Efeze 6:1-9
Hier hebben wij verdere voorschriften betreffende wederzijdse plichten, waarin de apostel zeer in bijzonderheden treedt.
I. De plicht van kinderen jegens hun ouders.
Komt, gij kinderen, hoort naar mij, ik zal u de vreze des Heeren leren. De grote plicht van kinderen is hun ouders te gehoorzamen, vers 1, daar de ouders de oorsprong van hun bestaan zijn, heeft God en heeft ook de natuur hun macht gegeven om te bevelen, in ondergeschiktheid aan God. En indien de kinderen hun ouders gehoorzaam zijn, wandelen zij op den goeden weg om rechtvaardig te leven. De gehoorzaamheid aan de ouders, welke God van de kinderen eist, omvat innerlijken eerbied, zowel als uitwendig betoon daarvan door daden. Gehoorzaam in den Heere. Sommigen vatten dit op als een beperking, dan zou de bedoeling zijn: gehoorzaam zover bestaanbaar is met uw plicht jegens God. Wij moeten onzen hemelsen Vader niet ongehoorzaam zijn door onze aardse ouders te gehoorzamen, want onze plichten jegens God gaan boven alle andere. Ik neem het echter veel meer als een redengeving: "Kinderen, gehoorzaamt uwe ouders, want de Heere heeft het bevolen, gehoorzaamt hen dus om des Heeren wil en met het oog op Hem". Ook kan het een bijzondere aanduiding van den algemeen en plicht zijn: "Gehoorzaamt uwe ouders voornamelijk in die dingen, die den Heere betreffen. Uwe ouders onderwijzen u goede manieren, daarom moet gij hen gehoorzamen. Zij leren u wat goed is voor uw gezondheid, en daarom moet gij hen gehoorzamen. Maar het voornaamste, waarin gij hen moet gehoorzamen, is hetgeen zij u leren in de dingen des Heeren". Godvrezende ouders leren kun kinderen in de wegen des Heeren te wandelen, Genesis 18:19. Zij bevelen hun den weg van hun plicht jegens God te gaan, en op hun hoede te zijn vooral tegen de zonden, die meest den kinderlijken leeftijd aankleven, en vooral op die punten moeten de kinderen zorgen gehoorzaam te zijn. Er wordt een algemene reden voor gegeven. Want dat is recht. Het is een natuurlijk recht, God heeft het geboden, en het betaamt Christenen in het bijzonder. Het is de natuurlijke orde, dat ouders bevelen en kinderen gehoorzamen. Ofschoon het hard moge klinken, toch is het plicht, en hij behoort vervuld te worden door ieder, die Gode aangenaam zijn wil. Als bewijs daarvoor haalt de apostel het vijfde gebod aan, hetwelk Christus ver was van af te schaffen of te herroepen, Hij kwam integendeel om het te bevestigen, zoals blijkt uit Mattheus 15:4, enz. Eert uw vader en uwe moeder, vers 2, hetgeen omvat eerbied, gehoorzaamheid, hulp en zo nodig ondersteuning. De apostel voegt er aan toe: Hetwelk het eerste gebod is met ene belofte. Hier rijst een kleine moeilijkheid, die wij niet over het hoofd mogen zien. Sommigen, die pleiten voor het geoorloofde van afbeeldingen, halen dit als bewijs aan dat wij niet gebonden zijn aan het tweede gebod. Maar dat is een bewijsvoering zonder kracht. Het tweede gebod heeft geen bepaalde belofte, alleen een algemene verklaring of bevestiging, welke slaat op de gehele wet van Gods barmhartigheid voor duizenden. En bovendien wordt hier niet bedoeld, dat dit het eerste van de tien geboden is, dat een belofte heeft, want geen ander dan dit heeft er ene, en daarom zou het zeer vreemd klinken te zeggen, dat dit het eerste is, maar de bedoeling is: "Dat is een eerste en voornaamste gebod, en het heeft ene belofte, het is het eerste gebod van de tweede tafel en het heeft ene belofte. De belofte is: Opdat het u welga, enz., vers 3. Merk op: De belofte in dit gebod had betrekking op het land Kanaän, maar de apostel doet hier zien, dat deze en andere beloften betreffende Kanaän, welke wij in het Oude Testament vinden, meer algemeen opgevat moeten worden. Opdat men niet zou denken, dat alleen de Joden, aan wie God het land Kanaän gaf, door het vijfde gebod gebonden waren, geeft hij het hier in ruimer zin weer. Opdat het u welga en gij lang leeft. Uitwendige voorspoed en een lang leven zijn de zegeningen, beloofd aan hen, die dit gebod houden. Dat is de wijze, waarop het ons welgaan zal, en gehoorzame kinderen zijn dikwijls beloond met uitwendigen voorspoed. dat zulke kinderen veel droefheid in dit leven ondervinden, maar over het algemeen wordt gehoorzaamheid daarmee beloond, en waar dit het geval niet is, wordt er iets beters voor in plaats gegeven. En merk nu op:
1. Het Evangelie heeft tijdelijke beloften zowel als geestelijke.
2. Ofschoon het gezag van God voldoende moet zijn om ons onzen plicht te doen betrachten, mogen wij ook het oog gevestigd houden op de beloofde beloning.
3. Ofschoon de belofte alleen op tijdelijke zegeningen ziet, mag ze beschouwd worden als een reden en aanmoediging van gehoorzaamheid.
II. De plicht der ouders: En gij vaders, enz., Of: gij ouders.
1. Verwekt uwe kinderen niet tot toorn. Ofschoon God u macht gegeven heeft, moogt gij die macht niet misbruiken, maar moet gij er aan gedachtig zijn, dat uw kinderen in zekeren zin een deel van uzelven zijn, en daarom met grote tederheid en liefde geregeerd moeten worden. Weest niet ongeduldig tegen hen, gebruikt geen onredelijke gestrengheid en legt hun geen ruwe straffen op. Indien gij hen waarschuwt, raad geeft of berispt, doet het op zulk een wijze, dat zij niet tot toorn verwekt worden. Gaat in al zulke gevallen voorzichtig en wijs met hen om, en tracht hun oordeel te overtuigen, werkt op hun rede.
2. Voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren, in de tucht van geschikte en toegenegen verbetering en in de wetenschap van die plichten, welke God hun oplegt en waardoor zij later met Hem bekend worden. Geeft hun een goede opvoeding. Dat is de grote plicht der ouders: zorgvuldig te zijn in de opvoeding hunner kinderen. Niet alleen hen groot te brengen, zoals de wilde dieren doen, en te zorgen dat ze gevoed worden, maar hen op te leiden en te vermanen zoals met hun redelijke natuur overeenkomt. Ja, hen niet alleen als mensen op te voeden en te vermanen, maar als Christenen, in de vermaning des Heeren. Geeft hun een godsdienstige opvoeding. Leert hen de zonde vrezen, en deelt hun de kennis mede van al hun plichten jegens God en vuurt hen daartoe aan.
III. De plichten der dienstbaren. Die worden in een woord samengevat: gehoorzaamheid. Hij weidt hierover het meest uit, wetende dat daaraan de meeste behoefte was. Deze dienstbaren waren gewoonlijk slaven. Burgerlijke dienstbaarheid is niet onbestaanbaar met Christelijke vrijheid. Slaven van mensen kunnen vrijgelatenen des Heeren zijn. Uwe heren naar het vlees, vers 5, dat is: zij die heerschappij over uw lichamen hebben, maar niet over uw zielen en gewetens. Daarover heeft alleen God de beschikking. Met betrekking tot de dienstbaren vermaant hij:
1. Dat zij gehoorzamen met vreze en beven. Zij moeten degenen, die over hen staan, eerbiedigen, vrezen hen te ontstemmen, en er voor beven, dat ze hun gerechte toorn en verontwaardiging zouden opwekken.
2. Dat zij in hun gehoorzaamheid oprecht zijn. In eenvoudigheid uws harten, geen gehoorzaamheid voorwendende wanneer ze ongehoorzaamheid bedoelen, maar hen met getrouwheid dienende.. 3. Dat zij het oog hebben op Jezus Christus in al wat zij voor hun meesters verrichten, vers 5-7. Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet den mensen, dat is: niet alleen of voornamelijk de mensen. Indien dienstbaren, in de vervulling hunner plichten, het oog hebben op Christus, legt dat eer op hun gehoorzaamheid en maakt die aangenaam. Diensten, aan den aardsen meester bewezen met het oog op Hem, worden voor Hem ook aangenaam. Het oog op Christus hebben betekent zich te herinneren, dat Hij hen ziet en altijd bij hen tegenwoordig is, en dat Zijn gezag hen verplicht tot getrouwe en nauwgezette vervulling hunner plichten.
4. Zij mogen hun meesters niet dienen naar ogendienst, vers 6, dat is, alleen omdat des meesters oog hen ziet, maar zij moeten even nauwgezet zijn in de vervulling hunner taak als hij afwezig is, omdat hun Meester in den hemel hen ziet. En daarom mogen zij niet handelen als mensen-behagers, niet om hun meesters welgevallig te zijn, alhoewel het hun onverschillig is of zij Gode aangenaam zijn. Een gedurig opzien tot den Heere Jezus Christus zal de mensen getrouw en nauwgezet maken in elke levenstoestand.
5. Wat zij doen moeten ze gaarne doen: doende den wil Gods van harte, hun meesters dienende zoals God het verlangt: niet grommende, niet onwillig, maar uit het beginsel van liefde voor hen en het hun. Dat is dienen met goedwilligheid, vers 7, waardoor hun dienst voor hen zelven gemakkelijk, voor hun meesters aangenaam en voor den Heere Christus aannemelijk gemaakt wordt. Zij moeten goedwillig voor hun meesters zijn, goedwillig voor de gezinnen waarin ze zijn, en vooral goedwillig om hun plicht jegens God te vervullen. Dienst, met nauwgezetheid en met het oog op God verricht, zelfs aan onrechtvaardige meesters, zal door Christus gerekend worden als aan Hem zelven bewezen.
6. Getrouwe dienstbaren mogen hun lot aan God toevertrouwen, wanneer zij hun plicht in Zijne vreze vervullen. Wetende, dat zo wat goed een iegelijk zal gedaan hebben, vers 8, hoe laag en gering dat op zich zelve beschouwd ook zijn moge, -hij datzelve van den Heere zal ontvangen, dat is het loon daarvoor. Ofschoon de aardse meester hem moge verwaarlozen en misbruiken, in plaats van hem te belonen, zal hij zeker beloond worden door den Heere Christus, hetzij dienstknecht, hetzij vrije, hetzij hij een arme slaaf of een meester zij. Christus let niet op de verschillen, die nu onder de mensen bestaan, en zal er niet op letten in den dag des oordeels. Gij denkt: Een vorst of regeringspersoon, of dienaar, die hier zijn plicht doet, zal zeker in den hemel zijn loon ontvangen, maar wat heb ik, arme slaaf, in mij zelven om mij in de gunst Gods aan te bevelen!" Maar God zal u zeker belonen voor den minsten dienst, verricht uit plichtgevoel en met het oog op Hem. En wat kan er beters gezegd worden om dienstbaren op te wekken en aan te moedigen tot hun plicht!
IV. De plicht der meesters: En gij heren, doet hetzelfde bij hen, vers 9, handelt op dezelfde wijze. Zijt rechtvaardig jegens hen, zoals gij verwacht dat zij jegens u zijn zullen, toont hun dezelfde goedwilligheid en belangstelling, en zorgt dat gij daardoor u Gode aangenaam maakt. Meesters staan onder dezelfde strenge verplichtingen om hun plichten jegens hun dienstbaren te vervullen, als de dienstbaren om hun gehoorzaam en nuttig te zijn. Nalatende de dreiging, anièntes, matigende de dreiging en verschuivende de straffen, waarmee gij hen dreigt. Herinnert u dat uwe bedienden gemaakt zijn uit hetzelfde stof als gij, en wees daarom niet tiranniek of heerszuchtig over hen, als die weet dat ook uw eigen Heere in de hemelen is. Sommige handschriften hebben: beiden hun en uw Heere. Gij hebt een Meester te gehoorzamen, die u dit ten plicht stelt, en gij en zij zijn beiden dienstknechten van Christus. Gij zult even strafbaar zijn als zij voor het verwaarlozen van uw plicht, of voor het handelen daartegen in, al hebben zij in de wereld lager plaats. Gij behoort derhalve aan anderen gunst te bewijzen, indien gij eens hoopt gunst te vinden bij Hem, en met Hem kunt gij u niet meten, al kunt gij hier hard zijn voor uw dienstbaren.
En dat er geen aanneming des persoons bij Hem is. Een rijke, weelderige, algemeen gevierde meester, die onrechtvaardig, heerszuchtig en onredelijk is, wordt door zijn rijkdom, weelde en eer voor God geen haarbreed aangenamer. God zal heren en dienstbaren gelijkelijk roepen voor Zijn onpartijdige rechtbank, en zal den een niet sparen omdat hij aanzienlijker was, of den ander streng behandelen omdat hij geringer was in deze wereld. Indien heren en dienstknechten wilden acht geven op hun betrekking en verplichting jegens God en op de rekenschap, die zij Hem eerlang moeten geven, dan zouden zij zorgvuldiger hun plichten jegens elkaar betrachten. Daarmee besluit de apostel zijne vermaningen omtrent onze plichten jegens elkaar.