3
Johannes 1-2
Wij hebben hier:
I. De heilige schrijver, die den brief gesteld en gezonden heeft. Deze wordt hier niet bij zijn naam genoemd, maar aangeduid door een bijzonder kenmerk. De ouderling, hij is dat door jaren en door dienst, aan beide zijn achting en eerbied verschuldigd. Sommigen hebben het betwijfeld of Johannes de apostel wel de schrijver was, maar zijn stijl en karakter komen duidelijk genoeg in dezen brief uit. Zij, die door Christus bemind worden, zullen om zijnentwil de broederen liefhebben. Gajus kon er niet aan twijfelen van wie deze brief kwam. De apostel had zich zelven een veel hoger en schitterender naam kunnen geven, maar het betaamt dienaren van Christus niet om op hoge en aanzienlijke titels gesteld te zijn. Hij stelt zich op dezelfde lijn met de gewone dienaren der gemeente van Christus, door zich de ouderling te noemen. Wellicht ook waren de meesten van de buitengewone dienaren, de apostelen, reeds gestorven, en wenste deze heilige laatst overgeblevene den voortgezetten geregelden dienst in aanzien te brengen door den meer gewonen naam van ouderling aan te nemen.
De ouderlingen vermaan ik, die een medeouderling ben, 1 Petrus 5:1.
II. De persoon, in dezen brief gegroet en geëerd. De vorige brief was gericht aan een uitverkoren aanzienlijke vrouw, deze werd geschreven aan een uitverkoren man van stand, dezulken zijn eer en hoogachting waard. Hij wordt aangeduid:
1. Bij zijn naam Gajus. Wij lezen van meer dan een met dien naam, voornamelijk van een, dien de apostel Paulus te Corinthe doopte, en die waarschijnlijk daar de gastheer en onderhouder van dien apostel was, Romeinen 16:23. Indien deze niet dezelfde is, dan is hij zijn broeder in naam, stand en gezindheid geweest.
2. Bij de vriendelijke wijze, waarop de apostel hem toespreekt. De geliefde, welken ik in waarheid (of in de waarheid) liefheb. Betoonde liefde ontsteekt gewoonlijk wederliefde. Hier openbaart zich de oprechtheid van des apostels liefde, of haar godsvrucht. De oprechtheid: Welken ik in waarheid liefheb, dien ik waarlijk en oprecht bemin. De godsvrucht: Welken ik in de waarheid liefheb, ter wille van de waarheid, als een man, die blijft en wandelt in de waarheid, zoals die in Jezus is. De liefde tot onze vrienden ter wille van de waarheid is ware liefde, godvruchtige, Evangelische liefde.
III. De begroeting, die een gebed bevat, ingeleid door een zeer toegenegen toespraak.
Geliefde, gij die in Christus geliefd zijt. De dienaar, die liefde wil ontvangen, moet liefde bewijzen. Hier is:
1. De goede gedachte, die de apostel van zijn vriend heeft, dat zijne ziel welvaart. Er bestaat welvaart der ziel, de grootste zegen aan deze zijde des hemels. Zij onderstelt wedergeboorte en een innerlijk bezit van geestelijk leven, die voorraad groeit aan, en indien de geestelijke schatten vermeerderen, is de ziel goed op weg naar het koninkrijk der hemelen. 2. De goede wens voor zijn vriend is dat zijn lichaam moge welvaren en gezond zijn. gelijk zijne ziel welvaart. Genade en gezondheid zijn twee rijke bondgenoten: genade kan de gezondheid verbeteren, gezondheid kan de genade besteden. Niet zelden woont een rijke ziel in een zwak lichaam, de genade moet dan beoefend worden in onderwerping aan zulk ene beschikking, maar wij mogen wel wensen en bidden dat zij, die welvarende zielen hebben, ook gezonde lichamen mogen bezitten, opdat de genade zich kunne openbaren in een breder kring van werkzaamheid.