Deuteronomium 29:10-29
Uit de lengte van de volzinnen hier, en het overvloedige en scherpe van deze uitdrukkingen, kan men opmaken dat Mozes, nu hij het slot van zijn rede nadert, zeer warm en vurig was, en zeer begerig om hetgeen hij gezegd had in te prenten in het hart van dit onnadenkende volk. Om hen te sterken aan God en hun plicht te verbinden, sluit hij (als het ware) met grote plechtigheid van uitdrukking (welke in de plaats treedt van de uitwendige plechtstatigheid, die gebruikt was in Exodus 24:4 en verv.) een verdrag tussen hen en God, een eeuwig verbond, dat God niet zou en zij niet moesten vergeten. Hij vraagt niet om hun bepaalde, duidelijke toestemming, maar stelt hun de zaak duidelijk voor ogen, en laat haar dan verder tussen God en hun eigen geweten.
Merk op:
I. De partijen van dit verbond of verdrag.
1. Het is de Heere, hun God, met wie zij een verbond aangaan, vers 12. Aan Hem moeten zij zich overgeven, aan Hem moeten zij zich verbinden. Het is Zijn eed, Hij heeft het verbond opgemaakt en vastgesteld, Hij eist uw instemming er mede. Hij heeft het u gezworen, en gij moet het Hem zweren. Dit eist van ons oprecht en ernstig te zijn, nederig en eerbiedig in onze verbondshandelingen met God, gedenkende hoe groot een God Hij is, met wie wij in verbond zijn, die ons volkomen kent en een volstrekte heerschappij over ons heeft.
2. Zij moeten allen in het verbond met Hem worden opgenomen. Allen waren zij opgeroepen om voor God te verschijnen, vers 2, en zij geven aan de oproeping gehoor, en nu wordt hun gezegd vers 10, wat het doel was van hun verschijnen voor God en corps- zij moesten met Hem in verbond treden.
a. Zelfs hun grote mannen, de oversten van hun stammen, hun oudsten en ambtlieden, moeten het geen verkleining achten van hun eer of een vermindering van hun macht, om hun hals te buigen onder dit juk. Veeleer moeten zij het eerst in dit verbond treden, ten einde een goed voorbeeld te geven aan hun minderen.
b. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en kinderen moeten in dit verbond komen, hoewel zij niet geteld en gemonsterd waren, moeten zij zich tot de Heere voegen, vers 11. Zelfs kinderen zijn instaat om in het verbond met God te worden opgenomen, en moeten met hun ouders worden toegelaten. Kinderkens, zo klein nog, dat zij op de arm gedragen worden moeten tot Christus worden gebracht, en zullen door Hem gezegend worden want voor hen was en is het koninkrijk Gods.
c. Niet alleen de mannen van Israël, maar de vreemdeling, die in hun leger was, mits hij inzover tot hun Godsdienst was overgegaan, dat hij alle valse goden had verzaakt, moest in dit verbond met de God Israëls worden opgenomen, nademaal ook hij, of schoon een vreemdeling, in deze zaak als een zoon Abrahams beschouwd meest worden, Lukas 19:9. Dit was reeds vroeg een aanduiding van gunst jegens de heidenen en van de goedertierenheid, die God voor hen had weggelegd.
d. Niet slechts de vrijen, maar ook de houthakkers en de waterputters, de geringste werklieden, die zich onder hen bevonden. Gelijk niemand te groot is of te aanzienlijk om onder de verplichtingen van het verbond te komen, zo is ook niemand te gering om de zegeningen van het verbond te beerven. In Christus wordt geen verschil gemaakt tussen dienstknecht en vrije, Colossenzen 3:11. Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen? Laat u dat niet bekommeren. 1 Corinthiërs 7:21.
e.Niet alleen degenen, die nu voor God tegenwoordig waren in deze plechtige vergadering, maar ook zij, die niet hier bij hen waren, werden in het verbond opgenomen, vers 15. Gelijk als met hem, die hier bij ons staat, (aldus denkt bisschop Patrick dat de zin overgezet moest worden) zo ook met hem, die heden niet bij ons is, dat is:
a.a. Degenen, die tehuis bleven, waren er mee in opgenomen. Al werden zij teruggehouden, hetzij door ziekte, of door nodige zaken, moeten zij toch niet denken, dat zij onder geen verplichting zijn gekomen, neen, iedere Israëliet deelt in de algemene zegen, zij, die tehuis blijven, delen in de buit, en daarom moet ook ieder Israëliet zich gebonden achten door de toestemming van het vertegenwoordigende lichaam. Zij, die niet kunnen opgaan naar het huis des Heeren, moeten geestelijke gemeenschap onderhouden met hen, die wel opgaan, en afwezig zijnde naar het lichaam, in de geest tegenwoordig zijn.
b.b. De toekomende geslachten zijn er mee in begrepen. Ja één van de Chaldeeuwse paraphrasten leest hier: Al de geslachten, die er geweest zijn, van de eerste dagen van de wereld af, en allen, die onfstaan zullen tot aan het einde van de wereld, staan heden hier met ons. En aldus dit verbond nemende als een type van het verbond van de genade, is het een groot en heerlijk getuigenis van de Middelaar van dat verbond, die dezelfde is gisteren, en heden, en tot in eeuwigheid.
II. De korte inhoud van dit verbond: al de geboden, en al de beloften van het verbond zijn begrepen in de verbondsbetrekking tussen God en hen, vers 13. Dat zij gesteld en bevestigd zouden worden om Hem een volk te zijn, Hem waar te nemen en te gehoorzamen, toegewijd te zijn aan Hem, afhankelijk te zijn van Hem, en dat Hij hun tot een God zou zijn, overeenkomstig het verbond, gemaakt met hun vaderen, om hen heilig, hoog en gelukkig te maken. Hun vaderen worden hier genoemd Abraham, Izak en Jakob, als voorbeelden van vroomheid, die zij zich moesten beijveren na te volgen, die voor zich nut en voordeel verwachtten van het verbond, dat met hen gemaakt was Een juiste beschonwing van de betrekking waarin wij staan tot God als onze God, en van de verplichting, die op ons rust als Zijn volk, is genoeg om ons tot al de plichten en al de vertroostingen te brengen van het verbond.
III. Het voornaamste doel van de vernieuwing van dit verbond op die tijd, was hen te versterken tegen de verzoekingen van afgoderij. Hoewel ook andere zonden het verderf zullen zijn van de zondaar, was dit de zonde, die waarschijnlijk hen ten verderve zal brengen. Hieromtrent nu toont hij hun:
1. Het gevaar, waarin zij zich bevonden om er toe verzocht te worden, vers 16, 17,. Gij weet hoe wij in Egypteland gewoond hebben, een land, overgegeven aan afgoderij, en het ware te wensen dat er niet sommige overblijfselen van de besmetting van die afgoderij onder u waren. Wij zijn doorgetogen door het midden van andere volken, de Edomieten, Moabieten, enz, en hebben hun verfoeiselen gezien, en hun drekgoden, en sommigen onder u waren hun misschien maar al te zeer genegen, en hunkeren nog naar hen, en zouden liever een houten god aanbidden, die zij kunnen zien, dan een oneindigen Geest, die zij nooit gezien hebben. Het is te hopen dat er de zodanigen onder hen waren, die, hoe meer zij van die verfoeiselen en drekgoden zagen, hoe meer afkerig er van werden en ze haatten, maar er waren onder hen, die ze zagen en er door bekoord werden, de gevloekte dingen zagen en ze begeerden.
2. Het gevaar, waarin zij verkeerden, indien zij toegaven aan de verzoeking, het was op hun gevaar zo zij God verlieten om afgoden te gaan dienen. Indien zij zich niet wilden laten binden en weerhouden door de geboden van het verbond, dan zullen zij bevinden dat de vloeken van het verbond sterk genoeg zullen zijn om hen te binden en gebonden te houden.
A. Afgoderij zal het verderf wezen van particuliere personen en van hun gezin, vers 18-21 waar wij:
a. De zondaar zien beschreven, vers 18. Ten eerste. Hij is iemand, die zijn hart afwendt van zijn God, daar begint het kwaad, in het boos ongelovig hart, dat de mensen neigt om af te wijken van de levenden God naar dode afgoden. Tot die zonde zelfs worden de mensen verzocht, als zij van hun eigen begeerlijkheden afgetrokken en verlokt worden. Zij, die beginnen zich van God af te wenden door hun plicht jegens Hem te veronachizamen, worden gemakkelijk naar andere goden heengetrokken, en zij, die andere goden dienen, wenden zich zeer zeker af van de ware God, want Hij laat geen mededingers toe, Hij wil alles wezen, of niets. Ten tweede. Hij is een wortel, die gal en alsem draagt, dat is: hij is een gevaarlijk man, die zelf vergiftigd zijnde door slechte beginselen en neigingen, met een verborgen minachting van de God Israëls en Zijn inzettingen, en een verering voor de goden van de volkeren, door alle mogelijke middelen anderen zoekt te verderven en te vergiftigen, en hen naar afgoderij te trekken, dat is de man wiens vrucht een vergiftig kruid aldus is dit woord overgezet in Hosea 10:4 is, en alsem, het is zeer onaangenaam aan God en zal aan allen, die door hem verleid zijn, in het laatste bitterheid wezen. Daarnaar wordt verwezen door de apostel, Hebreeën 12:15, waar hij op gelijke wijze vermaant om zich te hoeden voor hen, die ons van het Christelijk geloof willen aflokken, zij zijn het onkruid op de akker, dat, als men het laat geworden, zich over de gehele akker zal uitspreiden. Een weinig van deze zuurdesem zal het gehele deeg doorzuren.
b. Zijn gerustheid in de zonde. Hij belooft zich straffeloosheid, al volhardt hij ook in zijn goddeloosheid, vers 19. Hoewel hij de woorden van de vloek hoort zodat hij op geen onwetendheid van het gevaar kan pleiten zoals andere afgodendienaars, zegent hij zich nog in zijn hart, acht hij zich veilig tegen de toorn van de God Israëls, onder de bescherming van zijn afgoden, en daarom zegt hij: ik zal vrede hebben, hoewel ik in mijn godsdienst niet geregeerd word door Gods inzettingen, maar door mijn eigen verzinsel, om dronkenschap tot de dorst te voegen, de ene boze daad bij de andere. Afgodendienaars waren als dronkaards, zelf heftig gesteld op hun afgoden, en zeer vlijtig om er ook anderen toe te brengen. Hun afgoderijen gingen meestal gepaard met brasserijen, 1 Petrus 4:3, zodat dit een wee uitspreekt over dronkaards (inzonderheid de dronkenen van Efraïm) die, als zij ontwaken, dorstig zijnde, de wijn nog meer zoeken, Spreuken 23:35. En zij, die zich dronken maakten ter ere van hun afgoden, waren de ergste dronkaards. Er zijn velen, die onder de vloek Gods zijn en zich toch zegenen, maar weldra zullen zij bevinden dat zij in dit zegenen van zichzelf zichzelf slechts bedriegen. Diegenen zijn rijp voor het verderf, en er is weinig hoop op hun bekering, die zichzelf hebben doen geloven dat zij vrede zullen hebben, al blijven zij ook op hun zondige weg. Dronkenschap is een zonde, die het hart verhardt, en het geweten verkracht, evenzeer als iedere andere zonde, een zonde, tot welke de mensen zelf verwonderlijk verzocht zijn, zelfs als zij er nog onlangs het kwaad van hebben ondervonden, en tot welke zij verwonderlijk gaarne anderen verleiden, Habakuk 2:15. En zulke verstrikkende zonde is afgoderij.
c. Gods rechtvaardige strengheid jegens hem voor de zonde, en voor de gruwelijke belediging, God aangedaan, door te zeggen, dat hij vrede zal hebben, al bleef hij ook op zijn zondige weg, aldus de eeuwige waarheid logenstraffende, Genesis 3:4. Er is in geheel het boek Gods nauwelijks een bedreiging, die schrikkelijker is dan deze. O dat trotse zondaars haar mochten lezen en sidderen! Want het is geen ijdel schrikbeeld om kinderen en zotten vrees aan te jagen, maar een werkelijke aankondiging van de toorn Gods tegen de goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, vers 20, 21. Ten eerste. De Heere zal hem niet willen vergeven. De dagen van zijn uitstel, die hij misbruikt, zullen verkort worden, en in het midden des oordeels zal aan geen barmhartigheid gedacht worden. Ten tweede. De toorn des Heeren en Zijn ijver, die de heftigste toorn is, zal roken over die man, zoals de rook van een oven. Ten derde. Al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen, niet op hem vallen om hem te verschrikken, maar op hem blijven om hem in de diepste hel te doen verzinken, Johannes 3:36. Ten vierde. Zijn naam zal uitgedelgd worden, dat is: hijzelf zal uitgeroeid worden en zijn gedachtenis met hem vergaan. Ten vijfde. Hij zal ten kwade worden afgescheiden, hetgeen het meest juiste denkbeeld is van een vloek, hij zal buitengesloten worden van alle geluk en alle hoop er op, en zonder herstel getekend zijn voor de rampzaligheid. En eindelijk, dit alles naar alle vloeken des verbonds, die de ontzettendste vloeken zijn, daar zij de rechtvaardige wraak zijn van misbruikte genade.
B. Afgoderij zal het verderf zijn van hun volk, zij zal plagen brengen over het land, dat medeplichtig was aan de zonde, door deze wortel van de bitterheid te laten voortgroeien, en er de besmetting van aannam, zover de zonde zich heeft verspreid, zover zal ook het oordeel zich verspreiden.
a. Het verderf wordt beschreven. Het begint met plagen en krankheden, vers 22, om te zien, of zij door de mindere oordelen tot bekering gebracht kunnen worden maar zo niet, dan eindigt het in een algehele omkering, zoals die van Sodom vers 23. Gelijk dit dal, dat vanwege zijn vruchtbaarheid als de hof des Heeren was, in een poel van zout en sulfer veranderd was, zo zal het land Kanaän woest en onvruchtbaar gemaakt worden, zoals het ook is sedert de laatste verwoesting door de Romeinen. De zee van Sodom grensde aan het land Israëls, opdat zij er door gewaarschuwd zouden worden tegen de goddeloosheid van Sodom, maar, die waarschuwing niet ter harte genomen hebbende, zijn zij als Sodom gemaakt in verderf, zoals zij als Sodom waren in de zonde.
b. Er wordt gevraagd naar de reden hiervan, en die reden wordt opgegeven. Ten eerste. Er zal naar gevraagd worden door het navolgend geslacht, vers 22, dat de toestand van hun volk in alle opzichten het tegenovergestelde zal vinden van wat hij geweest is, en als het beide de geschienis en de belofte zullen lezen, verbaasd zal wezen over de verandering. Ook de vreemdeling en de omwonende volken, zowel als particuliere personen, zullen vrager: Waarom heeft de Heere dit land alzo gedaan? vers 24. Grote verwoestingen worden ook elders voorgesteld als treffende de toeschouwers met verbazing, 1 Koningen 9:8, 9, , Jesaja 22:8, 9. Het was tijd voor de naburen om te beven, toen het oordeel aldus begon met het huis Gods, 1 Petrus 4:17. De nadruk moet in deze vraag gelegd worden op dit land, het land Kanaän, dit goede land, de roem van alle landen, dit land vloeiende van melk en honing. Hoe betreurenswaardig dat zo goed een land als dit woest wordt gemaakt! Maar dit is nog niet alles, het is dit heilige land, het land Israëls, van een volk in verbond met God, het is Immanuëls land, een land, waar God gekend en aangebeden werd, en toch aldus verwoest! Het is geen nieuwe zaak voor God om verwoestende oordelen te brengen over een volk, dat in belijdenis Hem na is, Amos 3:2. Hij doet dit nooit zonder een gegronde reden. Het is van belang voor ons om naar die reden te vragen, opdat wij Gode de eer geven, en er ons door laten waarschuwen. Ten tweede. De reden is hier opgegeven in antwoord op die vraag. De zaak zal zo eenvoudig, zo duidelijk wezen, dat alle mensen zullen zeggen: Het was omdat zij het verbond des Heeren, des Gods hunner vaderen, hebben verlaten, vers 25. Nooit verlaat God de mensen, voordat zij eerst Hem hebben verlaten. Maar zij, die de God hunner vaderen verlaten, worden rechtvaardig uit het erfdeel hunner vaderen geworpen. Zij zijn heengegaan en hebben andere goden gediend vers 26, goden met welke zij niet bekend waren en waar zij geen verplichting aan hadden, hetzij uit plicht of uit dankbaarheid, want God heeft de schepselen niet gegeven om door ons gediend te worden, maar om ons te dienen, ook hebben zij ons generlei goed gedaan (zoals sommigen de zin lezen) meer dan waartoe God ze bekwaam gemaakt heeft, aan de Schepper dus zijn wij schuldenaren, en niet aan de schepselen. Het was daarom dat de toorn des Heeren ontstoken is over dit land, vers 27, en dat Hij hen uit hun land heeft uitgetrokken, vers 28. Zodat, hoe schrikkelijk ook de verwoesting was, de Heere er rechtvaardig in geweest is, hetgeen erkend wordt in Daniël 9:1-1, 12." Aldus, zegt Ainsworth, laat de wet van Mozes de zondaren onder de vloek, en uitgetrokken uit des Heeren land, maar de genade van Christus jegens de berouw hebbende, gelovige zondaren, plant hen weer in hun land en zij zullen niet meer worden uitgerukt, bewaard zijnde in de kracht Gods", Amos 9:15.
Eindelijk. Hij besluit zijn profetie van de verwerping van de Joden, zoals Paulus zijn rede besluit over hetzelfde onderwerp in Romeinen 11:33. Hoe ondoorzoekelijk zijn Gods oordelen en onnaspeurlijk zijn wegen! Zo hier vers 29. De verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God. Sommigen maken het tot een zinsnede: De verborgen dingen van de Heere, onze God, zijn geopenbaard aan ons en onze kinderen, zover als wij er belang bij hebben ze te kennen, en zo heeft Hij niet met andere natiën gedaan, maar wij maken er twee volzinnen van, door welke:
1. Het ons verboden is nieuwsgierig naar de verborgen raadsbesluiten Gods te vragen en ze te beslissen. Er wordt een volledig antwoord gegeven op de vraag: Waarom heeft de Heere dit land alzo gedaan, voldoende om God te rechtvaardigen en ons te vermanen en te waarschuwen. Maar indien men nu nog verder ging vragen, waarom God al die wonderen gedaan heeft om zo'n volk te formeren welks afval en verderf Hij toch duidelijk voorzag? Waarom heeft Hij die afval en dat verderf niet door Zijn almachtige genade verhinderd? Of, wat Hij nu nog voornemens is met hen te doen? Zo laat zulke vragers weten, dat dit vragen zijn, die niet beantwoord kunnen worden, en dat het dus niet voegzaam is ze te doen. Het is hoogmoed en aanmatiging in ons om in de Arcana Imperij de verborgenheden van de regering te willen blikken en naar redenen van staat te vragen, die het ons niet toekomt te weten. Zie Handelingen 1:7, Johannes 21:22, Colossenzen 2:18.
2. Wij worden geleid en aangemoedigd om naastig te onderzoeken naar hetgeen God bekend gemaakt heeft, de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen. Hoewel God veel van Zijn raad verborgen heeft gehouden is er toch genoeg geopenbaard om ons te voldoen en ons zalig te maken. Hij heeft niets achtergehouden van hetgeen ons nuttig is, maar alleen datgene, waaromtrent het goed voor ons is onwetend te zijn. Wij behoren ons en ook onze kinderen, bekend te maken met de dingen Gods, die geopenbaard zijn, het is ons niet alleen vergund ze te onderzoeken en te doorvorsen, maar het is ons belang om dit te doen, het zijn dingen, die ons en de onze aangaan. Het zijn de regelen, waarnaar wij moeten leven, de schenkingen, waarop wij moeten leven en teren, en daarom moeten wij zelf ze naarstig leren, en ze vlijtig onze kinderen leren. Al onze kennis moet ons leiden tot het in beoefening brengen, want dat is het doel van alle Goddelijke openbaring, niet ons te voorzien van vreemde onderwerpen voorbespiegeling en redenering, waarmee wij onszelf en onze vrienden vermaken, maar opdat wij doen al de woorden van deze wet, en in ons doen gezegend zullen zijn.