een gehele natie ten verderve wordt gebracht om de hoogmoed en de weerstrevendheid van haar vorsten, "Salus populi suprema lex-Het welzijn van het volk te behartigen is de hoogste wet."
V. Een nieuwe onderhandeling wordt nu geopend tussen Farao en Mozes, waarbij Farao er in bewilligt, dat de Israëlieten in de woestijn zullen gaan om te offeren, maar het geschil betreft de vraag: wie gaan zal, vers 8.
1. Mozes staat er op, dat zij geheel hun gezin zullen medenemen en ook al hun roerend goed vers 9. Zij, die God dienen, moeten Hem dienen met alles wat zij hebben. Mozes voert aan: "Wij moeten een feest houden, en daarom moeten wij ons gezin medenemen om het feest met hen te vieren, en onze schapen en runderen, die wij moeten slachten en eten ter ere van onze God.
2. Farao wil hier volstrekt niet in bewilligen Hij wil de mannen laten gaan, voorgevende dat dit alles was, wat zij verlangden, hoewel er in de vorige onderhandelingen in het geheel niet over gesproken was, maar wat de kinderen aangaat, hij besluit deze als gijzelaars terug te houden, teneinde hen tot terugkeren te dwingen, vers 10, 11. Nog meer: hij wordt in toorn ontstoken en zweert, dat zij hun kinderen niet van de plaats zullen brengen, hun verzekerende, dat het op hun gevaar zou zijn, indien zij het wèl deden. Satan doet alles wat hij kan om hen, die zelf God dienen, te verhinderen om hun kinderen er toe te brengen om Hem te dienen. Hij is een gezworen vijand van vroege godsvrucht, wetende hoe verderfelijk zij is voor zijn rijk. Wij hebben reden om bij alles wat ons er van afhoudt om onze kinderen ten uiterste te bewegen om zich tot de dienst van God te begeven, de hand van Satan te vermoeden.
3. Hierop wordt de onderhandeling plotseling afgebroken, zij die, van Farao waren uitgegaan, vers 6, werden nu van Farao's aangezicht uitgedreven. Diegenen zullen spoedig hun oordeel vernemen, die het niet dragen kunnen, dat zij op hun plicht worden gewezen. Zie 2 Kronieken 25:16 "Quos Deus destruct, eos dementat-Die God wil verderven geeft Hij over aan verdwaasdheid." Nooit is iemand zo verdwaasd geweest, als Farao het geweest is tot zijn eigen verderf.