Deuteronomium 5:1-5
I. Mozes roept hier de gehele vergadering op. Hij riep het gehele Israël, niet slechts de oudsten, maar waarschijnlijk zo velen van het volk als binnen het bereik van zijn stem konden komen, vers 1. De grootsten en aanzienlijksten van hen waren niet boven Gods gebod, en de geringsten onder hen waren niet beneden Zijn kennisneming van hen, allen hadden zij er belang bij te horen wat zij allen gehouden en verplicht waren te doen.
II. Hij vraagt hun aandacht: Hoor, Israël, hoor en geef acht, hoor en gedenk, hoor, opdat gij moogt leren, en houden, en doen want anders is uw horen doelloos. Als wij het woord Gods horen, dan moeten wij er ons toe zetten het te leren, opdat wij het bij ons hebben, in ons bezit en bereik hebben bij alle gelegenheden, en wat wij geleerd hebben moeten wij gaan beoefenen, want dat is het doel van horen en leren, niet om ons hoofd te vullen met begrippen, of onze mond met woorden, maar om onze genegenheden en onze wandel recht te maken.
III. Hij verwijst hen naar het verbond, dat met hen gemaakt was bij Horeb, als hetgeen waarnaar zij moeten handelen. Zie de wonderbare goedheid van de Goddelijke genade waardoor Hij het gebod geplaatst heeft in een verbond, opdat wij door onze eigen toestemming zoveel sterker verplicht zijn om te gehoorzamen, en door de Goddelijke belofte er te meer toe aangemoedigd zijn, want die beide worden in het verbond verondersteld. De beloften en bedreigingen, gevoegd bij sommigen van de geboden, zoals bij het tweede, derde en vijfde, maken ze gelijk aan een verbond. Let op:
1. De partijen van dit verbond: God heeft het niet gemaakt met onze vaderen, niet met Abraham, Izak en Jakob, aan hen heeft God het verbond van de besnijdenis gegeven, maar niet dat van de tien geboden. Het licht van de Goddelijke openbaring kwam trapsgewijze, en aan de kinderen werd meer van Gods wet bekend gemaakt dan aan de vaderen. Het verbond werd gemaakt met ons, of met onze onmiddellijke ouders, die ons hebben vertegenwoordigd bij de berg Sinaï.
2. De afkondiging van dat verbond: God zelf heeft als het ware de artikelen er van voor hen gelezen, vers 4. Van aangezicht tot aangezicht heeft de Heere met u gesproken. Woord tot woord, zoals het is in het Chaldeeuws. Niet in duistere visioenen, zoals Hij vanouds tot de vaderen sprak, Job 4:12,13, maar openlijk en duidelijk, zodat al de duizenden Israëls het konden horen en verstaan. Hij sprak tot hen, en ontving toen hun antwoord, en zo werd die zaak behandeld van aangezicht tot aangezicht.
3. De middelaar des verbonds: Mozes stond tussen God en hen, aan de voet van de berg, vers 5 en bracht boodschappen over en weer, beide voor de vaststelling van de preliminariën Exodus 19, en voor de uitwisseling van de ratificatien, Exodus 24. Hierin was Mozes een type van Christus, die staat tussen God en de mens, om ons de woorden des Heeren te tonen, een gezegende scheidsman, die Zijn hand op ons beide gelegd heeft, zodat wij zonder vrees beide van God kunnen horen en tot Hem kunnen spreken.