22. Thau. Uwe ongerechtigheid en de straf over deze heeft een einde, als uw Redder en Verlosser uit Davids stam, de Heere, uwe gerechtigheid, komt, o gij dochter Zions! Hij zal u, als Hij u verlost heeft en uit zonde en ellende gered heeft, niet meer gevankelijk doen wegvoeren, maar onder den scepter van uwen eeuwigen Koning zult gij dan in eeuwige gerechtigheid, onschuld en zaligheid wonen, in het land uwer rust. Israël zal worden gered; onze zonde zal door Gods barmhartigheid worden bedekt, maar uwe ongerechtigheid, die gij door uwen haat tegen de waarheid Gods en tegen Zijne kinderen op u hebt geladen, o gij dochter Edoms! zal Hij bezoeken, zal Hij u niet vergeven; Hij zal uwe zonden ontdekken, zodat zij in eeuwigheid niet worden vergeten, maar gestraft.
Dat juist Edom uit alle vijanden van Gods volk wordt genoemd, heeft zonder twijfel zijn grond in den intensieven haat, ten gevolge der Goddelijke keuze van Israël en de typische betekenis daarvan (Obadja 1:1). Bij de Edomieten worden wij herinnerd, hoe geheel en al het tegen God en Zijnen wil is, wanneer zich iemand verheugt over het ongeluk der bedroefden. Want even als geen rechtschapen vader het kan verdragen, wanneer hij een kind met de roede kastijdt, dat het andere zou toetreden en er mede spotten, maar dat dan ook zelf zou moeten worden gestraft, zo kan veel minder God dulden, wanneer Hij een mens of een volk kastijdt, dat de anderen daar zouden staan, den mond openen en in hun vuist lachen. Dat is het werk van den satan, die zich verheugt, wanneer het ons mensen kwalijk gaat. Christenen moeten zich niet verblijden over het ongeluk van hun vijanden, veel minder over dat hunner geloofsgenoten. God kan toch het blad weer omkeren. Dat de Profeet zegt, dat de Edomieten ook van den beker des toorns Gods moesten drinken, daaruit leren wij, dat God aan alle mensen hun mate van droefheid heeft ingeschonken, en dien laat rondgaan, zó dat niemand wordt overgeslagen, gelijk geschreven staat (Psalm 75): "In des Heeren hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken. " Dat is, ook de vromen moeten wel uit den kelk der bitterheid, droefheid en angst drinken. "
Maar Christus heeft hunnen zo bitteren, zuren dronk veranderd, en door het hout des kruises de bittere wateren van Mara zoet gemaakt, en gemakkelijk voor de Zijnen om te drinken. Maar de goddelozen moeten eindelijk het grondsop en den droesem van Gods toorn smaken, welke dronk hen doodt. Daarom, wanneer het gebeurt, dat gij met droefheid en smart wordt bezocht, denk dan: Welaan, nu komt de beker van Gods toorn aan u, gij hebt dien wel verdiend, neem met ootmoed en gehoorzaamheid de straf en de kastijding aan, en gedraag u zo, dat de onaangename drank door Christus' genade en hulp aangenaam worde; bidt God, dat Hij u uwe zonde doe inzien, opdat gij in waarachtige bekering, geloof en vertrouwen op den Heere Jezus den bitteren droesem van oneindigen, zwaren toorn Gods in gindse wereld moogt ontvlieden. Hier komt de voorzeggende betekenis der Klaagliederen bijzonder duidelijk te voorschijn. Zij zijn de boetvaardige klacht van Gods volk over zijne verwoesting om der wille zijner zonde en misdaad. Is het berouw waarachtig en diep, zo moeten de ogen gericht worden op Hem, die komen zou om de vergeving van alle zonden, de redding van Gods toorn en oordeel, ja van den dood en de macht der hel te volbrengen, eveneens op den tijd, wanneer de Heere aan de tyrannie, aan den spot en den hoon der afgevallen goddelozen en der valse broeders een einde zal maken. Daarom hebben deze liederen ook zulk ene grote betekenis voor de kerk des Heeren, vooral in tijden als de tegenwoordige, wanneer de oordelen en de afval, de tyrannie en de vervolging, de hoon en spot over het Zion des Heeren en Zijne getrouwe kinderen, en over Zijne ware priesters en profeten dagelijks groter en zwaarder worden. De kerk moet met den Profeet Jeremia en de toenmalige gelovigen in Israël zich met diepe droefheid verootmoedigen, en in zodanige belijdenis met deze treurzangen klagen, totdat de Heere komt en de gevangenen Zions ten laatste zal verlossen. Zions straf zal eens een einde hebben, omdat God ondanks alle gerichten over het volk toch Zijn rijk voltooid. Edoms straf daarentegen en die van alle spottende machten der wereld is ene eeuwige, en alzo is er gene hoop. Het Heidendom als zodanig kan gene wedergeboorte hebben ondanks alle oordelen Gods, het kan alleen ten ondergaan, omdat het Gods woord niet heeft. Hoe groter echter de bezoeking Gods aan Zijn volk is, des te zekerder is ook Zijn voornemen ter verlossing. Dezelfde Christus, die sprak: "Vader! indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, " dezelfde, die bloed zweette, was en bleef toch in den bittersten doodsangst en in den grootsten smaad van Zichzelven en van Zijn werk zo geheel zeker, en Hij heeft onze eeuwige overwinning aan den dag gebracht, zo velen onzer in het geloof aan Zijn woord blijven, al mogen wij ook in dezen tijd nog zo machteloos in ons zelven zijn. Hij is ons leven en onze kracht.