Exodus 10:21-29
I. Hier is de plaag van de duisternis over Egypte gebracht, en het was een zeer vreeslijke, ontzettende plaag, derhalve zij als de eerste van de tien genoemd wordt, Psalm 105:28, hoewel zij een van de laatste was. In de verwoesting van het geestelijk Egypte wordt zij voortgebracht door "de vijfde schaal, die uitgegoten wordt op de troon van het beest", Openbaring 16:10, "en zijn rijk is verduisterd geworden." Omtrent deze plaag valt bijzonder op te merken:
1. Dat het een algehele duisternis was. Wij hebben reden te denken dat niet slechts de hemellichten omfloerst waren, maar dat ook hun vuren en kaarsen uitgeblust werden door de vochtige, kleverige dampen, waardoor deze duisternis veroorzaakt werd, want er wordt gezegd in vers 23 :zij zagen de een de ander niet. De goddeloze wordt er mee gedreigd, Job 18:5, 6, dat "de vonk van zijn vuur niet zal glinsteren (de spranken, namelijk die hij ontstoken heeft," zoals zij genoemd worden in Jesaja 50:1, en dat "het licht zal verduisteren in zijn tent." De hel is "de buitenste duisternis, het licht van de kaars zal in u niet meer schijnen," Openbaring 18:23.
2. Dat het een duisternis was, die men kon tasten, die gevoeld kon worden met hun vingers in de oorzaken er van, (zo dicht en dik waren de dampen) gevoeld kon worden, denken sommigen, in haar uitwerkselen, door hun ogen die gestoken werden van pijn, en nog pijnlijker werden door ze te wrijven. Er wordt gesproken van zware pijn als uitwerking van die duisternis Openbaring 16:10, hetgeen een toespeling hierop is.
3. Ongetwijfeld waren zij er door verbaasd en verschrikt. Hierbij vergeleken was de wolk van sprinkhanen, die het land verduisterd hadden vers 15, nog niets. De overlevering van de Joden zegt dat zij in deze duisternis verschrikt werden door verschijningen van boze geesten of liever door verschrikkelijke geluiden en fluisteringen, die zij maakten, of (hetgeen niet minder verschrikkelijk is) door de angst van hun eigen geweten, en dit is de plaag die, naar sommigen denken, bedoeld is in Psalm 78:49, (want anders wordt zij daar in het geheel niet vermeld) Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, verbolgenheid en verstoordheid en benauwdheid met uitzending van de boden van veel kwaads, want hun, voor wie de duivel een bedrieger was, zal hij ten slotte een verschrikking wezen.
4. Zij hield drie dagen aan, zes nachten (zegt bisschop Hall) aaneen, zo lang waren zij gevangen gehouden door die ketenen van de duisternis, en de helderste paleizen werden tot kerkerholen. Niemand stond op van zijn plaats, vers 23. Zij waren allen gevangen in hun huizen, en de schrik heeft hen zo bevangen, dat slechts weinigen onder hen de moed hadden om van hun stoel naar hun bed te gaan, of van hun bed naar een stoel. Aldus "zwegen zij in duisternis," 1 Samuël 2:9. Nu had Farao tijd om na te denken, zo hij hem slechts had willen gebruiken. Geestelijke duisternis is geestelijke gevangenschap terwijl Satan de ogen van de mensen verblindt, zodat zij niet zien bindt hij hun handen en voeten, opdat zij niet werken voor God, noch zich hemelwaarts bewegen. Zij zijn gezeten in duisternis.
5. Het was rechtvaardig in God hen aldus te straffen. Farao en zijn volk hadden gerebelleerd tegen het licht van het woord van God, dat Mozes tot hen had gesproken, rechtvaardig worden zij dus gestraft met duisternis, want zij hadden haar lief en verkozen haar boven het licht. De blindheid van hun geest brengt deze duisternis van de lucht over hen, nooit was iemands geest zó verblind als die van Farao, nooit was de lucht zó verduisterd als die van Egypte. Door hun wreedheid zouden de Egyptenaren de lamp van Israël willen uitblussen en hun kool uitblussen, daarom heeft God rechtvaardig hun lichten uitgeblust. Vergelijk dit met de straf van de Sodomieten, Genesis 19:11. Laat ons vrezen voor de gevolgen van de zonde, indien drie dagen van duisternis zo schrikkelijk waren, wat zal de eeuwige duisternis dan niet wezen!
6. Intussen was het bij de kinderen Israëls licht in hun woningen, vers 23, niet alleen in het land Gosen, waar de meesten van hen woonden, maar ook in de woningen van hen, die onder de Egyptenaren verstrooid waren. Dat sommigen van hen aldus verstrooid zijn geweest, blijkt uit het teken ter onderscheiding, dat hun later bevolen was aan de posten van hun deuren te maken, Hoofdstuk 12:7. Dit is een voorbeeld van:
a. De macht van God boven de gewone kracht van de natuur. Wij moeten niet denken dat het zo maar vanzelf spreekt, dat wij delen in de algemene zegeningen en weldaden, en er dus aan God geen dank voor verschuldigd zijn. Hij zou een onderscheid kunnen maken, en ons onthouden wat Hij aan anderen geeft. Wel laat Hij gewoonlijk Zijn zon schijnen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, maar Hij zou een verschil kunnen maken, en wij moeten erkennen dat het Zijn genade is, als Hij het niet doet.
b. De bijzondere gunst voor Zijn volk, zij wandelen in het licht, als anderen eindeloos in dikke duisternis ronddwalen. Aan alle plaatsen waar een Israëliet is, één, die waarlijk een Israëliet is, al is het ook in deze duistere wereld, daar is licht, daar is een kind van het licht, en voor wie licht gezaaid is, en die door de opgang uit de hoogte wordt bezocht. Wie zou, toen God dit onderscheid maakte tussen de Israëlieten en de Egyptenaren, niet aan de armoedigste hut van een Israëliet de voorkeur hebben gegeven boven het schoonste paleis van een Egyptenaar? Nog is er een wezenlijk verschil, hoewel niet zo merkbaar, tussen het huis van de goddelozen, waarin de vloek van de Heer is, en de woning van de rechtvaardigen, "die door Hem wordt gezegend," Spreuken 3:33. Wij moeten geloven in dat verschil en er ons naar gedragen. Sommigen gronden een gissing op het woord in Psalm 105:28 :"Hij zond duisternis, en maakte het duister, en zij waren Zijn woord niet weerspannig," dat de Israëlieten gedurende deze driedaagse duisternis besneden werden, ten einde hun paasfeest, dat nu naderde, te kunnen vieren, en dat dit het woord was, waaraan zij niet weerspannig waren, want van hun besnijdenis toen zij het land Kanaän binnenkwamen, wordt gesproken als van een tweede algemene besnijdenis, Jozua 5:2. Hoe dit nu zij, indien het God had behaagd, dan zouden de Israëlieten gedurende deze drie dagen van duisternis voor de Egyptenaren, toen het voor henzelf licht was, hebben kunnen vertrekken, zonder er Farao verlof voor te vragen, maar God wilde hen uitvoeren door een hoge hand, en niet steelsgewijze of in haast, Jesaja 52:12.
II. Hier is de indruk, op Farao teweeggebracht door deze plaag, welke tamelijk gelijk was aan die, welke door de vorige plagen bij hem teweeggebracht werd.
1. Het heeft hem in zoverre wakker geschud, dat hij de onderhandeling met Mozes en Aäron weer aanknoopte, en er nu eindelijk in toestemde, dat zij hun kinderen zouden medenemen, hij wilde nu slechts hun vee als onderpand houden, vers 24. Het is het gewone doen van de zondaren om aldus met loven en bieden bij de Almachtige aan te komen, sommige zonden zullen zij nalaten, maar niet alle, voor een tijd zullen zij aflaten van hun zonden, maar niet voor altijd. Zij willen Hem een deel van hun hart toestaan, maar de wereld en het vlees moeten het met Hem delen, en aldus spotten zij met God, maar bedriegen zichzelf. Mozes besluit om niets van zijn eis te laten vallen, ons vee zal ook met ons gaan, vers 26. De voorwaarden van de verzoening zijn zo vastgesteld, dat de mensen, hoe zij ze ook betwisten, ze toch niet kunnen veranderen of er van kunnen afdingen. Wij moeten toestemmen in de eis van Gods wil, want wij kunnen niet verwachten dat Hij zal toestemmen in de voorwaarden van onze lusten. Boodschappers van God moeten altijd aan die regel gebonden zijn: "laat hen tot u weerkeren, maar gij zult tot hen niet weerkeren," Jeremia 15:19. Mozes geeft een zeer goede reden op, waarom zij hun vee moeten medenemen, zij moeten gaan offeren en daarom moeten zij meenemen hetgeen daartoe nodig is. Welk aantal en welke soort van offers geëist zullen worden, wisten zij nog niet, en dus moesten zij alles meenemen wat zij hadden. Met onszelf en onze kinderen moeten wij ook al onze wereldlijke bezittingen de dienst van God toewijden, omdat wij niet weten welk gebruik God maken wil van hetgeen wij hebben, noch op welke wijze wij geroepen kunnen worden om er God mee te eren.
2. Maar toen hij zijn eigen voorwaarden niet kon opleggen, werd hij zó verbitterd, dat hij de onderhandelingen plotseling afbrak, en het besluit nam in het geheel niet meer te onderhandelen. Thans is de toorn over hem gekomen tot het einde, en hij werd tot het uiterste beledigend, vers 28. Mozes wordt in toorn weggezonden, op straffe van de dood hem verboden weer aan het hof te komen, ja hem werd verboden Farao ook elders te ontmoeten, zoals hij hem placht te ontmoeten aan de oever van de rivier: op welke dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven. Ontzettende waanzin! Had hij dan niet ondervonden dat Mozes plagen over hem kon brengen zonder zijn aangezicht te zien? Of had hij vergeten, hoe dikwijls hij om hem had gezonden als zijn arts, om hem te genezen, en hem van zijn plagen te verlossen, dat hij hem nu moet gebieden om nooit meer tot hem te naderen? Onmachtige boosaardigheid! Hem met de dood te dreigen, die gewapend was met zulk een macht, en aan wiens genade hij zich zo dikwijls had overgegeven. Waartoe zal verharding van hart en minachting van Gods woord en geboden de mensen al niet brengen!
Mozes hield hem aan zijn woord, vers 29. Ik zal niet meer uw aangezicht zien, dat is: "na ditmaal", want deze onderhandeling werd niet afgebroken dan Hoofdstuk 11:8, toen Mozes van Farao uitging in hitte van de toorn, en hem zei hoe spoedig hij van zin zou veranderen, en zijn trots gemoed verslagen zou worden, hetgeen vervuld werd, Hoofdstuk 12:31, toen Farao Mozes nederig smeekte om te vertrekken, zodat Mozes na dit onderhoud niet meer tot hem kwam, vóór hij geroepen werd. Als de mensen Gods woord van zich wegdrijven, laat Hij rechtvaardiglijk hen in hun zinsbegoochelingen blijven, en antwoordt hun naar de menigte van hun afgoden. Toen de Gadarenen begeerden dat Christus van hen zou weggaan heeft Hij hen terstond verlaten.