Efeze 5:1-2
Hier hebben wij een vermaning tot wederzijdse liefde of Christelijke liefdadigheid. De apostel heeft daarop den nadruk gelegd in het voorgaande hoofdstuk en vooral in de laatste verzen, waarheen het woordje dan (zijt dan) verwijst, het verbindende met hetgeen hij daaromtrent in die verzen gezegd had: "Omdat God, om Christus' wil, u vergeven heeft, weest gij navolgers van God, of doet als Hij". De godvrezenden moeten God, dien zij aanbidden, navolgen, zover Hij geopenbaard heeft dat zulks mogelijk is. Zij moeten zich naar dit voorbeeld voegen en Zijn beeld moet in hen vernieuwd worden. Dit legt grote eer op alle praktische godsvrucht, dat ze de navolging van God is. Wij moeten heilig zijn want God is heilig, barmhartig want Hij is barmhartig, volmaakt want Hij is volmaakt. Maar ene eigenschap van God wordt ons vooral ter navolging aanbevolen: Zijne goedheid. Weest navolgers Gods, gelijkt op Hem, in alle deugden, maar bovenal in de liefde en in Zijn vergevende goedheid. God is liefde, en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Als geliefde kinderen, gelijk kinderen (die gewoonlijk teder bemind worden door hun ouders) hen gemeenlijk gelijken in houding en gelaatstrekken, en in geestesaanleg en verstandelijke gaven, of zoals kinderen van God betaamt, die geliefd en bemind worden door hun hemelsen Vader. Kinderen zijn verplicht hun ouders na te volgen in al wat goed is, vooral wanneer ze teder door hen bemind worden. Het karakter, dat we dragen van Gods kinderen te zijn, verplicht ons Hem te gelijken, vooral in Zijn liefde en goedheid, in Zijn barmhartigheid en vergevensgezindheid. En alleen zij zijn geliefde kinderen Gods, die Hem daarin navolgen. Dat volgt: En wandelt in de liefde, vers 2. Deze goddelijke genade moet ons gehele gedrag leiden en bezielen, dat wordt met "wandelen" bedoeld. Het moet het beginsel zijn, waaruit wij handelen, het moet het doel aangeven, waar wij op afgaan. Wij moeten zorg dragen, dat we bewijs geven van onze liefde voor elkaar. Gelijkerwijs Christus ons liefgehad heeft. Hier wijst de apostel ons op het voorbeeld van Christus, hetwelk Christenen geroepen zijn na te volgen, en in wie wij een voorbeeld hebben van de meest vrije en edelmoedige liefde, die ooit bestond, de grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft. Wij allen delen gezamenlijk in die liefde, hebben deel aan haar vertroosting, en moeten daarom elkaar liefhebben, daar Christus ons heeft liefgehad en daarvan het grootste bewijs gegeven heeft, toen Hij zich zelven voor ons heeft overgegeven. De apostel weidt met opzet over dit onderwerp uit, want wat kan ons heerlijker voorwerp voor overdenking aanbieden dan deze liefde? Christus gaf zich zelven voor ons in den dood, en de dood van Christus was de grote offerande tot verzoening. Tot een offerande en een slachtoffer Gode, een offer, een schuldoffer zelfs, om onze schuld weg te nemen, zoals in de ceremoniën van de wet was voorgebeeld, en dat wel tot een welriekenden reuk. Sommigen merken hierbij op, dat de zondoffers nooit een welriekenden reuk genoemd worden, maar dit wordt hier gezegd van het Lam, dat de zonden der wereld wegneemt. Toen Hij zich opofferde met het doel om door God aangenomen te worden, nam God Hem aan, het was Hem aangenaam en Hij werd door deze offerande voldaan. Daar de offerande van Christus Gode aangenaam was, moet Zijn voorbeeld voor ons allen afdoend zijn en wij het zorgvuldig navolgen.