Efeze 4:2-16
Hier gaat de apostel over tot meer bijzondere vermaningen. Over twee weidt hij in dit hoofdstuk uit. Hij vermaant tot eendracht en liefde, reinheid en heiligheid, waarin Christenen zich zeer moeten oefenen. Wij wandelen niet waardiglijk der roeping, met welke wij geroepen zijn, wanneer wij geen getrouwe vrienden van alle Christenen en gezworen vijanden van alle zonden zijn. Deze afdeling bevat de vermaning tot onderlinge liefde, enigheid en eendracht, met de geschikte middelen en beweegredenen om die te bevorderen. Niets wordt ons in de Schrift ernstiger op het hart gedrukt dan deze deugden. Liefde is de wet van het koninkrijk van Christus, de grote les in Zijn school, het kenteken van Zijn leden.
I. De middelen tot enigheid: ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid en verdragen van elkaar in de liefde, vers 2. Door ootmoedigheid moeten wij hier verstaan nederigheid, laag van ons zelven denken, hetgeen het tegenovergestelde van hoogmoed is. Door zachtmoedigheid die uitnemende gesteldheid der ziel, welke iemand onwillig maakt om anderen te prikkelen, en die niet spoedig geprikkeld of beledigd wordt door anderer onvolkomenheden, zij staat tegen nijdige verwijten en twistzucht over. Lankmoedigheid betekent geduldig dragen van beledigingen, zonder het zoeken naar wraak. Verdragen van elkaar in de liefde is het verdragen van elkanders onvolkomenheden uit het beginsel van liefde en het niet ophouden elkaar lief te hebben ter oorzake van deze. De beste Christenen hebben er behoefte aan elkaar te verdragen, het beste van elkaar te denken en elkanders goede hoedanigheden, niet elkanders hartstochten aan te wakkeren. Wij vinden veel in ons zelven dat wij ons zelven moeilijk vergeven kunnen, en daarom moet het ons niet vreemd voorkomen indien wij ook in anderen iets vinden, dat wij menen hun moeilijk te kunnen vergeven, en toch moeten wij het hun vergeven gelijk wij het ons zelven doen. Zonder deze deugden kan de enigheid niet bewaard blijven. De eerste stap tot enigheid is nederigheid, zonder deze zal er nooit zachtmoedigheid, lankmoedigheid en vergevensgezindheid zijn, en zonder die geen enigheid. Hoogmoed en hartstocht verbreken den vrede en veroorzaken allerlei tweedracht. Nederigheid en zachtmoedigheid herstellen den vrede en bewaren dien. Uit hoogmoed komt gekijf, alleen uit nederigheid komt liefde. Hoe meer liefdegezindheid des te meer gelijkgezindheid. Wij wandelen niet waardiglijk der roeping, met welke wij geroepen zijn, indien wij niet zacht en nederig van hart zijn. Maar Hij, die ons riep, Hij tot wie wij geroepen zijn, was uitnemend in zachtmoedigheid en nederigheid van hart, en heeft ons bevolen dat van Hem te leren.
II. De aard van de enigheid, welke de apostel voorschrijft, is de enigheid des Geestes, vers 3. De zetel van de Christelijke enigheid is het hart of de geest, zij ligt niet in eenvormigheid van denkwijze, niet in eenheid van Godsverering, maar in het een-hart- en-een ziel-zijn. Deze enigheid van hart en genegenheid mag genoemd worden van den Geest te zijn, zij wordt door Hem bewerkt, zij is een van de vruchten des Geestes. Die moeten wij trachten te behouden. Zich benaarstigen is een recht- bijbelse uitdrukking. Wij moeten ons uiterste best doen. Indien anderen met ons twisten willen, moeten wij alle zorg dragen dat wij niet met hen twisten. Indien anderen ons verachten en haten, moeten wij hen niet verachten en haten. Door den band des vredes. Vrede is een band, die de mensen verenigt en maakt dat zij vriendelijk met elkaar omgaan. Een vredelievende gezindheid en gedrag verbindt de Christenen met elkaar, terwijl tweedracht en twist hun harten en genegenheden ontbinden en scheiden. Veel zwakke twijgen worden door samenbinding sterk. De band des vredes is de kracht der gemeenschap. Het laat zich wel niet verwachten, dat alle goede mensen, of alle leden van een gezelschap, in alle dingen dezelfde lengte zullen hebben, allen de- zelfde gevoelens of hetzelfde oordeel, maar desniettegenstaande maakt de band des vredes hen allen een. Een bundel roeden kan van verschillende lengte en kracht zijn, toch zijn zij samen sterker dan de dikste, langste en sterkste op zichzelf.
III. De redenen om die Christelijke enigheid en eendracht te bevorderen. De apostel noemt er verscheidene, om ons er toe te bewegen.
1. Zie hoeveel dingen onze Christelijke belijdenis ons gemeenschappelijk geeft, die onze vreugde en heerlijkheid uitmaken. Wij moeten een van hart zijn, want het is een lichaam en een Geest, vers 4. Twee harten in een lichaam zou monsterachtig zijn. Indien er een lichaam is, dan moeten allen, die tot dat lichaam behoren, samen een hart hebben. De algemene kerk is een mystiek lichaam van Christus, en alle ware Christenen maken samen een lichaam uit, door een oorkonde verenigd, die des Evangelies, bezield door een Geest, dezelfden Heiligen Geest, die door Zijn gaven en genaden dat lichaam levend maakt, bezielt en regeert. Zo wij aan Christus behoren, handelen wij allen door een en dezelfden Geest, en daarom moeten wij een zijn. Gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer beroeping. De hoop wordt hier in plaats van haar voorwerp genoemd, van de zaak waarop gehoopt wordt, de hemelse erfenis, waarop wij geroepen zijn te hopen. Alle Christenen zijn geroepen tot dezelfde hoop van eeuwig leven. Er is een Christus, op wie zij allen hopen, en een hemel, dien ze allen hopen in te gaan, en daarom moeten allen een hart hebben. Een Heere, vers 5, dat is Christus, het hoofd der gemeente, aan wie, door Gods aanstelling, alle Christenen onmiddellijk onderworpen zijn. Een geloof, dat is, het Evangelie, dat de leer van het Christelijk geloof bevat, of het betekent: dezelfde genade des geloofs, (geloof in Christus) waardoor alle Christenen gered worden. Een doop, waardoor wij ons geloof belijden, zijnde gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, dus het sacramenteel verbond, waardoor wij ons aan den Heere Christus overgeven. Een God en Vader van allen, vers 6. Een God, die al de ware leden Zijner gemeente als Zijne kinderen aanneemt, want Hij is hun Vader door bijzondere betrekking, gelijk Hij de Vader van alle mensen is door de schepping, en Hij is boven allen, door Zijn wezen, en ten opzichte van de heerlijke volmaaktheden Zijner natuur en omdat Hij de heerschappij heeft over alle schepselen en voornamelijk over Zijne gemeente, en door allen, door Zijn voorzienige onderhouding en regering, en in u allen, in alle gelovigen, in welken Hij woont als in Zijn heiligen tempel, door Zijn Geest en bijzondere genade. Indien er dus zoveel eenheden zijn, dan behoort er nog een te zijn: een hart, een ziel.
2. Merk op de gaven, welke Christus in grote verscheidenheid aan de Christenen geschonken heeft. Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de mate der gave van Christus, vers 7. Ofschoon de leden van Christus' gemeente in zoveel dingen overeenkomen, zijn er sommige dingen, waarin zij van elkaar verschillen, maar hieruit mag geen verschil van toegenegenheid ontstaan, want al wat zij hebben, ontvingen zij van dezelfden goeden gever en tot hetzelfde doel. Aan ieder van ons Christenen is genade gegeven, een gave van genade, in den een of anderen vorm en graad, opdat wij wederkerig elkaar zouden helpen. Aan ieder der dienaren is genade gegeven, aan den een in meerdere, aan den ander in mindere mate. De verschillende gaven aan de dienaren van Christus waren een grote aanleiding van twist onder de eerste Christenen, de een was voor Paulus en de ander voor Apollos. De apostel toont aan, dat zij geen reden hebben om over hen te twisten, maar alle reden ter wereld om van allen gezamenlijk nut te hebben, voor algemene stichting, want aan ieder hunner is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus, in zulke mate als Christus het best oordeelde aan ieder hunner te geven. Al de dienaren en al de leden van de gemeente van Christus danken de genade en de gaven, die zij hebben, aan Hem, en dat is een goede reden voor ons om elkaar lief te hebben, want een iegelijk onzer is genade gegeven. Allen, aan wie Christus genade gegeven heeft en wie Hij Zijne gaven toevertrouwde (ofschoon zij van verschillende soorten, verschillende namen en verschillende inzichten zijn) behoren elkaar lief te hebben. De apostel neemt hier gelegenheid om enige van de door Christus verleende gaven op te noemen. En dat ze door Christus geschonken zijn, bewijst hij met deze woorden van David, waarin deze dat omtrent Hem voorspelde, Psalm 68:19 :Daarom zegt hij, vers 8, dat is de psalmist zegt: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensenkinderen gaven gegeven. David profeteerde van de hemelvaart van Christus, en de apostel wijst daarop hier en in de volgende drie verzen. Als Hij opgevaren is in de hoogte. Wij mogen dat toepassen op de plaats, waarheen Hij in Zijn menselijke natuur opvoer, dat is, de hoogste hemelen, en vooral op den toestand, waartoe Hij werd bevorderd, zijnde door Zijn Vader uitermate verhoogd en uitnemend verheerlijkt. Laat ons achtslaan op de hemelvaart van Jezus Christus, hoe onze gezegende Verlosser, nadat Hij van de doden opgewekt was, ten hemel gegaan is, waar Hij zit aan de rechterhand der Majesteit in den hoge, waardoor het bewijs volkomen geleverd wordt dat Hij Gods Zoon is. Gelijk grote overwinnaars, wanneer zij in hun- triomfwagens rondreden, gewoon waren hun voornaamste gevangenen in boeien met zich te voeren en hun gaven en weldaden uit te delen onder de soldaten en de toeschouwers van hun zegetocht, zo heeft Christus, toen Hij ten hemel voer, de gevangenis gevangen rondgeleid. Het is een uitdrukking ontleend aan het Oude Testament om ene overwinning van vijanden aan te duiden, voornamelijk over zulke, die vroeger anderen gevangen genomen hadden. De gevangenis wordt hier genoemd in plaats van de gevangenen, en betekent al onze geestelijke vijanden, die vroeger ons gevangen hielden. Hij overwon hen, die ons over- wonnen hadden, de zonde, den duivel en den dood. Inderdaad, Hij zegepraalde over hen aan het kruis, maar de triomf werd volkomen gemaakt door Zijne hemelvaart, toen Hij de Heere werd van allen en de sleutels van dood en hel Hem in handen gesteld werden. En Hij heeft den mensen gaven gegeven, in den psalm staat: Hij heeft gaven genomen. Hij ontving ze om ze onder de mensen uit te delen, een grote menigte van genaden en gaven, voornamelijk verrijkt Hij Zijne discipelen met de gave des Heiligen Geestes. De apostel, dus sprekende van de hemelvaart van Christus, maakt er melding van, dat Hij eerst is nedergedaald, vers 9. Het is alsof hij zeggen wil: "Als David spreekt van de hemelvaart van Christus, toont hij aan dat hij ook wist van Christus' vernedering op aarde, want wanneer gezegd wordt dat Hij is opgevaren, dan sluit dat in dat Hij eerst is nedergedaald, waarvan het eerstgenoemde het bewijs en de mededeling is. In de nederste delen der aarde. Dat kan betrekking hebben op Zijne vleeswording, volgens hetgeen David zegt in Psalm 139:15 :Mijn gebeente was voor u niet verholen als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Het kan ook zien op Zijne begrafenis, volgens Psalm 63:10 :Maar dezen, die mijne ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde. Hij noemt volgens sommigen Zijn dood, Zijn nederdaling in de nederste delen der aarde. Hij daalde op de aarde neer in Zijne vleeswording. Hij daalde in de aarde neer in Zijne begrafenis. Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo was de Zoon des mensen in het hart der aarde. Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is ver boven al de hemelen, vers 10, ver boven de hemelen van lucht en sterren, die zichtbaar zijn, in den hemel der hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou, al de leden Zijner gemeente met gaven en genaden, beantwoordende aan hun verschillende toestanden en roeping. Merk op: Onze Heere vernederde zich eerst alvorens Hij verhoogd werd. Hij daalde eerst neer en voer daarna op. Daarop zegt ons de apostel welke gaven Christus na Zijn hemelvaart uitdeelde. Hij heeft gegeven sommigen tot apostelen, enz. vers 11. Sommigen dezer heeft Hij voor Zijne hemelvaart uitgezonden, Mattheus 10:1-5. Maar een werd hun toegevoegd, Handelingen 1:26. En dezen allen werden plechtig aangesteld en in het openbaar bevestigd in hun bediening, door de zichtbare uitstorting van den Heiligen Geest op buitengewone wijze en in bijzondere mate. De grote gave van Christus bij Zijne hemelvaart aan Zijne gemeente was die van de bediening van vrede en herstelling. De gave dezer bediening is vrucht van Christus' hemelvaart. En de dienaren hebben hun onderscheidene gaven, alle hun geschonken door den Heere Jezus. De dienaren, welke de Heere Jezus aan Zijne gemeente gaf, zijn tweeërlei: buitengewone, tot hoger plaats in Zijne gemeente geroepen, als apostelen, profeten, evangelisten. De apostelen waren de voornaamste. Hen riep Christus onmiddellijk, voorzag hen van buitengewone gaven en wondermacht, en van onfeilbaarheid in het overbrengen der waarheid, en nadat Hij hen getuigen gemaakt had van Zijn wonderen en leer, zond Hij hen uit om het Evangelie te verbreiden en gemeenten te stichten en te regeren. De profeten waren naar het schijnt zij, die de schriften des Ouden Testaments verklaarden en toekomende dingen voorzegden. De evangelisten waren geordende personen, 2 Timotheus 1:6, welken de apostelen als reisgezellen namen, Galaten 2:1, en uitzonden om de kerken te bevestigen, welke de apostelen zelven hadden gesticht, Handelingen 19:22, en die aan geen bepaalde plaats gebonden waren, zij bleven dus tot zij verroepen werden, 2 Timotheus 4:9. En dan zijn er gewone dienaren, tot lager en enger werkkring geroepen: herders en leraars. Sommigen houden het er voor, dat deze beide namen dezelfde betekenis hebben, en in zich bevatten de roeping van te onderwijzen en te regeren. Anderen menen, dat zij twee verschillende diensten aanduiden, beide gewoon en van vaste instelling in de gemeente. Dan zijn de herders zij, die aan het hoofd van bijzondere gemeenten staan, met bedoeling om te leiden en te onderrichten en te voeden op de wijze door Christus voorgeschreven, zij worden gewoonlijk bisschoppen en oudsten genoemd. De leraars zijn dan zij, wier werk het is het Evangelie te verkondigen en het volk te onderwijzen door vermaning. Wij zien hier dat het Christus' recht is in Zijne gemeente de diensten en de dienaren te stellen, die Hij goedvindt. En hoe rijk is de gemeente, die vroeger zulk een verscheidenheid van dienaren had en nog zulk een verscheidenheid van gaven heeft! Hoe vriendelijk is Christus voor Zijne gemeente! Hoe zorgvuldig voor haar en hare opbouwing! Toen Hij opvoer, gaf Hij den Heiligen Geest, en de gaven des Geestes zijn verschillend, sommige zijn groter, andere kleiner, maar alle komen het geheel ten goede. En dit brengt ons tot:
3. De grote bedoeling van Christus in het geven van gaven aan de mensen. De gaven van Christus hebben het welzijn Zijner gemeente tot bedoeling, en dienen om Zijn koninkrijk onder de mensen uit te breiden. Dat al deze gaven dezelfde bedoeling hebben is een goede reden, waarom alle Christenen in broederlijke liefde zullen overeenstemmen en niet elkaar benijden. Alle stukken tot de volmaking der heiligen, vers 12, dat is, volgens de betekenis van het oorspronkelijke woord, om hen, die tot nog toe ontwricht en verdeeld waren door de zonde, in een geordenden geestelijken toestand te brengen, en hen daarin te sterken, te bevestigen en te doen toenemen, opdat ieder in zijn eigen plaats en roeping moge medewerken aan het welzijn van het geheel. Tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus. Tot het werk der uitdeling, dat is om de leer van het Evangelie te verbreiden, en de verscheidene delen van hun bediening behoorlijk uit te oefenen. En zulks om de gemeente op te bouwen, die Christus' mystiek lichaam is, door toeneming van de genade en toevoeging van nieuwe leden. Alles is bedoeld om ons voor te bereiden voor den hemel. Totdat wij allen zullen komen enz., vers 13. De gaven en diensten (immers sommige daarvan), waarvan gesproken is, dienen om de gemeente voort te zetten tot de heiligen volmaakt zijn, hetgeen niet zijn zal voordat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs (tot alle ware gelovigen elkaar ontmoeten door middel van hetzelfde dierbare geloof) en der kennis van den Zone Gods, waardoor wij hebben te verstaan niet een blote bespiegelende kennis, of erkenning van Christus als den Middelaar en den groten Zoon Gods, maar een kennis, die gepaard gaat met waardering, liefde, eerbieding, vertrouwen en gehoorzaamheid. Tot een volkomen man, tot onzen vollen wasdom in genade en gaven, vrij van de kinderlijke onvolkomenheden, waaraan wij in deze wereld onderworpen zijn. Tot de mate van de grootte der volheid van Christus, om Christenen te zijn zo volwassen en rijp in alle genaden, als van Christus' volheid uitgaan, -of, overeenkomstig de grootte, die de volheid van Christus uitmaakt, de volkomenheid van Zijn mystiek lichaam. Nu zullen wij nooit een volkomen man worden, alvorens wij in de volkomen wereld zijn aangekomen. Er is een volheid in Christus en een volheid van Hem te verkrijgen, en een zekere grootte van die volheid en een maat van die grootte zijn bepaald in den raad Gods voor iedere gelovige, en die maat bereiken wij nooit voor wij den hemel zijn binnengegaan. Gods kinderen, zolang zij in deze wereld zijn, groeien. -Dr. Lightfoot meent dat de apostel hier spreekt van Joden en heidenen in enigheid des geloofs samen verbonden en tot een volkomen man gemaakt door de kennis van den Zone Gods, en zo de grootte der volheid van Christus verkrijgende. De apostel toont in de volgende verzen aan wat Gods bedoeling was met Zijn heilige instellingen en welke uitwerking zij op ons behoren te hebben.
A. Dat wij niet meer kinderen zouden zijn enz., vers 14, dat is, dat wij niet langer kinderen zouden zijn in kennis, zwak in het geloof, onstandvastig in ons oordeel, gemakkelijk bezwijkende voor elke verzoeking, gereed om aller gevoelens dadelijk aan te nemen en lettende op ieders wenken. Op kinderen heeft men gemakkelijk invloed. Wij moeten daartegen waken, en niet als de vloed bewogen en omgevoerd worden, als schepen zonder ballast, als wolken in de lucht, door allerlei leer, die geen waarheid en deugdelijkheid in zich heeft, maar zich toch overal verspreidt en doet voelen, en daarom met den wind vergeleken wordt.
Door de bedriegerij der mensen, dat is een woordspeling, die ziet op dobbelaars en betekent de handigheid van valse spelers. Door arglistigheid, waardoor hun gevatheid om te bedriegen en te misleiden bedoeld wordt, want er volgt: om listiglijk tot dwaling te brengen, als in een doolhof, om de zwakken te verschalken en hen van de waarheid af te trekken. Zij moeten zeer ondeugende en goddeloze mensen zijn, die er hun werk van maken om met valse leringen en dwalingen anderen te verleiden en te bedriegen. De apostel beschrijft hen hier als lage mensen, die met dat doel veel duivelse kunst en handigheid aanwenden. Het beste middel om ons tegen dezulken te versterken is zelf de heilige Schriften te bestuderen en te bidden om de voorlichting en genade van den Geest van Christus, opdat wij de waarheid mogen kennen, die in Jezus is en daarin bevestigd worden.
B. Dat wij zouden de waarheid betrachten in liefde, vers 5, of de waarheid in liefde volgen, of oprecht zijn in liefde voor onze mede-Christenen. Terwijl wij de leer van Christus, die de waarheid is, aanhangen, moeten wij in liefde jegens elkaar leven. Liefde is een uitnemende zaak, maar wij moeten zorg dragen dat wij met haar de waarheid bewaren. Waarheid is een uitnemende zaak, maar wij moeten toezien dat wij haar spreken in liefde en niet in twist. Deze beide behoren samen te gaan: waarheid en vrede.
C. Dat wij alleszins zullen opwassen in Christus. Zo in Christus, dat wij al dieper in Hem wortelen. Alleszins, in alle dingen, in kennis, liefde, geloof, in alle delen van den nieuwen mens. Wij moeten groeien tot volwassenheid, het tegenovergestelde van kinderen zijn. Alleen die Christenen worden beter, die opwassen in Christus. Hoe meer wij toenemen in gemeenschap met Christus, in geloof in Hem, in liefde tot Hem, in afhankelijkheid van Hem, des te meer zullen wij bloeien in elke genade. Hij is het hoofd, en wij moeten wassen, opdat we daardoor ons hoofd verheerlijken. De wasdom der Christenen dient tot verheerlijking van Christus.
D. Wij moeten dienstvaardig en hulpvaardig voor elkaar zijn als leden van hetzelfde lichaam, vers 16. De apostel maakt hier een vergelijking tussen een natuurlijk lichaam en het mystieke lichaam van Christus, het lichaam waarvan Christus het hoofd is, en hij merkt op dat er gemeenschap en wederzijdse mededeling tussen de leden van het lichaam moet zijn, om hun groei en volmaking te bevorderen. Zo moet er ook wederzijdse liefde en enigheid, met al haar gezegende gevolgen, zijn tussen de Christenen, om hun zedelijke volmaking en wasdom in de genade te verkrijgen.
Uit welken, zegt hij (dat is uit Christus, hun hoofd, die invloed en voeding aan elk lid in het bijzonder doet toekomen) het gehele lichaam, van Christenen, bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde (ordelijk en stevig met elkaar verenigd, ieder in zijn eigen plaats en roeping), door alle voegselen der toebrenging (door de hulp, welke elk van deze leden, dus samengevoegd, aan het geheel geeft, -of door den Geest, het geloof, de liefde, de sacramenten enz. welke gelijk de aderen en de spieren in het lichaam, dienen om de Christenen verenigd te houden met Christus hun hoofd en met hun medeleden), naar de werking van een iegelijk deel in zijne maat (dat is, volgens sommigen overeenkomstig de macht, welke de Heilige Geest uitoefent om Gods bepaalde middelen vruchtbaar te maken voor hun doel, in zulk een mate als Christus nodig oordeelt en voldoende acht voor elk lid, naar gelang van zijn plaats en roeping in het lichaam, -of, naar de macht van Christus, die als hoofd elk lid beïnvloedt en levend maakt, -of: volgens de dadelijke werking van elk lid, door aan de anderen mede te delen wat hij verkregen heeft, wordt voedsel uitgedeeld naar al de leden, ieder overeenkomstig zijn staat en betekenis), den wasdom des lichaams bekomt (zulk een wasdom als voor het lichaam nodig is). De Christenen ieder in het bijzonder ontvangen hun gaven en genaden van Christus ter wille en ten voordele van het gehele lichaam. Tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Dat kunnen wij op tweeërlei wijze verstaan. Opdat al de leden van de gemeente een grotere mate van liefde voor Christus en voor elkaar mogen bereiken, of dat ze bewogen worden om meer en meer te handelen op de omschreven wijze van liefde voor Christus en elkaar. Wederkerige liefde van de Christenen is zeer bevorderlijk voor hun geestelijken wasdom, door liefde bouwt het lichaam zichzelf op, terwijl een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, niet kan bestaan.