Deuteronomium 28:15-44
De heldere zijde van de wolk beschouwd hebbende, die gekeerd is naar hen, die gehoorzaam zijn, wordt ons nu de zwarte, donkere zijde gewezen, die naar de ongehoorzame is gekeerd. Indien wij Gods geboden niet houden, derven wij niet slechts de beloofde zegen maar brengen ons onder de vloek, die alle ellende omvat, zoals in de zegen alle geluk is opgesloten. Let op:
1. De billijkheid van deze vloek. Het is geen vloek zonder oorzaak, of om een geringe nietige oorzaak, God zoekt geen gelegenheid tegen ons, en evenmin is Hij geneigd om met ons te twisten. Wat hier genoemd wordt als brengende de vloek, is:
1. Een verachten van God, het weigeren om aan Zijn stem gehoorzaam te zijn, vers 15, dat de hoogst-mogelijke minachting is, alsof het niet van de moeite waard is om op hetgeen Hij zegt acht te slaan, en alsof wij onder geen verplichting tot Hem stonden.
2. Hem ongehoorzaam te zijn door Zijn geboden niet waar te nemen en te doen. Niemand valt onder Zijn vloek dan zij, die rebelleren tegen Zijn gebod.
3. Hem te verlaten. Het is vanwege de boosheid uwer werken, waarmee gij Mij niet slechts hebt geminacht, maar waarmee gij Mij hebt verlaten, vers 20. Nooit verstoot God ons voor wij Hem hebben verlaten. Het geeft te kennen dat hun afgoderij, waardoor zij de ware God zullen verlaten voor valse goden, de zonde zal wezen, die hen meer dan enigerlei andere, te gronde zal richten.
II. De uitgestrektheid en kracht van deze vloek. Deze vloeken zullen over u komen van boven en u treffen, gij zult pogen er aan te ontkomen, maar tevergeefs, zij zullen u volgen waar gij ook heengaat, u aangrijpen en u overmogen, vers 15. Van de zondaar wordt gezegd dat hij, als Gods toorn hem achtervolgt, snel van Zijn hand zou willen vluchten, Job 27:22, maar hij kan niet, hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten. Er is geen weglopen van God dan door tot Hem te lopen, geen wegvlieden van Zijn gerechtigheid dan door de toevlucht te nemen tot Zijn genade. Psalm 21:9.
1. Waar de zondaar ook heengaat, Gods vloek zal hem volgen, waar hij ook is, hij blijft op hem. Hij is vervloekt in de stad en in het veld, vers 16. De sterkte van de stad kan hem er niet tegen beschutten, de aangename buitenlucht op het land weert de pestdampen niet van hem af. Hij is vervloekt, vers 19, als hij ingaat, want de vloek des Heeren is in het huis des goddelozen, Spreuken 3:33, en hij is vervloekt als hij uitgaat, want hij kan die vloek niet achterlaten, noch er zich van bevrijden, die tot zijn binnenste is ingegaan als het water, en als de olie in zijn beenderen.
2. Al wat hij heeft, is onder de vloek. Vervloekt is het aardrijk om zijnentwil, en alles wat er op is, of er uit voortkomt, en zo is hij, als Cham, vervloekt van de aardbodem, Genesis 4:11. De korf en baktrog vervloekt, vers 17, 18. Daar hij al zijn genietingen verbeurd heeft, zijn zij hem in zekeren zin ontzegd, als gevloekte zaken, waarop hij geen recht heeft. Voor hen, wier verstand en geweten bevlekt is zijn ook alle andere dingen bevlekt, Titus 1:15. Alles is hem verbitterd, hij kan er geen ware lieflijkheid in vinden, want de toorn Gods vermengt er zich mede, en het is er zó ver vandaan enigerlei zekerheid te hebben, dat zij blijvend voor hem zijn, dat hij, zo zijn ogen geopend zijn, ze allen veroordeeld kan zien en verbeurd verklaard, en daarmee ook al zijn blijdschap en al zijn hoop tot in eeuwigheid. 3. Ook alles wat hij doet is onder de vloek. Het is een vloek in alles, waaraan hij zijn hand slaat, vers 20. Een voortdurende teleurstelling, waaraan diegenen onderhevig zijn, die hun hart stellen op de wereld, en er hun geluk van verwachten, en die niet anders dan een voortdurende kwelling kan wezen. Deze vloek hier is juist het tegenovergestelde van de zegen in het eerste deel van dit hoofdstuk. Zo is er van alle zaligheid in de hemel, niet slechts het gemis, maar het tegenovergestelde in de hel. Jesaja 65:13. Mijn knechten zullen eten, maar gij zult hongeren.
Er worden hier vele bijzondere oordelen genoemd, die de vruchten zullen zijn van de vloek, en waarmee God het Joodse volk zal straffen voor hun afval en ongehoorzaamheid.
A. Deze bedreigde oordelen zijn van onderscheiden aard, want God heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker, vier boze gerichten, Ezechiël 14:21, en nog vele meer.
Zij worden hier als zeer verschrikkelijk voorgesteld, en zeer levendig en aangrijpend beschreven, opdat de mensen, wetende de schrik des Heeren, zo mogelijk bewogen zouden worden.
B. De bedreigingen van dezelfde oordelen worden verscheiden malen herhaald, teneinde diepe en duurzame indruk teweeg te brengen en om te kennen te geven dat, zo zij volhardden in hun ongehoorzaamheid, het oordeel, dat zij dachten voorbij te zijn, en waarvan zij zeiden: "Voorwaar, de bitterheid er van is geweken", met verdubbelde kracht terug zal komen, want als God oordeelt, zal Hij overwinnen.
Lichaamskrankheden worden hier bedreigd, die epidemisch in hun land zullen heersen. Van deze maakt God soms gebruik ter kastijding en verbetering van Zijn eigen volk, Heere, zie, die Gij liefhebt is ziek. Maar hier worden zij gedreigd te zullen komen over Zijn vijanden, als tekenen van Zijn toorn en bestemd tot hun verderf. Zo dat, al naar onze gemoedsgesteldheid is onder ziekte, zij ons ten zegen is of ten vloek. Maar welke ziekte nu ook moge zijn voor particuliere personen zeker is het dat epidemische ziekten, die onder een volk woeden, nationale oordelen zijn, en als zodanig moeten beschouwd worden. Hier dreigt hij:
a. Met pijnlijke krankheden, vers 35, boze zweren, beginnende in de benen en knieën, maar zich verspreidende, zoals de zweren van Job, van het hoofd tot de voeten.
b. Schandelijke krankheden, vers 27, zweren van Egypte (zulke zweren, als waarmee de Egyptenaren geplaagd werden, toen God Israël van hen uitvoerde) en spenen en droge schurft, vuile ziekten, de rechtvaardige straf voor hen, die zich vuil hadden gemaakt door de zonde.
c. Dodelijke krankheden. De pestilentie, vers 21, de tering (genomen voor alle chronische kwalen) en de koorts (voor alle acute ziekten) vers 22, zie Leviticus 26:16, 6 en allen ongeneeslijk vers 27.
C. Hongersnood en schaarsheid van levensmiddelen, en dit:
a. Uit gebrek aan regen vers 23, 24. Uw hemel, die boven uw hoofd is, dat deel van de hemel, dat boven uw hoofd is, zal zo droog wezen als koper, terwijl de hemel boven andere landen zijn dauw zal afdruppelen, en wanneer de hemel is als koper, dan zal de aarde natuurlijk als ijzer wezen, zo hard en zo onvruchtbaar. Inplaats van regen zal het stof van de grote wegen opgejaagd worden, en het weinige, dat er nog is van de vruchten van de aarde bederven. b. Door vernielende insecten: De sprinkhaan zal het koren bederven, zodat zij niet eens zaad meer over zullen hebben. vers 38, 42. En de vrucht van de wijnstok, die hun hart vrolijk moest maken, zal door de worm afgegeten worden vers 39. En de olijfboom zal op de een of andere wijze zijn vrucht afwerpen, vers 40. De heidenen wenden vele bijgelovige gewoonten aan ter ere van hun afgoden om de vruchten van de aarde te bewaren, maar Mozes zegt aan Israël, dat het enige middel om ze te bewaren is: Gods geboden te houden, want Hij is een God met wie niet valt te beuzelen zoals met hun afgoden, maar Hij wil in geest en waarheid gediend wezen. Deze bedreiging vinden wij vervuld in Israël, 1 Koningen 17:1, Jeremia 14:1 en verv. Joël 1:4.
D. Dat zij in de strijd voor het aangezicht van hun vijanden geslagen zullen worden, die, toen zij hen in hun macht hadden, waarschijnlijk zoveel wreder jegens hen zijn zullen wegens hun strengheid jegens de Kanaänieten, welke hun naburen in latere eeuwen wel geneigd zullen zijn tegen hen te gedenken, vers 25. Het zal hun vlucht des te meer schandelijk en smartelijk maken dat zij over hun vijanden hadden kunnen triomferen, indien zij getrouw waren geweest aan hun God. De dode lichamen van hen, die in de strijd waren gevallen of in gevangenschap onder vreemden waren gestorven, zullen het gevogelte des hemels tot spijs zijn vers 26. En aan een Israëliet, die de gunst zijn Gods verbeurd heeft zal zo weinig menslievendheid betoond worden, dat niemand het zal afschrikken, zo hatelijk zal Gods vloek hen aan geheel het mensdom doen zijn.
E. Dat zij verdwaasd zullen worden in al hun raadslagen, zodat zij hun eigen belang niet zullen onderkennen, noch iets voor het algemene welzijn zullen doen, vers 28, 29. De Heere zal u slaan met onzinnigheid en met blindheid. Gods oordelen kunnen de geest van de mensen bereiken, om die met duisternis en afgrijzen te vervullen, en van alle oordelen zijn die het zwaarst, die de mensen tot een schrik maken voor zichzelf en tot hun eigen verdervers. Wat zij bedacht hebben om zich te beveiligen, zal zich nog tot hun nadeel keren. Zo bevinden wij dikwijls dat de bondgenoten, op wie zij vertrouwden, hen benauwden en hen niet sterkten, 2 Kronieken 28:20. Zij, die niet in Gods raad willen wandelen, worden rechtvaardig overgelaten om door hun eigen raad te worden verdorven, en zij, die moedwillig blind zijn voor hun plicht, verdienen blind gemaakt te worden voor hun belang, en, daar zij de duisternis liever gehad hebben dan het licht, zo laat hen op de middag omtasten als in duisternis.
F. Dat zij door de trotse overwinnaar beroofd zullen worden van al hun genietingen, ja van alles, zoals Benhadad met Achab gedaan heeft, 2 Koningen 20:5, 6,6. Niet slechts hun wijngaarden zullen hun ontnomen worden, maar ook hun vrouwen en kinderen, vers 30, 32. De dingen, die hun het liefst waren, waarin zij het meeste behagen vonden, en waarvan zij zich het meeste genot beloofden, zullen tot vermaak en triomf dienen van hun vijanden. Gelijk zij gewoond hebben in huizen, die zij niet hebben gebouwd, en van wijngaarden hebben gegeten, die zij niet hebben geplant, Hoofdstuk 6:10. 11,, zo zal het nu met anderen tot hun opzicht wezen. Hun ossen, ezels en schapen zullen, evenals die van Job, voor hun ogen worden weggenomen, en zij zullen ze niet terugkrijgen, vers 31. En al de vrucht van hun land en van hun arbeid zullen de vijanden opeten, zodat zij en de hunnen gebrek zullen hebben aan het nodige, terwijl hun vijanden zwelgen in hetgeen, waarvoor zij gearbeid hebben.
G. Dat zij gevankelijk weggevoerd zullen worden naar een afgelegen land, ja in alle koninkrijken van de aarde, vers 25. Hun zonen en dochteren, van wie zij zich lieflijkheid en vertroosting beloofden, zullen in gevangenschap gaan, vers 41, ten slotte ook zij zelf en hun koning, in wie zij zich veiligheid beloofden en rust, vers 36. Dit is volkomen vervuld toen eerst de tien stammen gevankelijk naar Assyrië weggevoerd werden, 2 Koningen 17:6, 6 en niet lang daarna de twee stammen naar Babylon en twee van hun koningen, 2 Koningen 24:14, 15, 25:7, 21,,. Wat als een verzwaring van hun gevangenschap vermeld wordt is dat zij naar een onbekend land zullen gaan, welks taal en zeden zeer vreemd zullen zijn en hun behandeling wreed en barbaars, en daar zullen zij andere goden dienen, dat is: gedwongen worden dit te doen door hun vijanden, zoals het in Babylon ook geschied is, Daniël 3:6. God maakt van de mensen zonde dikwijls tot hun straf. "Gij zult andere goden dienen dat is: Gij zult hen dienen, die ze dienen", in de Schrift wordt een natie dikwijls naar de naam van haar god genoemd, zoals in Jeremia 48:7. Zij hadden afgodendienaars tot hun metgezellen gemaakt, en nu maakte God afgodendienaars tot hun verdrukkers.
H. Dat de overgeblevenen beledigd en getiranniseerd zullen worden door vreemdelingen, vers 43, 44. Zo werden de tien stammen beledigd en verdekt door de kolonisten, die de koning van Assyrië zond om bezit te nemen van hun land, 2 Koningen 17:24. Dit kan ook bedoeld zijn van het trapsgewijze inbreuk maken van de vreemdelingen in hun poorten op hun bezittingen, zodat zij er zich ten slotte geheel meester van maakten, en er hen geheel uitgedraaid hadden. Wij lezen van de vervulling hiervan in Hosea 7:9. Vreemden verteren zijn kracht, vreemden nemen het brood uit de mond van de ware, geboren Israëlieten, waardoor zij rechtvaardig gekastijd werden voor hun invoeren van vreemde goden.
I. Dat hun naam en roem onder hun naburen geheel verduisterd zouden zijn, en zij die een naam en een lof geweest zijn, zullen tot een schrik, een spreekwoord en een spotrede zijn, vers 37. Sommigen hebben de vervulling van deze bedreiging gezien in hun tegenwoordige toestand want als wij van de meest trouweloze en barbaarse handeling spreken, zeggen wij: Niemand dan een Jood zou dit gedaan hebben. Aldus is de zonde een smaad voor ieder volk.
Eindelijk. Om hun ellende te voltooien wordt de bedreiging gedaan, dat zij door al deze oordelen buiten hun zinnen zullen geraken, vers 34. Gij zult onzinnig zijn vanwege het gezicht uwer ogen, dat is: beroofd zijn van alle vertroosting en hoop en aan de uiterste wanhoop overgegeven. Zij, die wandelen door aanschouwen en niet door geloof, zijn in gevaar van het verstand te verliezen als alles om hen heen schrikkelijk is, en zeer treurig, voorwaar, is de toestand van hen, die onzinnig zijn vanwege het gezicht hunner ogen.