Efeze 6:19-24
I. Hij begeert voor zich zelven hun gebeden, vers 19. Na smeking voor al de heiligen aanbevolen te hebben, voegt hij zich zelven bij hun getal. Wij moeten bidden voor al de heiligen, en vooral voor getrouwe dienaren. Broeders, bidt voor ons dat het Woord des Heeren zijn loop hebbe en verheerlijkt worde. Let op hetgeen, waarvoor hij hun voorbede verzoekt: Opdat mij het woord gegeven worde, dat ik moge ontslagen worden van mijne ketenen en zo vrijheid verkrijge om het geloof van Christus te verbreiden, dat ik bekwaamheid moge ontvangen om mij op begrijpelijke en aannemelijke wijze uit te drukken. In de opening mijns monds met vrijmoedigheid, dat is, dat ik den gehelen raad Gods moge verkondigen, zonder enige lage vrees, schaamte of partijdigheid. Om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken. Sommigen menen dat de apostel hier doelt op dat deel van het Evangelie, dat de roeping der heidenen bevat, en dat dusverre een verborgenheid, maar nu ontdekt, was. Doch het gehele Evangelie was ene verborgenheid, totdat het door goddelijke openbaring bekend gemaakt werd, en het is het werk van Christus' dienaren het bekend te maken, Paulus had grote macht over de taal, men noemde hem Mercurius omdat hij het woord voerde, Handelingen 14:12, maar toch verzocht hij zijn vrienden om van God opening zijns monds voor hem te vragen. Hij was een man van groten moed en toonde dat dikwijls, toch vroeg hij hun om God vrijmoedigheid voor hem af te smeken. Hij wist zo goed als iemand ter wereld wat hij zeggen moest, toch verlangde hij dat zij voor hem bidden zouden opdat hij spreken mocht gelijk het betaamde. De reden, waarmee hij zijn verzoek aandringt, is dat hij voor de zaak des Evangelies was een gezant in een keten, vers 20, Hij was vervolgd en gevangen genomen om de verkondiging van het Evangelie, maar desniettegenstaande ging hij voort in het werk door Christus hem opgedragen, en bleef het prediken. Merk op:
1. Het is niet vreemd voor Christus' dienaren om gebonden te worden.
2. Het is moeilijk voor hen om in dat geval met vrijmoedigheid te spreken.
3. De beste en getrouwste dienaren hebben behoefte aan en zullen voordeel hebben van de gebeden van goede Christenen, en moeten ze derhalve ernstig begeren. Na dus om hun voorbeden gevraagd te hebben:
II. Beveelt hij hun Tychicus aan, vers 21, 22. Hij zond hem met dezen brief, opdat hij hun mocht bekend maken, evenals de andere gemeenten, hetgeen hem aanging en wat hij deed, hoe hij door de Romeinen in zijn gevangenschap behandeld werd, en hoe hij zich in die omstandigheden gedroeg. Het is voor goede dienaren begeerlijk, dat hun Christelijke vrienden hun toestand weten en dat zij bekend worden met de omstandigheden van hun vrienden, want daardoor kunnen zij elkaar des te beter steunen met hun gebeden. Opdat hij uwe harten zou vertroosten, door zulk een verslag van zijn lijden en van de oorzaak daarvan, en van zijn gemoedsgesteldheid en gedrag daaronder, te geven, dat voorkomen werd dat zij door zijn droefenissen kleinmoedig zouden worden, maar er veelmeer reden van dank en vreugde in vinden zouden. Hij zegt hun, dat Tychicus is een geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere. Hij was een oprecht Christen, en als zodanig een geliefde broeder, hij was een getrouw dienaar in het werk van Christus, en hij was Paulus zeer dierbaar. Daardoor kwam Paulus' liefde voor deze Christenen te Efeze des te meer uit, dat hij nu om hunnentwil scheidde van zulk een goeden en dierbaren vriend, terwijl diens gezelschap en omgang hem zelven nu vooral zo verblijdend en nuttig geweest zou zijn. Maar getrouwe dienaren van Christus zijn gewoon het algemeen welzijn boven hun eigen en persoonlijk belang te stellen.
III. Hij besluit met zijn goede wensen en gebeden voor hen, en niet alleen voor hen, maar voor al de broederen, vers 23, 24. Zijn gewone zegenbede was: Genade en vrede. Hier is het: Vrede zij den broederen en liefde met geloof. Met vrede wordt bedoeld alle soorten van vrede, vrede met God, vrede met het geweten, vrede onder elkaar, en ook alle uitwendige voorspoed is er in begrepen. Hij zegt als het ware: Ik wens u den voortduur en de toeneming van alle geluk. En liefde met geloof. Dit verklaart gedeeltelijk wat hij in het volgende vers bedoelt met genade, niet alleen in de fontein, of de liefde en de gunst van God, maar genade in den stroom, de genade van den Geest, voortvloeiende uit dat goddelijk beginsel: geloof en liefde, al het andere inhoudende. Het is de voortzetting en toeneming van dit alles, dat hij voor hen begeert, en dat reeds aanvang genomen had in hen. Er volgt: van God den Vader, enz. Alle genaden en zegeningen komen tot de heiligen van God, door de verdiensten en tussenkomst van onzen Heere Jezus Christus. De laatste zegening is uitgebreider dan de vorige, want daarin bidt hij voor alle ware gelovigen te Efeze en overal elders. Het is het ontwijfelbaar kenmerk van alle heiligen, dat zij onzen Heere Jezus Christus liefhebben. Onze liefde tot Christus is niet aangenaam, tenzij ze oprecht is. In waarheid, wat men ook moge voorgeven, er bestaat geen liefde tot Christus waar geen oprechtheid is. De woorden kunnen ook gelezen worden: Genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderflijkheid , die standvastig blijven in hun liefde tot Hem, zodat zij niet verdorven wordt door enige verlokking tot afdwaling hoegenaamd, en wier liefde voor Hem niet wordt onderbroken door enige tegenovergestelde begeerte, of door liefde voor enig ding, dat Hem mishaagt. Genade, dat is de gunst van God, en alle goed (geestelijk en tijdelijk) dat is het gevolg daarvan, zijn en zullen zijn met allen, die op deze wijze onzen Heere Jezus Christus liefhebben. En het is, -of behoort te zijn-de begeerte en het gebed van ieder, die Christus liefheeft, dat het zo zij met al zijn mede-Christenen.
Amen: zo zij het!