1. Wanneer1) een man een vrouw zal genomen, zal ondertrouwd, en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij daarna, geen genade zal vinden in zijn ogen, zodat hij begeert de echt met haar te verbreken en van haar te scheiden, omdat hij iets schandelijks 2) aan haargevonden heeft, iets waargenomen heeft, waarover hij zich met reden schaamt en waarom hij afkeer tegen haar voedt, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, waarin hij zich formeel los van haar verklaart en die in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.
1) Wat nu de echtscheiding aangaat, ofschoon deze aan de Joden bij toelating was vergund, heeft Christus echter verklaard, dat zij nooit wettig geoorloofd is geweest, omdat zij met de eerste instelling van God, waarin een eeuwigdurende en onverbrekelijke regel is te zoeken, in openbare strijd is. In het algemeen wordt gezegd, dat de rechten van de natuur niet los te maken zijn. Maar God heeft eenmaal afgekondigd, dat de band van vereniging tussen man en vrouw hechter zijn, dan die van de zoon met de vader. Want indien een zoon het vaderlijk juk niet kan afschudden, dan duldt Hij geen enkele reden om de gemeenschap, welke men met de vrouw heeft, te verbreken. Hieruit blijkt, hoe groot de hardnekkigheid van dit volk is geweest, welke niet heeft kunnen vertederd worden, om die onschendbare en onverbrekelijke band niet te verscheuren. Ondertussen hebben de joden het ten onrechte gemeend, dat hun straffeloos geoorloofd was, wat God wegens de hardheid van hun hart niet heeft willen straffen, omdat zij veeleer het antwoord van Christus hadden moeten tegenspreken, dat het niet in de macht van de mens staat te scheiden, wat God verenigd heeft (Mattheus 19:6). Ondertussen heeft God ervoor willen zorgen, dat, wanneer de vrouw onbillijk verdrukt wordt, het voor haar verkieselijker was, vrij weg gezonden te worden, dan een geheel leven lang te moeten zuchten onder de macht van een wrede tiran..
2)Schandelijk óf naar het lichaam óf naar de geest. In latere tijd, ten tijde van Christus is hier zeer veel over getwist tussen Hillel en Schammai, die ieder aan het hoofd van een school stonden. Hillel uit Babylonië afkomstig en uit het geslacht van David, die omstreeks 70 v. Chr. naar Jeruzalem kwam, om hier de wetten onder de leiding van de schriftgeleerden, Schemaja en Abtaljon, te bestuderen, die zich overdag als lastdrager verhuurde, om het geld voor het onderricht, dat gewoonlijk `s avonds of `s nachts gegeven werd, mee te kunnen brengen, totdat men hem later vrije toegang verschafte, en die door buitengewone ijver en vlijt een van de voornaamste schriftgeleerden van zijn tijd werd, verkreeg op zijn tachtigste levensjaar (circa 30 v.Chr.) de waardigheid van voorzitter in de hoge Raad en had eerst Menahem, toen Schammai als vice-praeses naast zich. Beide mannen waren geheel uiteenlopend in geestes- en gemoedsrichting. Schammai was onverschrokken en streng, onbuigzaam en steil, terwijl Hillel als vriendelijk en zacht wordt afgeschilderd en zijn uitlegging van de wet regelde naar de verhouding van de tijden. Dikwijls genoeg ontstond er daarom tussen hen verschil van mening, dat zich tenslotte in openbare vijandschap oploste, terwijl het zelfs tussen de scholieren van weerskanten tot handtastelijkheden kwam, totdat eindelijk de strijd (volgens de sage door ene Bath-Kol d.i. dochter van de stem (Maleachi 4:6 Johannes 12:28 ), eindigde ten gunste van de Hilelianen. Schammai vatte de Hebreeuwse woorden in deze tekst (Ervat dabßr) op als betrekking hebbende op onkuise daden en een schaamteloos ontuchtig gedrag, waartoe hij ook rekende het dragen van kleren, die het lichaam niet voegzaam bedekten enz. Hillel daarentegen schoof er een "of" tussen, dus: "om iets schandelijks of enige andere zaak." Daartoe werd dus tot Halacha-grondregel gesteld, dat de man om welke reden dan ook, van zijn vrouw mocht scheiden (Mattheus 19:3), al was die rede ook zo nietig; wanneer b.v. een vrouw de soep had laten aanbranden óf (volgens rabbi Akiba *) als een andere vrouw hem beter beviel..
*) Akiba omstreeks het jaar 100 v.Chr. Hij was het hoofd van de school te Bani-Brak Jozua 19:45) nam deel aan de opstand tegen Hadrianus, werd daarin op de gruwelijkste wijze om het leven gebracht en behoort daarom tot de 10 martelaars, die door de Joden tussen nieuwjaar en grote Verzoendag in het gebed herdacht worden.
Het geven van een scheidbrief was overigens tot voordeel van de vrouw; het stond nu de man niet vrij zijn vrouw willekeurig te verstoten zonder reden op te geven. Het gebod komt dus hierop neer, dat geen vrouw zonder scheidbrief mocht verstoten worden en was dus werkelijk voor man en vrouw beide een tegemoetkoming. "Vóór Jesaja wordt niet van een scheidbrief gesproken Jesaja 50:1) dus 700 jaar na het maken van deze wet, en na die tijd slechts zeer zelden.".
Door de juistheid van deze wet, stelt God de rijkdom van Zijn genade in een helder licht, daar Hij zo graag weer verzoend wilde zijn met Zijn volk, dat van Hem afgeweken was (Jeremia. 3:1): "want Zijn gedachten en wegen zijn boven de onze."
In het Hebreeuws weer evenals in hoofdstuk 23:14: rbd twre (Erwath dabar), letterlijk, de schande van de zaak. Ongetwijfeld mag dit niet gezocht worden in overspel, want dan was zij de dood schuldig. Ook niet in vermoeden van overspel, want dan was daar "het water van de zuivering". Het moet dus gezocht worden in iets, wat wel echtbreuk nabij komt, maar het nog niet is, zoals oneerbare kleding, ongepaste scherts, of schandelijke bewegingen, waarvan de Apostel spreekt. De man moest echter dit bedenken, dat voor God de vereniging bleef, en evenzeer dat, wanneer zij een ander man tot vrouw was geworden, zij nooit weer zijn vrouw kon worden. God heeft de scheiding van man en vrouw zo moeilijk mogelijk gemaakt, opdat zij zo weinig mogelijk zou plaatshebben. De tijdgeest van onze dagen, die de echtscheiding zo gemakkelijk mogelijk wil maken, gaat regelrecht tegen Gods verordeningen in.. 4. Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen terugnemen, dat zij hem tot vrouw zij, nadat zij is verontreinigd geworden, 1) door de vleselijke gemeenschap met de tweede man (Vers 2); want dat terugnemen van een vrouw, die gescheiden is en intussen een andere man heeft toebehoord, is een gruwel voor het aangezicht van de HEERE, en gij mag die gruwel niet begaan; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, tot erfgoed geeft. 2)
1)Verontreinigd geworden. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt, dat gebezigd wordt voor echtbreuk en daarmee feitelijk het huwen met een gescheiden vrouw op één lijn gesteld met overspel..
2) Deze eerste vier verzen behoren geheel en al bij elkaar. Zij regelen op een uitstekende wijze het huwelijk. In twee opzichten kon de Mozaïsche wet, omdat zij geen middel bezat, de natuurlijke hardheid van het hart te overwinnen, het stenen hart weg te nemen en een van vlees daarvoor in de plaats te stellen, maar dat voor de heilsopenbaring in de toekomst moest overlaten (Jeremia. 31:31, Ezechiel 36:25, Mattheus 19:8 ). De Goddelijke instelling van de echt in de oorspronkelijke vorm, die aan het wezen van de zaak alleen beantwoordde, niet van kracht doen zijn; maar zag zich veeleer genoodzaakt tot toegevingen of inwilligingen (concessie's) aan de bestaande volksgebruiken. Deels is dit het dulden van polygamie (zie Ex 21:11 en zie Deuteronomium 21:14); deels het toegeven van echtscheiding. Mozes stelt noch het eerste, noch het laatste tot een eigenlijk recht en laat ze veeleer als iets, dat nu toch eenmaal bestaat en door uitwendige, wettelijke dwang niet kan opgeheven worden, onmiddellijk aan het geduld van God over. Bovendien is in zijn boeken het huwelijk niet slechts in volkomen toestand voorgesteld, zoals het was voordat het door de zonde geschonden werd (Genesis 2:18-24); maar ook wordt er door geschiedenissen en leringen gewezen op de monogamie (huwelijk met één vrouw) als de alleen God welgevallige vorm van het huwelijk, en door wettelijke beperkingen wordt de echtscheiding tegengewerkt. Wat betreft het eerste moet van grote invloed geweest zijn: zowel de schildering van de wrange vruchten, die de Patriarchen gesmaakt hadden door het nemen van meerdere vrouwen, als ook voornamelijk de godsdienstige opvatting, die later de profeten hadden over de monogamische echt, als een afschaduwing van Jehova's Verbond met Israël (zie Exodus 34:16). Wat het tweede punt betreft, het tegengaan van echtscheiding, deze wordt juist aan diegenen ontzegd, die de vrouw willen verlagen tot een bloot werktuig van hun zinnelijke lusten (hoofdstuk 22:19,29). Deels is hier ook reeds de nieuwtestamentische uitdrukking van kracht: "wat God tezamen gevoegd heeft, scheidt de mens niet," daar een gescheiden noch een priester, noch haar eerste man mocht trouwen voor de tweede maal, als zij intussen een andere had toebehoord. Zij werd voor verontreinigd beschouwd. Hierdoor is zo duidelijk mogelijk uitgesproken, dat door de echt die twee één vlees worden, en dat zij, die reeds een man heeft toebehoord, niet van een ander worden mag. Haar vroegere echtelijke band is wél door de mensen, niet door God opgeheven, en bestaat in de grond van de zaak nog; haar huidig echtelijk samenleven met een ander is echter streng genomen als echtbreuk te beschouwen. Vergelijk hierbij Leviticus 18:20 en Numeri 5:13, waar de uitdrukking "onrein, zich verontreinigen" gebezigd wordt voor het samenleven na echtbreuk; en dan ook de uitspraak van onze Heere Mattheus 15:9: "Die de verlatene trouwt, doet overspel". Opmerkingswaardig is de benaming van de eerste man Baäl (Heer) terwijl de volgende altijd isch (man) genaamd worden. Bij de heidenen o.a. de Egyptenaren (volgens Abar banel) bestond nergens de wet tegen echtscheiding. "Lycurgus, Solon en Numa veroorloofden volgens Plutarchus om de vrouwen te verruilen"