24. De genade van God in Christus (
Colossenzen 4:18.
1 Timotheus 6:21.
2 Timotheus 4:22.
Titus 3:15) zij met al degenen, die onze Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid, op onveranderlijke manier (vgl.
1 Corinthiërs 16:22). Amen. De vorm van de groet is geheel ongewoon: de derde persoon ("de broeders" - "met allen die liefhebben" enz.) is gebruikt, hoewel in
Vers 21 v. de directe aanspraak werd gevonden en niet de tweede ("u" "met u. Hiermee is iets meer algemeens uitgedrukt, zoals met een algemene zendbrief overeenkomt. Verder is in twee groeten verdeeld wat anders in een wordt samengevat. Daarin wordt nadrukkelijk gewezen van de werkingen van de genade in het hart en het leven van de Christen op de eerste grond ervan. Eindelijk is de eerste begonnen met "vrede", waarmee anders de groete eindigt; en met "genade", waarmee doorgaans de groeten aanvangen, begint dan de tweede groet. Deze verschillende groet, die ons aan parallellisme doet denken, zou misschien zo kunnen worden onderscheiden, dat de eerste op het inwendige leven in Christus, de andere op het principe, dat de grond van dit leven is, wijst.
De vrede, de blijde boodschap met God door de verzoening van Christus, moet steeds in het nauwste verband staan met de voortgaande groei van de liefde tot Hem en de versterking van de wortel van het gehele nieuwe leven, het geloof.
Alle zegen kan als een uitvloeisel van de goddelijke genade alleen daar werkzaam zijn, waar de menselijke liefde de Goddelijke beantwoordt en waar die niet is het product van een ogenblikkelijke vrome opwelling, maar waar die een onvernietigbare gezindheid van de wedergeborene zelf is geworden.
Alle levende Christenen staan in de liefde tot de Heere Jezus. Zij, die deze Jezus liefhebben met hun hele hart, zodat zij in deze liefde alleen op Hem zien en alleen Hem begeren en alleen Hem navolgen en zichzelf voor Hem verloochenen, Zijn kruis en hun kruis Hem gewillig nadragen, zodat zij Hem leven en Hem sterven, deze zijn de Christenen, zijn Gods kinderen, Zijn bijzonder en dierbaar eigendom.
Het komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, en tot de volheid van de mannelijke grootte in Christus (Hoofdstuk 4:13) heeft zijn trappen en in de heiliging en verlichting van hun gehele leven hebben de kinderen van het licht een verschillende hoogte; maar allen, kleinen en groten, zwakken en sterken, hebben dat kloppen van het hart in liefde voor de Heere Jezus gemeen.
Het kleinste kind in Christus en de sterkste door Gods Geest naar de inwendige mens, kunnen in het kostelijkste punt van het hart, in de liefde van Jezus elkaar ontmoeten.
De liefde tot de Heere Jezus moet blijven, moet onveranderlijk blijven, welk lot ons ook treft, hoe ook de geest van de tijd verandert, anders is zij niet zuiver: Laus in amore mori - tot lof is alleen als men in de liefde sterft.
Aan die van Efeze geschreven van Rome (en gezonden) door Tychicus.
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE EFEZIËRS
In de lente van 61 na Christus was Paulus als gevangene te Rome aangekomen. Na een onderkomen verkregen te hebben, had hij de oudsten en opzieners van de daar wonende Joden bij zich ontboden tot een samenspreking, om, zoals het steeds zijn gewoonte was, eerst bij zijn broeders naar het vlees een poging in het werk te stellen tot hun bekering. Toen op een van de volgende dagen nog veel meerderen tot hem kwamen, had hij op zeer dringende en overtuigende manier tot hen gesproken, maar toch moest hij tenslotte ondervinden, dat door het oordeel van God dit volk verstokt was en de tijd was gekomen dat Israël nu zijn eigenwillig gekozen wegen zou gaan en het rijk van God van hen zou worden genomen, om voortaan zijn verblijfplaats in de heidenwereld te hebben (Handelingen 28:17-29). Nu begrijpen wij wel, dat het oog van de apostel zich met volle beslistheid wendde tot de kerk, die uit de heidenwereld werd opgebouwd, terwijl zijn eigen volk, waaraan hij oorspronkelijk zijn werkzaamheid had willen wijden (Handelingen 22:17) in zijn hart op de achtergrond trad en hoe zijn apostolische roeping naar haar eigenaardigheid (omdat hij ertoe geroepen was, onder alle heidenen de gehoorzaamheid van het geloof op te richten, Romeinen 1:5), hem nu voorkwam als van zo grote betekenis als hij in Hoofdstuk 3:8, uitspreekt, zodat hij het voor zijn plicht hield, zijn krachten voor zoveel hem de bediening van zijn ambt nog mogelijk was, uitsluitend tot dat doel aan te wenden (Hoofdstuk 6:19 v.). En als het werkelijk is, zoals wij in Aanm. II a. 2 hebben aangenomen, dat nog in de eerste helft van het jaar 61 Petrus uit Babylon zijn eerste brief aan de Christenen in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië geschreven heeft en zich daardoor uit zijn vroegere arbeid, die uitsluitend de Joden in Palestina en in de diaspora aanging (uitgezonderd van het buitengewone geval in Handelingen 10) tot een mede-arbeiden aan de heidenen begeven had, dan kunnen wij begrijpen, waarom Paulus zo schreef als wij in Hoofdstuk 2:5, lezen. Nu was dat geheim, waarover daar wordt gehandeld zozeer duidelijk geworden, als nog nooit van te voren, omdat ook diegene onder de twaalf apostelen, op wie Christus nog in bijzondere zin Zijn gemeente gebouwd had (Mattheus 16:18), zonder enig bezwaar (Galaten 2:9, 11) zijn laatste levensjaren aan de heidenen wijdde (vgl. bij Johannes 21:18). Zo staat het voor ons buiten alle twijfel vast, dat onze brief uit Rome en niet, zoals velen hebben willen beweren, uit Cesarea geschreven is en dat die vóór de zo verwante brief aan de Kolossensen en niet, zoals sommigen hebben gemeend, na die geschreven is. Hij geeft toch geheel die gedachten en inzichten, gevoelens en ervaringen weer, die juist toen, snel bij het begin van de gevangenschap te Rome, tengevolge van de beide medegedeelde gebeurtenissen in het hart van de apostel waren, en nu dadelijk in de eerste zendbrief, waarmee hij zijn verkeer met de gemeenten van zijn arbeidsveld weer opende, probeerden zich op gepaste manier uit te drukken. Zeer doelmatig was het dan tevens om juist aan de gemeente te Efeze deze zendbrief te adresseren (Hoofdstuk 1:1). Met Efeze had Paulus zijn werkzaamheid in de tijd van zijn vrijheid gesloten, toen hij de oudsten van de gemeente naar Milete riep en afscheid van hen nam (Handelingen 20:17) en met Efeze begint hij nu ook zijn werkzaamheid in de gevangenschap, zodra de mogelijkheid hem daartoe is gegeven. Efeze zal ook in de eerste eeuwen aan het hoofd van de geschiedkundige ontwikkeling van de kerk staan; daarom is het als een goddelijke profetie, dat deze brief aan deze gemeente geadresseerd is, die over de éne, heilige en apostolische kerk handelt. Toch is deze zendbrief, zoals wij vaker gelegenheid hadden op te merken, niet tot Efeze gericht als de bijzondere, lokale gemeente, zodat zij haar alleen aanging op dezelfde manier als andere zendbrieven die gemeente, waarvoor zij volgens het opschrift bestemd zijn; de apostel ziet integendeel van alle bijzondere omstandigheden af en plaatst zich op zo'n universeel standpunt ten opzichte van de lezers, dat men, stond het adres er niet, het minst zou denken aan die gemeente, waarbij de apostel zo lang en zo gezegend werkzaam was geweest (Hand. 19:9, ; 20:18). Dit is nu zeer goed daaruit te verklaren, dat Efeze hier alleen fungeert als vertegenwoordigster van de kerk, uit de heidenwereld vergaderd en alleen in de eerste plaats aan haar de brief geadresseerd is. Zij moest die natuurlijk in de eerste plaats zelf lezen en ter harte nemen, maar die dan verder geven; zij is als het ware het hoofd van een vereniging, en zal weten wat zij verschuldigd is aan de overige medeleden van het gezelschap. Wat de apostel haar om zo te zeggen voor haar eigen persoon heeft te schrijven, doet hij evenals de Heere zelf later bij de zeven brieven in Openbaring , 3 aan de engel van de gemeente, in de tweede brief aan Timotheus, die in dezelfde tijd is vervaardigd. Bij deze brief daarentegen staat zij echter niet meer persoonlijk voor het oog, integendeel, waar Paulus meer het persoonlijke nadert, zijn het meer de andere gemeenten, die achter Efeze staan, die hij zich voorstelt (vgl. Hoofdstuk 1:15; 3:2, ; 4:21 en die daardoor vóór Efeze op de voorgrond treden. Men heeft vermoed dat de gemeenten, aan wie de brief in haar eigenschap als een rondgaand schrijven gericht is, dezelfde zou zijn, die in de Openbaring an Johannes (1:11) genoemd worden: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea. Zeker is het opmerkelijk, dat enige van de oudste Griekse handschriften in Hoofdstuk 1:1 het "te Efeze" niet hebben, maar daarvoor een lege plaats laten zien en aan de andere kant de Gnostieker Marcion (omstreeks het midden van de 2de eeuw na Christus) in zijn codex van de Paulinische brieven in plaats van "te Efeze" het adres "te Laodicea" gaf. Wij verenigen ons met de mening, die de zeven gemeenten in Klein-Azië uit de Openbaring voor die cyclus van gemeenten houdt, waaraan onze brief volgens de eigenlijke mening door Paulus gericht is, met te minder bedenken, omdat volgens onze opvatting die gemeenten als de vertegenwoordigsters van de Christelijke kerk uit de heidenen moeten worden beschouwd. Van Efeze ging het rondgaan van de zendbrief uit en naar Efeze keerde dit tenslotte terug, om daar bewaard te blijven. Het is dus geheel naar de orde, als nu ook de gemeente te Efeze die is, waaraan de brief geadresseerd is. Het is echter zeer goed mogelijk, dat de oorspronkelijke tekst het adres "te Efeze" niet heeft gehad, maar in plaats daarvan een lege ruimte was gelaten, die de voorlezer met de naam van die gemeente, die haar nu horen zou, moest aanvullen. Het blijft ten minste een merkwaardig, nauwelijks te verklaren feit, dat Basilius de Grote (overl. 379), evenals ook Origenes, op het ontbreken van de Griekse woorden: en Efesq (te Efeze) een verklaring van de voorafgaande woorden: toiv ousin (die daar zijn) grondt, die volstrekt onmogelijk zou zijn, als de handschriften, die hun ter beschikking stonden, van die woorden ook maar een spoor hadden bevat en als hem evenwel de woorden bekend zijn als zich bevindende in andere handschriften, dan beschouwt hij het ontbreken ervan als het oorspronkelijke, omdat de lezing pas later ingedrongen zal zijn. Het zij echter zoals het zij: voor ons staan de woorden daar; ook hebben wij geen reden om er aan te denken ze uit te schrappen. Leidt nu de naam Efeze ons naar de latere verblijfplaats van de apostel Johannes, dan kan ook niet ontkend worden, dat deze brief aanrakingspunten met het Evangelie van Johannes heeft en zeker zou het wel de moeite waard zijn om die punten van aanraking in het bijzonder op te sporen en aan te wijzen. Verder zou dan ook blijken, dat er een paralelle verhouding is tussen de brief aan de Efeziërs en de vroegere brieven van de apostel, evenals tussen het Johannes-evangelie en de drie Synoptici.
De grote betekenis van de brief voor alle tijden ligt in het hoofdbegrip en de hoofdgedachte: de Kerk van Jezus Christus is ene voor eeuwigheid beslotene en voor de eeuwigheid bestemde schepping van de Vader door de Zoon en de Heilige Geest. Zij is de ethische Kosmos, waarom het werk van de verlossing geschiedde, in de Kosmos, die door de schepping teweeg is gebracht. Zij is het huisgezin van God, die in de wereld en wereldgeschiedenis verzameld is en nog vergaderd zal worden; het voorwerp van Zijn zorg in tijd en eeuwigheid. Onze tijd, die zozeer lijdt aan dwaalbegrippen over het wezen van de kerk, die van de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan alle voorschriften en leerstellingen door de kerkinrichting van de ultramontanen geëist, door de rationalistische schaar heen, die liever slechts een pythagorisch omacoeion (gemeenschappelijke gehoorzaal) in plaats van de exxlhoia bouwden, tot aan de vrije kerken en de kerken van de toekomst, die slechts een omadov (door elkaar spreken) en oxlov (ongeordende menigte) zonder axoh (het horen) overlaten, tot aan het aannemen van een zuivere godsdienstgemeenschap zich verlopen heeft, moge hier de juiste weg leren kennen en zich opheffen. Grond en doel van de kerk is Christus. Alles komt aan op de verhouding tot Christus, waarnaar de verhouding tot de kerk wordt bepaald. Waar Christus is, daar is de kerk en waar, al is het eerst in wording, de kerk is, daar is en werkt ook Christus. En Christus en Christus' kerk zijn daar, waar Zijn bovenwereldse eeuwige persoonlijkheid is aangenomen, waar die niet tegengestaan of verloochend wordt. In Christus, dat is de eis, die onwillekeurig en noodzakelijk aan alle waarheid en alle leven gesteld is. De kerk moet voor een onzichtbaar zichtbare, door en door ethische levenssfeer van de Heilige Geest erkend worden. Uit die levenssfeer wordt en werkt en zegent de kerk in de wereld en de tijd onder de volken. In haar ontstaat een ethisch levensproces, die het individu in zijn binnenste en tederste centrum beweegt, na steeds meer verdwijnende vervreemding van God tot zalige nabijheid van God, van vijandschap en dienstbaarheid tot het kindschap en de erfenis bij God, van de lust tot zonde door de vergeving van de zonden tot heerlijke reinheid voortgaande. Middel van de genade voor elk in het bijzonder en tot gemeenschap is het woord, dat in geloof en gebed en lied in het hart en in de gemeente weerklinkt. Toch treedt het woord niet zo op de voorgrond, dat het sacrament daarom terzijde zou worden geschoven (Hoofdstuk 4:5). Organen zijn voor de dienst in het woord nodig, terwijl de leden van de gemeente liefderijk helpend naast elkaar staan. Ieder Christen moet beschouwd worden als een heilige en geheiligde, als lid van het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. De natuurlijke regelingen van huwelijk en huisgezin de status oeconomicus, zowel als politicus worden met de status ecclesiasticus erkend, zodat zij in de kerk alleen tot hun recht komen, om weer tot bevordering en groei van de gemeente te dienen. Dat alles wordt duidelijk gezien en met bewonderenswaardige kortheid uiteengezet. De grote waarde van deze brief voor alle tijden van de kerk wordt op deze manier duidelijk.