1. Zo bid ik U dan (
Romeinen 12:1), ik de gevangene in de Heere (
Hoofdstuk 3:1.
Filemon 1:9), a) dat u wandelt waardig de roeping, waarmee u geroepen bent (
1 Corinthiërs 7:20.
1 Thessalonicenzen 2:12.
Filippenzen 1:27).
a) Genesis 17:1.
Nadat de apostel zijn lezers heeft voorgehouden wat hen door Gods genade geschonken was, gaat hij nu, evenals ook in zijn overige brieven, in een tweede deel over tot de goede werken, die zij, als de bekeerden en wedergeborenen, voor God moeten verrichten. Een Christelijk geheiligde wandel is de noodzakelijke vrucht en het onmisbaar kenteken van een hart, dat aan Gods genade in Christus gelovig geworden is. Daarom bedient Paulus zich, overgaande tot het paranetische deel van zijn brief, van artikelen, die een gevolgtrekking te kennen geven. Door de woorden: "de gevangene in de Heere" geeft Hij aan zijn vermaning bijzondere indruk. Als een, die voor het Evangelie en tot welzijn van de gemeente lijdt (Hoofdstuk 3:18), heeft hij toch een bijzonder recht, om een ernstig, waarschuwend en bestraffend woord tot de lezers te richten.
Evenals Paulus in zijn banden voor de gemeente lijdt, (Hoofdstuk 3:14), zo vermaant hij ze nu ook. Hij heeft, zegt Theodoretus, meer recht om zich op zijn banden te beroemen, dan een koning op zijn diadeem.
Paulus vermaant nu de Efeziërs te wandelen zoals het past bij de roeping, waarmee zij geroepen zijn. Uit de vorige hoofdstukken hebben zij kunnen zien, tot wat een grote eer zij geroepen zijn. Zij zijn vóór de grondlegging van de wereld verkoren en bestemd tot het kindschap; zij zijn verzegeld met de Heilige Geest tot de rijkdom van de heerlijke erfenis in de hemel: van gasten en vreemdelingen zijn zij geworden medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Hoofdstuk 1:4 v. ; 13 v. ; 2:19). Nu is het hun plicht deze eer niet zelf af te snijden door een verkeerde levenswandel en komt het er op aan, om te wandelen zoals deze roeping dat eist.
Het grootste en voornaamste, waarnaar een Christen zijn uitwendige wandel in de wereld moet richten, is, dat hij zich zelf herinnert en overdenkt, waartoe hij door God geroepen is, d. i. waarom hij een Christen heet en dat hij daarnaar leeft en dat voor de gehele wereld openbaart, namelijk, dat door zijn leven en zijn werk de naam en het woord van God en de Heere Christus wordt geprezen, zoals Christus zelf in Mattheus 5:16 de Zijnen vermaant.