Deuteronomium 2:8-23
Het is opmerkelijk, dat Mozes, sprekende van de Edomieten, hen onze broederen, de kinderen Ezau's noemde, hoewel zij zeer onvriendelijk waren geweest voor Israël en hun de vreedzame doortocht door hun land geweigerd hadden, toch noemt hij hen broeders. Want hoewel onze bloedverwanten falen in hun plicht jegens ons, moeten wij toch niet vergeten dat zij onze bloedverwanten zijn, en naar de gelegenheid ertoe zich aanbiedt, niet tekortkomen in onze plicht jegens hen.
Nu hebben wij in deze verzen:
I. Een bericht van Mozes omtrent de oorsprong van de volken, van wie hij hier moet spreken, de Moabieten, Edomieten en Ammonieten. Uit andere delen van zijn geschiedenis weten wij wel, wier nakomelingen zij waren, maar hier zegt hij ons hoe zij in de landen kwamen, waarin Israël hen vond. Zij waren niet de oorspronkelijke bewoners, maar:
1. De Moabieten woonden in een land, dat aan een talrijk geslacht van reuzen had behoord, Emieten genaamd, dat is: de verschrikkelijken, even groot als de Anakieten, en misschien woester, vers 10, 11.
2. Evenzo hebben de Edomieten de Horieten verdreven van het gebergte Seïr, en hun land in bezit genomen, vers 12 en wederom vers 22, waarvan wij lezen in Genesis 36:20.
3. Zo hebben ook de Ammonieten bezit genomen van een land, dat vroeger bewoond werd door reuzen, genaamd Zamzummieten, listige of boze mannen, vers 20, 21, waarschijnlijk dezelfden, die in Genesis 14:5 Zuzieten genoemd worden. Hij verklaart dit door een voorbeeld, nog ouder dan die allen, de Kafthorieten (die verwant waren aan de Filistijnen Genesis 10:14) verdreven de Awieten uit het land en namen het in bezit, vers 23. De geleerde bisschop Patrick veronderstelt dat deze Awieten vandaar verdreven zijnde, zich gevestigd hebben in Assyrië, en dat zij hetzelfde volk zijn van die naam, waarvan wij lezen in 2 Koningen 17:31. Al deze omwentelingen nu zijn vermeld:
a. Om te tonen hoe spoedig na de zondvloed de wereld weer bevolkt was, zo wel bevolkt dat als een geslacht talrijk werd zij geen plaats konden vinden om er zich te vestigen, tenminste niet in dat gedeelte van de wereld, of zij moesten hen verdrijven, die alreeds gevestigd waren.
b. Om te tonen dat de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden. Reuzen werden verdreven door personen van gewone lengte, want waarschijnlijk waren deze reuzen, evenals die van vóór de zondvloed Genesis 6:4, berucht om hun goddeloosheid en verdrukking, waardoor de oordelen Gods over hen gekomen zijn, en tegen deze kon hun grote lengte hen niet beschermen of beschutten.
c. Om te tonen welke onvaste, onzekere dingen wereldlijke bezittingen zijn en hoe dikwijls zij van eigenaars veranderen. Zo was het vanouds en zo zal het altijd blijven. Geslachten nemen af, en de bezittingen gaan van hen over op geslachten, die opbloeien en toenemen, zo weinig standvastig, zo weinig duurzaam zijn deze dingen!
d. Om de kinderen Israëls, die nu gingen bezit nemen van Kanaän, aan te moedigen onder de moeilijkheden, die hun daarbij te wachten stonden, en het ongeloof in het licht te stellen van hen, die bevreesd waren voor de kinderen Enaks, bij wie de reuzen, die hier gezegd worden overwonnen te zijn, vergeleken worden vers 11, 21. Als Gods voorzienigheid dit gedaan heeft voor de Moabieten en Ammonieten, dan zal Zijn belofte dit nog veel meer doen voor Israël, Zijn bijzonder volk.
II. Israëls vorderingen naar Kanaän heen. Zij doortogen de weg van de woestijn van Moab vers 8, en toen trokken zij over de beek Zered vers 13, en daar neemt Mozes nota van de vervulling van het woord, dat God hen betreffende had gesproken, namelijk dat niemand van hen, die bij de berg Sinai geteld waren, het land zullen zien, dat God beloofd had, Numeri 14:23. Nu zij hun aangezicht naar Kanaän hebben gericht, het land onder de ogen hebben blijkt het dat, overeenkomstig dat vonnis, geen enkele man van hen is overgebleven, maar dat allen gestorven zijn, vers 14. In de gewonen loop van de voorzienigheid zal in een tijdperk van acht en dertig jaren meestal een nieuw geslacht ontstaan, en zullen van het oude slechts weinigen overgebleven zijn, maar hier was dit geslacht volkomen nieuw, en was er behalve Kaleb en Jozua niet één van overgebleven, want de hand des Heeren was tegen hen, vers 15. Diegenen moeten wel afnemen, totdat zij geheel verteerd zijn, tegen wie de hand des Heeren is.
Merk op: Israël wordt niet geroepen om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten, voordat al de krijgslieden, de regimenten van veteranen, die gewoon waren aan ontberingen en de krijgskunst van de Egyptenaren hadden geleerd, verteerd waren, uit het midden des heirlegers waren weggestorven, vers 16, opdat de verovering van Kanaän, door een leger van nieuw- verwekte mannen, die in de woestijn waren opgeleid, geschied zijnde, het duidelijk zou blijken, dat de uitnemendheid van de kracht van God is en niet van de mensen.
III. De waarschuwing hun gegeven, om zich niet te mengen met de Moabieten of de Ammonieten, die zij niet uit het bezit mogen stoten ja niet eens mochten verontrusten. Beangstig hen niet en meng u niet met hen in de strijd, vers 9. Ofschoon de Moabieten het er op toelegden, om Israël te verderven Numeri 22:6, moet Israël het toch niet op hun verderf toeleggen. Als anderen kwaad voor ons bedenken, rechtvaardigt dit ons niet om kwaad te bedenken voor hen. Maar waarom moeten de Moabieten en Ammonieten niet verontrust worden?
1. Omdat zij de kinderen waren van Lot, vers 9, 19, de rechtvaardige Lot, die bij zijn oprechtheid is gebleven in Sodom. Het gaat aan kinderen dikwijls te beter in deze wereld om de vroomheid van hun voorouders, het zaad van de oprechten, al is het ook ontaard, is nog met tijdelijk goed gezegend.
2. Omdat het land, dat zij in bezit hadden, hun door God was geschonken, en Hij het niet voor Israël had bestemd. Zelfs goddeloze mensen hebben recht op hun wereldlijke bezittingen, en moeten niet verongelijkt worden. Aan het onkruid wordt plaats toegelaten op de akker, en vóór de dag van de oogst moet het niet uitgeroeid worden. God geeft uitwendige zegeningen aan slechte mensen en behoudt ze hun, om te tonen dat dit niet de beste dingen zijn, maar dat Hij voor Zijn kinderen betere in reserve heeft.