Mattheus 8:14-17
De uitleggers, die nauwlettend acht slaan op de overeenstemming der evangelisten, plaatsen deze passage en al hetgeen volgt tot aan het einde van Hoofdstuk 9 voor de bergrede, naar de orde, welke Markus en Lukas er bij in acht genomen hebben. Hier hebben wij:
I. Een bijzonder bericht omtrent de genezing der moeder van Petrus' huisvrouw, die de koorts had, waarbij wij letten: Op het geval, waarin niets buitengewoons was, koortsen behoren tot de meest gewone ziekten, daar echter de patiënt een der naaste bloedverwanten was van Petrus, wordt het hier vermeld als een voorbeeld van Christus' bijzondere zorge en goedheid voor de gezinnen van Zijne discipelen. Wij bevinden hier:
1. Dat Petrus ene vrouw had, en toch geroepen was om een apostel van Christus te zijn, dat Christus zich voorstander betoont van het huwelijk, door zich aldus vriendelijk te betonen jegens de bloedverwanten zijner huisvrouw. De kerk van Rome, die het huwelijk aan de priesters verbiedt, stelt zich dus tegenover den apostel, aan wie zij zegt hare onfeilbaarheid te ontlenen.
2. Dat Petrus een huis had, hoewel Christus er geen had, vers 20. Zo was dus de discipel er beter aan toe dan zijn Heere.
3. Dat hij een huis had te Kapernaum, hoewel hij geboortig was van Bethsaïda. Waarschijnlijk is hij naar Kapernaum verhuisd, toen Christus derwaarts heenging en dáár voornamelijk verblijf hield. Het is der moeite waard van woonplaats te veranderen, ten einde dicht bij Christus te zijn en de gelegenheid te hebben gemeenschap met hem te oefenen. Als de ark optrekt, moet Israël ook optrekken en haar volgen.
4. Dat hij de moeder zijner vrouw bij zich in huis had, hetgeen een voorbeeld is voor gehuwde lieden, om vriendelijk te zijn voor elkanders bloedverwanten. Waarschijnlijk was deze goede vrouw reeds bejaard, maar zij werd liefderijk verzorgd en met eerbied behandeld, zoals men dit aan oude lieden ook verschuldigd is.
5. Dat zij ziek was door koorts. Noch de kracht der jeugd, noch de zwakte van bloed des ouderdoms vermag iets ter afwering van deze ziekte. De geraaktheid was ene chronische, de koorts ene acute, zich ontwikkelende ziekte, voor beiden werd bij Christus hulp gezocht.
De genezing, vers 15.
1. Hoe zij gewerkt is: Hij raakte hare handen aan, niet om, gelijk de artsen dit plegen te doen, de ziekte te leren kennen door op den polsslag te letten, maar om haar te genezen. Dit was ene aanduiding van Zijne vriendelijkheid en tederheid, Hij zelf kan medelijden hebben met onze zwakheid. Hij toont ook de wijze aan der geestelijke genezing in de uitoefening van Christus' macht door Zijn woord, en de toepassing er van op ons zelven. De schrift spreekt het woord, de Geest bewerkt de aanraking, raakt het hart aan, raakt de hand aan.
2. Hoe dit bleek, " de koorts verliet haar, zij stond op en diende hen." Hieruit blijkt, a. Dat de weldaad geschied, en de herstelling volkomen was. Wie door natuurlijke middelen van koorts worden genezen, blijven gewoonlijk nog enigen tijd zwak en ongeschikt tot arbeid, om dus te tonen dat deze genezing bovennatuurlijk was, was de vrouw terstond zo wel, dat zij hare huiselijke bezigheden weer kon verrichten.
b. Dat die genaderijke weldaad aan haar geheiligd was, en zulke weldaden of zegeningen zijn dan ook inderdaad volkomen. Hoewel zij door zulk een gunstbewijs verwaardigd was, heeft dit haar geen gevoel gegeven, alsof zij nu een voornaam of gewichtige persoon was, neen, zij is bereid hen aan tafel te dienen, als iedere andere dienstmaagd. Zij die door Christus geëerd worden, moeten ootmoedig zijn. Verlost zijnde van hare ziekte, bedenkt zij, wat zij kan doen om hare dankbaarheid te tonen. Het is zeer voegzaam, dat zij, die door Christus zijn genezen, Hem hun leven lang met ootmoed dienen.
II. Hier is een algemeen bericht van de vele genezingen door Christus gewrocht. Die genezing van Petrus' schoonmoeder bracht Hem ene menigte andere patiënten. "Hij heeft die-en-die genezen: waarom zou Hij ook mij niet genezen? Den vriend van die-en-die: waarom ook niet mijn vriend?" Nu wordt ons hier gezegd:
1. Wat Hij deed, vers 16. Hij wierp duivelen uit. "Hij wierp de boze geesten uit met den woorde. Er kan onder Gods toelating veel van Satans werkingen zijn in die krankheden, waarvoor natuurlijke oorzaken aangeduid kunnen worden, zoals in Job's zweren, inzonderheid in de ziekte des geestes, maar toen Christus op aarde was, schijnt er ene meer dan gewone loslating te zijn geweest van den duivel om het lichaam der mensen te kwellen, "hij kwam en had groten toorn, wetende dat hij een kleinen tijd heeft," en God heeft dit wijselijk aldus verordineerd, opdat Christus des te schoner en veelvuldiger gelegenheid zou hebben om Zijne macht over Satan tentoon te spreiden, en Zijn doel te doen blijken, waarmee Hij in de wereld gekomen is, nl. Satan te ontwapenen en te onttronen, zijne macht en zijne werken te verbreken, en Zijn welslagen hierin was even heerlijk, als zijn voornemen en doel genadelijk waren
2. Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren, allen zonder uitzondering, al was de zieke ook nog zo gering, en de ziekte ook nog zo zwaar en hopeloos.
3. Hoe de Schrift hierin werd vervuld, vers 17. De vervulling der Oud-Testamentische profetieën was de grote zaak, die Christus op het oog had, en het grote bewijs, dat Hij de Messias was. Onder anderen was van Hem geschreven, Jesaja 53:4 :"Waarlijk hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft hij gedragen", hiernaar wordt verwezen in 1 Petrus 2:24 :in de uitdrukking: "Hij heeft onze zonden gedragen," terwijl hier er naar verwezen wordt in de woorden: "Hij heeft onze ziekten gedragen", onze zonden maken onze ziekten uit en onze smarten. Door de verdienste van Zijn dood heeft Christus de zonde weggedragen, en door de wonderen van Zijn leven heeft Hij de ziekte weggedragen, ja zelfs: hoewel die wonderen hebben opgehouden, kunnen wij toch zeggen, dat Hij toen onze ziekten gedragen heeft, als Hij "onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout," want de zonde is beide de oorzaak en de prikkel der ziekte. Velen zijn de kwalen en de ellenden, waaraan ons lichaam is blootgesteld, en in dezen een regel van het Evangelie is meer om er ons onder te vertroosten en te ondersteunen dan in alle de geschriften der filosofen: -dat Jezus Christus onze krankheden op zich genomen, en onze smarten gedragen heeft. Hij droeg ze voor ons: want schoon Hij nooit ziek is geweest, heeft Hij toch geleden van honger en dorst, Hij was vermoeid, Hij was droevig en zeer beangst, Zijne ziel was geheel bedroefd tot den dood toe. Hij heeft ze voor ons gedragen in Zijn lijden, en draagt ze met ons in Zijn medelijden, daar Hij "medelijden heeft met onze zwakheden," en aldus draagt Hij ze van ons weg, en maakt ze licht voor ons, tenzij wij ze door onze eigene schuld zwaar op ons laten drukken, omdat wij Zijne hulp niet begeren. Let er op met hoeveel nadruk dit hier gezegd wordt: Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze ziekten gedragen. Hiertoe was Hij even bekwaam als gewillig, en als onze Geneesmeester heeft Hij met belangstelling en zorge onze zwakheden en ziekten behandeld. Over dat gedeelte van de rampen der menselijke natuur is zeer bijzonder Zijne zorge gegaan, en dat toonde Hij door zijne grote bereidwilligheid om krankheden te genezen. En Hij is thans niet minder machtig en niet minder teder en liefderijk, nu Hij in den hemel is aan de rechterhand des Vaders, om als medelijdende Hogepriester gedurig voor ons tussenbeide te treden.