Deuteronomium 11:1-7
God heeft u gesteld als de sterren des hemels in menigte, zo eindigde het vorige hoofdstuk, daarom zult gij de Heere uw God, liefhebben, zo begint dit hoofdstuk. Zij, die door God opgebouwd worden in gezinnen, wier begin klein was, maar wier laatste grotelijks werd vermeerderd, behoren dit als een argument bij henzelf aan te voeren, waarom zij God moeten dienen. Gij zult Zijn bevel onderhouden, dat is: Zijn woord en de inzettingen van Zijn eredienst, die hun toevertrouwd waren, en waarvoor zij aansprakelijk waren. Het is een uitdrukking, dikwijls gebruikt met betrekking tot het ambt van de priesters en Levieten, want geheel Israël was een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk. Let op het verband tussen deze twee: Gij zult de Heere liefhebben, en Zijn bevel onderhouden, daar liefde gehoorzaamheid zal werken, en alleen die gehoorzaamheid Hem welbehaaglijk is, die voortvloeit uit een beginsel van liefde, 1 Johannes 5:3.
Hij gaat voort met onderscheidene grote en vreeslijke werken Gods te vermelden, die hun ogen hadden gezien, vers 17. Dat deel van zijn rede richt hij tot de ouderen van jaren onder hen, die ook waarschijnlijk het ambt van oudsten bekleedden en zich nu onder zijn onmiddellijk gehoor bevonden. Er waren sommigen onder hen, die zich hun verlossing uit Egypte konden herinneren, allen boven de vijftig jaren oud, en tot hen spreekt hij dit, niet tot de kinderen, die het slechts van horen zeggen wisten, vers 2. Van Gods weldadigheden over ons, toen wij jong waren, moeten wij de gedachtenis en de indrukken behouden als wij oud zijn. Wat onze ogen gezien hebben, inzonderheid in onze jeugd, heeft ons aangedaan, en daarvan moeten wij nog lang een goed gebruik maken.
Zij hadden gezien welke schrikkelijke oordelen God gebracht heeft over de vijanden van Israëls vrede.
1. Over. Farao en de Egyptenaren, die hen tot slaven hadden gemaakt. Welk een schoon land werd door de ene plaag na de andere verdorven en verwoest, teneinde Israëls bevrijding tot stand te brengen! vers 3. Welk een prachtig leger werd bedolven onder de wateren van de Rode Zee, om te voorkomen dat Israël opnieuw tot slavernij zou worden gebracht! vers 4. Aldus heeft Hij Egypte tot hun losgeld gegeven, Jesaja 43:3. Veeleer zal dat vermaarde koninkrijk verwoest worden, dan dat Israël niet zal worden bevrijd.
2. Over Dathan en Abiram, die hen verstoorden. Gedenkt wat Hij gedaan heeft in de woestijn, door hoeveel noodzakelijke kastijdingen- zoals zij genoemd worden in vers 2 zij er van teruggehouden werden om zich in het verderf te storten. Inzonderheid toen die stoutmoedige Rubenieten het gezag van Mozes tartten, en zich aan het hoofd stelden van een gevaarlijke rebellie tegen God zelf, die de gehele natie met de ondergang bedreigde, en er ook in geëindigd zou zijn, indien de Goddelijke macht de opstand niet terstond onderdrukt had, door de rebellen revend te begraven, hen, en alles dat in hun bezit was, vers 6. Wat tegen hen was gedaan. werd, hoewel verkeerd uitgelegd door de partij van de misnoegden, Numeri 16:41, in werkelijkheid in liefde tot Israël gedaan. Behouden te worden van het kwaad van de rebellie in het eigen land is een even grote weldaad voor een volk, en legt hen daarom onder even sterke verplichting, als bescherming tegen de invallen van een buitenlandse vijand.