Titus 3:9-15
Hier is het vijfde en laatste gedeelte van het onderwerp van den brief, wat Titus in zijn onderwijs had te vermijden, hoe hij met een ketter moest handelen, en enige andere aanwijzingen. Merk op:
I. Opdat de bedoeling van den apostel helder en ten volle zou blijken en vooral geschikt zijn voor den tijd en den toestand van zaken in Creta, en met het oog op de vele Judeese leraren onder hen, zegt hij Titus wat deze in zijn onderwijs heeft te vermijden, vers 9. Er zijn noodzakelijke vragen, die behandeld en tot helderheid gebracht moeten worden, opdat daardoor de nuttige kennis vermeerderd worde, maar ijdele en dwaze vragen, die evenmin tot Gods verheerlijking als tot stichting van de mensen dienen, moeten vermeden worden. Sommige mensen hebben een vertoning van wijsheid, maar zij zijn ledig, zo stond het met velen, van de Joodse geleerden, zowel als van de latere geleerden, die overvloedig zijn in allerlei vraagstukken, welke voor geloof of wandel niet het minste nut hebben, die moeten verworpen worden. Evenzo de geslachtsrekeningen (sommigen menen van de goden, waarvan de heidenen zoveel ophef maakten, misschien ook wel die, waarin de Joden zich zo gaarne verdiepten). Er kunnen van dien aard enkele nuttige en geoorloofde onderzoekingen ingesteld worden, om in sommige gevallen de vervulling van de Schrift aan te tonen, vooral wat betreft de afstamming van Christus als Messias, maar al wat diende alleen om vertoning te maken, de ijdelheid te strelen, op oude afkomst te roemen, en meer dergelijke, waarin de Joodse leraren zaten te pluizen en waarmee zij hun hoorders verontrustten zelfs nu, nadat Christus gekomen was en het onderscheid van geslachten en stammen weggenomen had, zodat zij opnieuw gingen opbouwen wat Christus vernietigd had-dat alles moest Titus weerstaan als dwaas, onnut en ijdel.
En twistingen en strijdingen over de wet. Er waren onder hen, die de Mozaïsche regelen en ceremoniën voorstonden, en deze door de gemeenten wilden onderhouden zien, ofschoon ze door het Evangelie en de komst van Christus waren vervuld en afgeschaft. -Titus mocht hun geen voet geven, maar moest hen vermijden en tegenstaan, want zijn onnut en ijdel. Dat slaat zowel op de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, als op de twistingen en strijdingen over de wet. Wel verre dat ze dienstig zijn om te onderwijzen en op te bouwen in de godzaligheid, zijn zij er veel meer hinderpalen voor, de Christelijke godsdienst en de goede werken, die gehandhaafd moeten worden, zullen er door verzwakt en benadeeld worden, de vrede der gemeente wordt er door verstoord en de voortgang van het Evangelie gestremd. Dienaren moeten niet alleen onderwijzen dingen, die nuttig en goed zijn, maar het tegendeel vermijden en weerstaan, omdat dit het geloof zou bederven, de godzaligheid en de goede werken verhinderen, ook moet de gemeente niet het oor gestreeld worden, maar zij moet gezonde leer liefhebben en omhelzen, die het meest tot nut en opbouwing dient.
II. Maar omdat er, niettegenstaande dit alles toch ketterijen en ketters in de gemeente zullen zijn, geeft de apostelen aan Titus aanwijzing hoe hij in zulke gevallen handelen moet, vers 10. Hij die de waarheid, zoals zij in Christus Jezus is, verzaakt, die valse leringen bedenkt en die verbreidt tot verderf van het geloof op gewichtige en belangrijke punten, en daardoor den vrede der gemeente verwoest, moet, nadat behoorlijke middelen om hem tot inkeer te brengen vergeefs aangewend werden, verworpen worden. Verwerp hem na de eerste en tweede vermaning, vermaan hem eerst opdat hij zo mogelijk terug gebracht worde, en gij uw broeder moogt gewinnen, maar indien dat niet helpt, verwerp hem uit de gemeenschap, opdat anderen niet benadeeld worden, en waarschuw alle Christenen hem te mijden. Wetende dat de zodanige verkeerd is (afgekeerd van den grondslag), en zondigt op ergerlijke wijze, zijnde bij zich zelven veroordeeld. Zij, die zich door vermaningen niet laten gezeggen, maar in hun zonden en dwalingen blijven volharden, zijn verkeerd en bij zich zelven veroordeeld. Zij brengen over zich zelven de straf, welke de regeerders der kerk op hen moeten toepassen, zij onttrekken zich zelven aan de gemeente en daardoor aan hare gemeenschap en veroordelen dus zich zelven. Merk op:
1. Hoe groot een kwaad werkelijke ketterij is, daarom moet niemand er lichtvaardig van beschuldigd worden, ofschoon bij allen er streng tegen gewaakt moet worden. Zulk een is verkeerd of afgekeerd, een woord ontleend aan een gebouw, dat zo vervallen is, dat het moeilijk, zo niet onmogelijk, is het te herstellen of te herbouwen. Werkelijke ketters zijn zelden tot het ware geloof gebracht, omdat niet zozeer een onjuist oordeel als tegenstreven van den wil in het spel is, en wel door hoogmoed, eerzucht, eigenzinnigheid, gierigheid of dergelijke zonde, waartegen dus moet gewaakt worden. Wees nederig, heb de waarheid lief en breng haar in beoefening, en gij zult geen prooi worden van vervloekte ketterij.
2. Er moet moeite en geduld besteed worden ook aan hen, die het ergerlijkst dwalen. Zij moeten niet gemakkelijk opgegeven en uitgeworpen worden, maar behoorlijk tijd en middelen moeten aangewend worden om hem terug te brengen.
3. De middelen der gemeente, zelfs tegenover ketters, zijn overredend en zedelijk. Zij moeten worden vermaand, onderwezen en gewaarschuwd, dat bedoelt noethesia.
4. Bij voortgezetten tegenstand en onbekeerlijkheid heeft de gemeente de macht, en is zij verplicht, haar eigen zuiverheid te bewaren, door zulk een bedorven lid af te scheiden. Deze tucht kan door Gods zegen dienstbaar worden tot bekering van den zondaar, en zo niet, dan zal zij hem des te minder te verontschuldigen maken in zijn veroordeling.
III. De apostel voegt hier enige andere aanwijzingen aan toe, vers 12, 13. Hier volgen twee persoonlijke zaken.
1. Titus moest zich gereed houden om te Nicopolis bij Paulus te komen (waarschijnlijk een stad in Thracië op de grenzen van Macedonië) zodra Artemas of Tychicus naar Creta zullen gezonden zijn, om zijne plaats te vervangen en de zorg voor de gemeenten op zich te nemen, die hij dan verlaten zal. De apostel wilde die gemeenten, jong en zwak als zij waren, niet zonder voldoend opzicht laten om haar te helpen en te leiden. Naar het schijnt was Titus niet haar gevestigde opziener en herder, maar een evangelist, anders zou Paulus hem niet van dat werk afgeroepen hebben. Omtrent Artemas lezen wij weinig, maar Tychicus wordt bij verschillende gelegenheden met achting genoemd. Paulus noemt hem een geliefde broeder, een getrouw dienaar, een mededienstknecht in den Heere, dus iemand, die voor den dienst recht geschikt geacht wordt. Omdat Paulus aan Titus schrijft: Benaarstig u tot mij te komen te Nicopolis, want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren, is het duidelijk dat de brief niet te Nicopolis geschreven is, zoals een onderschrift vermeldt, want dan zou hij gezet hebben, alhier en niet aldaar, heb ik voorgenomen te overwinteren.
2. De andere persoonlijke opdracht aan Titus is, dat hij twee van zijne vrienden op hun reis zal geleiden, zorgen dat zij behoorlijk toegerust worden en dat hun niets zou ontbreken. Dit moest gedaan worden niet als een bewijs van burgerlijke beleefdheid, maar uit Christelijke waardering, omdat zij beiden uitgezonden waren, en dus zij zowel als hun werk achting verdienden. Zij waren waarschijnlijk gezonden om het Evangelie te prediken of op andere wijze voor de gemeenten nuttig te zijn. Zenas wordt de wetgeleerde genoemd, dit kan zijn met betrekking tot de Romeinse en ook tot de Mozaïsche wet, wat zijn beroep geweest is, is twijfelachtig. Apollos was een voortreffelijk en getrouw dienaar. Het begeleiden van zulke mannen op een deel van hun weg en het vergemakkelijken van hun werk en hun reis was een nodige en Gode gevallige dienst. Daaraan te helpen en daarin bezig te zijn, behoorde tot hetgeen de apostel aan Titus opgedragen had te onderwijzen, en hij herhaalt het hier: Dat ook de onzen leren goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn, vers 14. Laat de Christenen, die in God geloofd hebben, leren goede werken voor te staan, vooral het ondersteunen van dienaren in hun prediking van het Evangelie, en daardoor medearbeiders der waarheid worden, 3 Johannes 5-8. Opdat zij niet onvruchtbaar zijn. Het Christendom is geen onvruchtbare belijdenis, zijn belijders moeten vervuld zijn met vruchten der gerechtigheid, welke zijn door Jezus Christus tot heerlijkheid en roem van God. Het is niet genoeg dat zij schadeloos zijn, zij moeten voordelig wezen, het goede doen zowel als het kwade nalaten. Laat de onzen enige goede broodwinning, een behoorlijk beroep zoeken, om zich zelven en hun gezinnen te onderhouden en geen nutteloze last op aarde te zijn. Zo lezen sommigen deze woorden. Laat hen niet denken, dat het Christendom een vrijbrief geeft voor gemakzucht, neen, het legt de verplichting op om enig nuttig werk te verrichten en daarin Gods zegen te verwachten. Dat geeft een goed gerucht en doet den godsdienst door ieder eren, zij mogen geen nutteloze leden van de maatschappij zijn en anderen niet tot last verstrekken, maar instaat zijn om anderen in hun behoeften te helpen. Goede werken voor te staan tot nuttig gebruik, niet leven van den arbeid van anderen, maar zelf bijdragen tot het algemeen welzijn.
IV. De apostel besluit met groeten en zegenbeden, vers 15. Ofschoon zij waarschijnlijk Paulus niet persoonlijk bekend waren (tenminste niet allen), betuigt hij hun zijn liefde en doet hun door Titus zijn beste wensen overbrengen, daardoor erkent hij hem in zijn werk en wijst hem aan om daarin voort te gaan. Het strekt tot grote vertroosting en aanmoediging te weten, dat het hart en de gebeden van andere Christenen voor en met ons zijn.
Groet hen, die ons liefhebben in het geloof, of om des geloofs wille, die onze liefhebbende mede- Christenen zijn. Heiligheid, of het beeld Gods in den mens, is de grote aantrekkelijkheid, die kracht geeft aan alle andere banden, en zij zelf is de beste. De genade zij met u allen. Amen. Dat is de laatste zegenbede, niet voor Titus alleen, maar voor al de gelovigen met hem, hetgeen toont dat, ofschoon de brief in het opschrift alleen den naam van Titus bevat, hij geschreven was ten nutte van de gemeenten aldaar, en dat zij waren voor het oog en in het hart van den apostel toen hij schreef: "De genade zij met u allen", de liefde en de gunst van God, met de vruchten en de gevolgen daarvan, overeenkomstig ieders geestelijke behoeften in het bijzonder, en de aanwas daarvan en het gevoel meer en meer in uwe zielen. Dat is des apostels wens en gebed, tonende zijne genegenheid voor hen, zijne begeerte naar hun welzijn en een middel om de begeerde zaak voor hen te verkrijgen en aan hen mede te delen. Genade is de voornaamste zaak, waarnaar wij hebben te verlangen en waarom wij moeten bidden, zowel voor ons zelven als voor anderen, zij is de samenvatting van alle goeds.
Amen! besluit het gebed, uitdrukkende de begeerte en de hoop dat het zo wezen moge en zo zijn zal.