Efeze 3:1-13
Hier hebben wij de mededeling, die Paulus aan de Efeziërs doet, betreffende zijne aanstelling door God tot apostel der heidenen.
I. Wij zien dat hij hen deelgenoot maakt van de droefenissen en het lijden, die hij ondervond in de uitoefening van dezen dienst, vers 1. De eerste woorden sluiten aan bij het vorige hoofdstuk, en kunnen op tweeërlei wijze verstaan worden.
1. Om deze oorzaak, omdat ik verkondigd heb de leer in het vorige hoofdstuk vervat, en omdat ik staande houd, dat de grote voorrechten van het Evangelie niet alleen den Joden toekomen, maar ook den gelovigen heidenen, ofschoon zij niet besneden worden, daarom ben ik nu een gevangene, maar een gevangene van Jezus Christus, want ik lijd voor Zijne zaak en blijf Zijn getrouwe dienaar en het voorwerp van Zijn bijzondere bescherming en zorg, terwijl ik dus voor Hem lijd. Merk op: Christus' dienaren, wanneer zij gevangen worden, zijn Zijne gevangenen, en Hij veracht Zijne gevangenen niet. Hij denkt nooit slechter over hen omdat de wereld hen belastert en zij van haar kwade behandeling ondergaan. Paulus bleef zich aan Christus houden en Christus erkende hem, terwijl hij in de gevangenis was. Voor u, die heidenen zijt, de Joden vervolgden en kerkerden hem, omdat hij de apostel der heidenen was en hun het Evangelie verkondigde. Wij kunnen hieruit leren, dat de getrouwe dienaren van Christus Zijn heilige waarheden moeten verkondigen, ook al is dat sommigen onaangenaam en al moeten zij er om lijden. -Of:
2. Deze woorden kunnen verstaan worden: Om deze oorzaak, dat is sinds gij niet meer vreemdelingen en bijwoners zijt, Hoofdstuk 2:19, maar in Christus verenigd en tot Zijne gemeente toegelaten zijt, bid ik, Paulus, die de gevangene van Jezus Christus ben, dat gij moogt bekwaam gemaakt worden om te handelen zoals mensen betaamt, die door God zo begunstigd en deelgenoten aan zulke voorrechten gemaakt zijn. Iets dergelijks leest ge in vers 14, waar hij, na ene uitweiding in de daartussen liggende verzen, het betoog voortzet, in vers 1 begonnen. Merk op: Zij, die van God genade en bijzondere gunsten ontvangen hebben, gevoelen behoefte aan het gebed, opdat zij mogen groeien en toenemen en voortgaan te handelen zoals betamelijk is. En, ziende Paulus als gevangene bezig met het opzenden van zulke gebeden tot God in het belang van de Efeziërs, moeten wij leren, dat geen bijzonder lijden van ons zelven ons zo met ons zelven bezig mag doen zijn, dat wij daardoor de belangen van anderen vergeten in onze gebeden en smekingen tot God. Hij spreekt later opnieuw over zijn lijden, vers 13. Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, hetwelk is uwe heerlijkheid. Terwijl hij in de gevangenis was, leed hij daar veel, en ofschoon het om hunnentwil was dat hij leed, wilde hij niet dat zij daardoor ontmoedigd of neergeslagen zouden worden, ziende welke grote dingen God voor hen gedaan had door zijn dienst. Welk een tedere belangstelling toont hij voor deze Efeziërs! De apostel was meer bezorgd, dat zij ontmoedigd en zwak zouden worden door zijn beproevingen, dan over hetgeen hij zelf leed, en om dat te voorkomen zegt hij dat zijn lijden hun heerlijkheid is. Wel verre van het als een werkelijke ontmoediging te beschouwen, moesten zij het houden voor een oorzaak van heerlijkheid en blijdschap voor hen, want daardoor werd hun geopenbaard hoeveel belang God in hen stelde, dat Hij Zijn apostel zond niet slechts om hun het Evangelie te verkondigen, maar bovendien om voor hen te lijden en de waarheid, die hij predikte, te bevestigen door de vervolgingen, die hij onderging. Niet alleen de getrouwe dienaren van Christus zelf, maar ook hun gemeenten, hebben reden van vreugde en heerlijkheid, wanneer zij lijden voor de zaak van de verbreiding des Evangelies. II. De apostel onderricht hen omtrent zijne aanstelling door God tot den dienst, en hoe Hij hem buitengewoon bekwaam gemaakt en geroepen heeft door een bijzondere openbaring, die Hij hem gaf.
1. God stelde hem tot de bediening aan: Indien gij maar gehoord hebt van de bediening der genade Gods, die mij gegeven is aan u, vers 2. Het kon zijn dat zij daarvan niet gehoord hadden, en daarom wenst hij over die zaak niet twijfelachtig te spreken, eige is soms een bevestigend bijwoord, en dus kunnen wij ook lezen: Sedert gij gehoord hebt enz. Hij noemt het Evangelie hier (gelijk in sommige andere plaatsen) de genade Gods, omdat het een goddelijke gave aan zondige mensen is, en al de genadige ontdekkingen, die het mededeelt, al de blijde tijdingen, die het bevat, voortvloeien uit de rijke genade Gods, en het is dus het grote werktuig in de handen van den Geest, waardoor Gods genade in de zielen der mensen werkt. Hij spreekt van de bedeling dezer genade hun gegeven, hij bedoelt, dat hij gemachtigd en door God gezonden was, om de leer van het Evangelie te verbreiden, welke bediening en machtiging hem voornamelijk voor den dienst onder de heidenen toevertrouwd waren, aan u. En verder, van het Evangelie sprekende, zegt hij: Waarvan ik een dienaar geworden ben enz., vers 7. Hier bevestigt hij ook dat gezag. Hij was geworden (gemaakt) een dienaar, hij had het zich zelven niet gemaakt, hij nam zich zelven die eer niet, -en hij was dat gemaakt naar de gave der genade Gods, die hem gegeven was. God bekwaamde en voorzag hem van gaven voor dat werk, en stond hem in de uitvoering bij met alle nodige gaven en genaden, beide gewone en buitengewone, en dat naar de werking Zijner kracht, voornamelijk in hem, en ook in hen aan wie hij predikte, zodat zijn arbeid onder hen vruchtbaar was. Waar God de mensen toe roept, daartoe bekwaamt Hij hen, en dat doet Hij door almachtige kracht. De gave van goddelijke genade bereikt ene werking van goddelijke kracht.
2. Gelijk God hem tot de bediening aangesteld heeft, zo heeft Hij hem buitengewoon daartoe beroepen door een goddelijke openbaring. Hij maakt melding van het geheimenis, dat hem geopenbaard was, zowel als van de openbaring zelf.
A. Het geopenbaarde geheim is, dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie, vers 6, dat is: zij zijn mede- erfgenamen door het geloof met de Joden van de hemelse erfenis, en zij zijn leden van hetzelfde mystieke lichaam, opgenomen in de gemeente van Christus en deelhebbend aan de beloften van het Evangelie, zowel als de Joden, en voornamelijk aan de grote belofte van den Geest. En dat: in Christus, zijnde verenigd in Christus, in wie alle beloften ja en amen zijn, en door het Evangelie, dat is: in de tijden van het Evangelie, zoals sommigen het verstaan, of: door het Evangelie, dat aan hen verkondigd is en dat het voorname werktuig en middel is, waardoor God het geloof in Christus werkt. Dat was de grote waarheid, aan den apostel geopenbaard, namelijk dat God de heidenen roepen zou tot zaligheid door het geloof in Christus, en zulks zonder de werken der wet.
B. Van de openbaring dezer waarheid spreekt hij vers 3-5. Hier moeten wij opmerken, dat de vereniging van Joden en heidenen in de gemeente des Evangelies een geheim was, een groot geheim, dat bepaald was in den raad Gods voor alle eeuwen, en dat eeuwenlang niet ten volle kon verstaan worden, totdat de vervulling daarvan de profetieën opgehelderd had. Het wordt ene verborgenheid genoemd, ter oorzake van zijn verschillende omstandigheden en bijzonderheden (zoals de tijd, de wijze en de middelen, waarop en waardoor het zou geschieden), welke verborgen en geheim gehouden werden in Gods hart, totdat Hij het door een bijzondere openbaring aan Zijn dienstknecht bekend maakte. Zie Handelingen 26:16-18. En het wordt de verborgenheid van Christus genoemd, omdat het door Hem geopenbaard werd, Galaten 1:12, en omdat het zo bijzondere betrekking op Hem heeft. Daarvan had de apostel tevoren, dat is, even tevoren, in de voorgaande hoofdstukken, enige wenken gegeven. Waaraan gij, dit lezende, of: zoals de woorden ook kunnen vertaald worden: hierop lettende (het is niet genoeg dat wij bloot de Schrift lezen, wij moeten er ook op letten en ter harte nemen hetgeen wij lezen) kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus. Daaraan konden zij bemerken hoe God hem bekwaamd en geroepen had om de apostel der heidenen te zijn, hetwelk voor hen een sterk bewijs voor zijn goddelijk gezag moest wezen. Deze verborgenheid, zegt hij, was in andere eeuwen den kinderen der mensen niet bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten door den Geest, vers 5. Het was niet zo volkomen en duidelijk ontdekt in de eeuwen voor Christus, als het nu is geopenbaard aan de profeten van dezen tijd, de profeten van het Nieuwe Testament, die onmiddellijk door den Geest worden geïnspireerd en onderwezen. Laat ons opmerken, dat de bekering van de heidenwereld door het geloof in Christus een aanbiddelijke verborgenheid was, en wij God daarvoor moeten zegenen. Wie zou zich hebben kunnen voorstellen, dat zij, die zo lang in de duisternis en op zo groten afstand geweest waren, zouden beschenen worden door dat wonderbare licht en nabij gebracht worden? Laat ons hieruit leren dat wij niet mogen twijfelen ook aan de slechtsten, zomin aan de slechtste mensen als aan de slechtste volken. Niets is te moeilijk voor de goddelijke genade, niemand is zo onwaardig, dat het Gode niet behagen kan hem grote genade te geven. En hoeveel belang hebben wij zelven bij deze zaak, niet alleen omdat wij leven in den tijd, waarin deze verborgenheid is geopenbaard, maar voornamelijk omdat wij behoren tot de volken, die in vroegere eeuwen vreemdelingen en bijwoners waren en leefden in grove afgoderij, maar nu verlicht zijn door het eeuwig Evangelie en deelhebben aan Zijne beloften.
III. De apostel deelt hun mede hoe hij tot dezen dienst gebruikt werd, en dat ten opzichte van de heidenen en van alle anderen.
1. Ten opzichte van de heidenen. Hij verkondigde hun den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, vers 8. Merk op in dit vers, hoe nederig hij over zich zelven spreekt, en hoe hoog over Jezus Christus.
A. Hoe nederig hij over zich zelven spreekt.
Mij, den allerminste van al de heiligen. Paulus, de voornaamste der apostelen, noemt zich zelven den allerminste van al de heiligen, omdat hij vroeger een vervolger van de volgelingen van Christus geweest is. Hij was, in zijn eigen schatting, zo gering mogelijk. Wie kan minder zijn dan de minste? Door van zich zelven zo laag mogelijk te spreken, doet hij het lager dan mogelijk is. Merk op: Hen, die God roept tot eervolle bedieningen, maakt Hij nederig en laag in eigen ogen. En God geeft genade om nederig te zijn, waar Hij alle andere genaden geeft. Wij moeten ook opmerken op hoe verschillende wijze de apostel van zich zelven en van zijn dienst spreekt. Terwijl hij zijne bediening verheerlijkt, verlaagt hij zich zelven. Een getrouw dienaar van Christus moet zeer nederig zijn, en zeer gering over zich zelven denken, ook wanneer hij zeer hoog en eervol over zijn heilige bediening spreekt.
B. Hoe hoog hij spreekt over Jezus Christus. De onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Er is een machtige schat van genade, barmhartigheid en liefde verborgen in Christus Jezus, beiden voor Joden en heidenen. Of hier wordt gesproken van de schatten van het Evangelie als van den rijkdom van Christus, den rijkdom, dien Christus verwierf voor en verleent aan al Zijn gelovigen. En dat zijn onnaspeurlijke rijkdommen, waarvan wij het einde niet kunnen vinden, en die door menselijk vernuft nooit hadden kunnen ontdekt worden, en waarvan geen mens enige kennis kon verkrijgen anders dan door openbaring. Het was des apostels roeping en werk te verkondigen dezen onnaspeurlijken rijkdom van Christus onder de heidenen, en hij waardeerde dat als een grote gunst en beschouwde het als een onuitsprekelijke eer voor zich: Mij is deze genade gegeven, deze bijzondere gunst heeft God verleend aan zulk een onwaardige als ik ben. En het is een onuitsprekelijke gunst voor de heidenwereld, dat haar de onnaspeurlijke rijkdom van Christus verkondigd wordt. Ofschoon velen arm blijven en door deze schatten niet verrijkt worden, toch is het een gunst, dat ze onder ons verkondigd worden, dat ze ons worden aangeboden, en wanneer ze ons niet rijk maken, is dat onze eigen schuld.
2. Ten opzichte van alle mensen, vers 9. Zijn bediening en werk was allen te verlichten (het te verkondigen en bekend te maken aan de gehele wereld), welke de gemeenschap en verborgenheid zij (dat de heidenen, die tot hiertoe vreemdelingen voor de gemeente waren, tot haar gemeenschap zouden worden toegelaten), die van alle eeuwen verborgen is geweest in God (geheim gehouden in zijn voornemen), welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, Johannes 1:3. Alle dingen zijn door Hem gemaakt, en zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Daarom is het geen wonder dat Hij heidenen zowel als Joden zalig maakt, want Hij is de Schepper van beiden, en wij mogen besluiten, dat Hij machtig is het werk hunner verlossing te volbrengen, ziende dat Hij machtig was het grote werk der schepping te verrichten. Het is waar dat beide, de eerste schepping, waarbij God alles uit niets maakte, en de nieuwe schepping, waardoor Hij zondaren in nieuwe schepselen verandert door hun bekerende genade te geven, beide van God zijn door Jezus Christus. De apostel voegt er bij: Opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemelde veelvuldige wijsheid Gods, vers 10. Dit was, onder meer, een der doeleinden, welke God had met de openbaring dezer verborgenheid, dat de goede engelen, die een voornaam deel hebben in de regering van de koninkrijken en overheden dezer wereld en die door God begaafd zijn met grote macht om Zijn wil op deze aarde te volvoeren (ofschoon hun gewone verblijfplaats in den hemel is), zouden bekend worden door hetgeen in en aan de gemeente gedaan wordt, met de veelvuldige wijsheid Gods. Dat is de grote verscheidenheid, waarmee Gods wijsheid de dingen beschikt, of Zijn wijsheid, tentoongespreid in de verschillende wegen, die Hij bewandelt om Zijne gemeente te besturen in haar verschillende tijdperken, en voornamelijk in het toelaten tot haar van de heidenen. De heilige engelen, die inzien in de verborgenheid van onze verlossing door Christus, zijn natuurlijk zeer opmerkzaam op dit deel van die verborgenheid, dat onder de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus verkondigd wordt. En dat is naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere, vers 11. Sommigen vertalen de woorden: kata prothesin toon aisonoon, aldus: Overeenkomstig de voorbeschikking van de eeuwen, enz. Dan zou in de eerste eeuwen Zijn wijsheid het geschikt geoordeeld hebben aan den gevallen Adam de belofte van een Zaligmaker te geven, in het tweede tijdperk om den Joden dien Zaligmaker in geheiligde personen af te schaduwen, en in het tijdperk van den Messias om Hem den Joden te openbaren en den heidenen te doen verkondigen. (Dr. Whitby). Anderen verstaan het, in overeenstemming met onze vertaling, van het eeuwig voornemen, dat God opvatte in en door Jezus Christus te volbrengen, alles wat Hij in de grote zaak van des mensen verlossing gedaan heeft volgens Zijn eeuwig besluit ten dien opzichte. Nu de apostel Jezus Christus genoemd heeft, voegt hij met betrekking tot Hem er bij: In wie wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen door het geloof aan Hem, vers 12. Dat is: in, of door, wie wij vrijheid hebben om onze harten voor God open te leggen als voor onzen Vader, en een wel gegronde verwachting van verhoring en aanneming door Hem, en dat door middel van het geloof in Hem, onzen groten Middelaar en Voorspraak. Wij mogen met nederige vrijmoedigheid komen om door God gehoord te worden, wetende dat de schrik van den vloek weggedaan is, en wij mogen verwachten van Hem goede en troostrijke woorden te horen. Wij mogen met vertrouwen toegaan om tot God te spreken, wetende dat wij zulk een Middelaar tussen God en ons, en zulk een Voorspraak bij den Vader hebben.