Lukas 20:9-19
Christus heeft deze gelijkenis gesproken tegen hen, die besloten waren Zijn gezag niet te erkennen, al bleek dit gezag ook nog zo duidelijk en overtuigend, en zij komt hier zeer gepast om aan te tonen dat zij, door Zijn gezag in twijfel te trekken, hun eigen gezag hebben verbeurd. Hun verloochenen van den heer des wijngaards was de nietigverklaring van hun pacht van den wijngaard, en een opgeven van al hun rechten en aanspraken.
I. Er is aan de gelijkenis hier niets toegevoegd, wij hadden haar evenzo bij Mattheus en Markus. De strekking er van is aan te tonen, dat de Joodse natie, door de profeten en ook Christus zelf te vervolgen, God zozeer tot toorn had verwekt, dat Hij hun hun kerkelijke voorrechten had ontnomen en hen prijs had gegeven aan het verderf. Zij leert ons:
1. Dat zij, die de voorrechten der zichtbare kerk genieten, als huurders zijn van een wijngaard, dien zij moeten verzorgen en waarvoor zij huur moeten betalen. Door een geopenbaarden Godsdienst te geven en de orde er van vast te stellen in de wereld, heeft God een wijngaard geplant, dien Hij verhuurt aan het volk, onder hetwelk Zijn tabernakel is, vers 9. En zij hebben wijngaardwerk te verrichten. nodig en voortdurend werk, maar dat tevens aangenaam en nuttig is, en winst oplevert. Terwijl de mens vanwege de zonde veroordeeld was de aarde te bebouwen, is aan hen, die een plaats hebben in de kerk, het werk teruggegeven, dat Adam in den staat der onschuld had te verrichten, den hof te bouwen en te bewaren, want de kerk is een paradijs en Christus is er de boom des levens in. Zij moeten ook wijngaardvruchten aan den Heer des wijngaards hebben aan te bieden. Er moet huur betaald, en er moeten diensten bewezen worden, die, hoewel zij niet evenredig zijn aan de waardij van den wijngaard, toch gedaan en toch betaald moeten worden.
2. Dat het het werk van Gods dienstknechten is om hen, die de voorrechten der kerk genieten, te roepen en aan te sporen, om dienovereenkomstig vrucht voort te brengen. Zij zijn Gods inzamelaars van huur, die de landlieden aan hun achterstallen moeten herinneren, of liever, hen er aan moeten herinneren, dat zij een landheer hebben, die verwacht van hen te zullen horen, de erkentenis van hen te ontvangen, dat zij afhankelijk van Hem zijn en verplichtingen aan Hem hebben, vers 10. De Oud Testamentische profeten werden met deze boodschap tot de Joodse kerk gezonden, om de gehoorzaamheid en de plichtsbetrachting van hen te eisen, die zij Gode verschuldigd waren.
3. Dat het dikwijls van Gods getrouwe dienstknechten het lot is geweest, om door Zijne huurders gruwelijk mishandeld te worden. Zij werden geslagen en smadelijk gehandeld door hen, die besloten waren hen ledig weg te zenden. Zij, die besloten zijn hun plicht jegens God niet te volbrengen, kunnen het niet dragen er aan herinnerd of er toe opgeroepen te worden. Sommigen van de beste mensen der wereld hebben er de slechtste, de hardste behandeling van ondervonden, en dat wel tot loon van hun beste diensten.
4. Dat God Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden om hetzelfde werk, waarmee de profeten bezig waren geweest, voort te zetten, namelijk om de vruchten des wijngaards voor God in te zamelen, en men zou gedacht hebben, dat Hij ontvangen en geëerbiedigd zou worden. De profeten spraken als dienstknechten: Zo spreekt de Heere, maar Christus als Zoon, onder de Zijnen: Voorwaar, Ik zeg u. Hun zulk ene eer bewijzende van Hem te zenden, moeten zij nu gewonnen zijn, zou men zo denken. 5. Dat zij, die Christus' dienstknechten verwerpen, Hem zelven ook zouden verwerpen, indien Hij onder hen verscheen, want het is beproefd geworden, en toen bleek het dat de vervolgers en moordenaars van Zijne dienstknechten, de profeten, de vervolgers en de moordenaars waren van Hem zelven. Deze is de erfgenaam, zeiden zij, komt, laat ons hem doden. Toen zij de dienstknechten doodden, werden hun andere dienstknechten gezonden. "Maar zo wij slechts den zoon kunnen doden, dan zal ons nooit een andere zoon gezonden worden, er is geen andere zoon, en bijgevolg zullen wij dan ook niet langer lastig gevallen worden met dit manen om de huur, en kunnen wij in het rustig bezit blijven van den wijngaard." De schriftgeleerden en Farizeeën stelden zich voor, dat, zo zij Christus slechts uit den weg konden ruimen, zij wel altijd heer en meester zouden blijven in de Joodse kerk, en daarom hebben zij dien stouten stap gedaan, zij hebben Hem buiten den wijngaard uitgeworpen en gedood.
6. Dat met de terdoodbrenging van Christus de mate der ongerechtigheid van de Joden vol was geworden, en hierdoor een onherstelbaar verderf over hen werd gebracht. Er kon niets anders verwacht worden, dan dat God deze boze landlieden zal verderven. Zij begonnen met hun huur niet te betalen, maar gingen voort met de dienstknechten te slaan en te doden, en ten laaste ook hun jongen Meester zelven. Zij, die leven in het verzuim van hun plicht jegens God, weten niet tot welk een mate van zonde en verderf zij zich heen spoeden.
II. Aan de toepassing der gelijkenis wordt hier toegevoegd wat wij tevoren niet gehad hebben, namelijk hun afbidden van dat oordeel, vers 16. Als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre! Mè genoito. -Dat geschiede nooit! Hoewel zij moesten erkennen, dat voor zulk een zonde zulk een straf rechtvaardig was. en hetgeen te wachten was, toch konden zij het niet dragen om het te horen. Het is een voorbeeld van de dwaasheid en domheid van zondaren, dat zij voortgaan op hun zondigen weg, hoewel zij tegelijk het verderf voorzien en vrezen, waarop die weg moet uitlopen. En let op het zelf bedrog, dat zij pleegden, toen zij dachten dat lot te kunnen ontgaan door een koel: Dat zij verre! terwijl zij overigens niets deden om het te voorkomen, zal dit de bedreiging dan ijdel maken? Neen, zij zullen weten wiens woord stand houdt: Gods woord of het hun. Let nu op hetgeen Christus zegt in antwoord op hun kinderachtig af bidden van hun straf.
1. Hij zag hen aan. Dat wordt alleen door dezen evangelist opgemerkt, vers 17. Hij zag hen aan met medelijden en ontferming, bedroefd hen aldus zich zelven te zien bedriegen tot hun eigen verderf, Hij zag hen aan, om te zien of zij ook zouden blozen over hun eigen dwaasheid, of wel, dat Hij op hun gelaat enig teken kon bespeuren van berouw of vertedering.
2. Hij verwees hen naar de Schrift: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: Hoe kunt gij aan het oordeel Gods ontkomen, als gij de verhoging niet kunt beletten van Hem, dien gij veracht en verwerpt? Het woord van God heeft het gezegd: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden. De Heere Jezus zal aan de rechterhand des Vaders verhoogd worden. Al het oordeel is Hem overgegeven, Hij heeft alle macht, Hij is de hoeksteen en de sluitsteen der kerk, en dit zo zijnde, kunnen Zijne vijanden niets anders verwachten dan verwoest te zullen worden. Zelfs zij, die Hem gering achten, die over Hem struikelen, die aan Hem geërgerd worden, zullen verpletterd worden -het zal hun verderf zijn, maar wat hen betreft, die Hem niet slechts verwerpen, maar Hem haten en vervolgen, zoals de Joden gedaan hebben, op hen zal Hij vallen en hen vermorzelen. Het oordeel van boosaardige vervolgers zal veel zwaarder zijn dan van zorgeloze ongelovigen. Eindelijk. Er wordt ons gezegd hoe de overpriesters en schriftgeleerden in woede waren ontstoken wegens deze gelijkenis, vers 19. Zij verstonden dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had, en dat had Hij ook. Een schuldig geweten heeft geen aanklager nodig, maar in plaats van nu toe te geven aan de overtuiging van hun geweten, werden zij verwoed op Hem, die dezen sluimerenden leeuw in hun binnenste had doen ontwaken, en zochten zij de handen aan Hem te slaan. Hun bederf kwam in opstand tegen hun overtuiging, en behield de overhand. En het was niet omdat er enigerlei vreze Gods voor hun ogen was, of dat zij besef hadden van Zijn toorn, dat zij toen niet terstond de handen aan Hem sloegen, maar alleen omdat zij het volk vreesden. Zij waren volkomen bereid Zijne woorden waar te maken: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden. Als het hart van de kinderen der mensen er ten volle op gezet is om kwaad te doen, dan zal de ernstigste waarschuwing, zowel voor de zonde, die zij gaan bedrijven, als voor de gevolgen, die er uit zullen voortkomen, geen indruk op hen maken. Christus zegt hun dat zij, in plaats van den Zone Gods te kussen, Hem zullen doden, waarop zij hadden behoren te zeggen: Wat, is uw knecht een hond? Maar in waarheid zeggen zij dit: "Dat zullen wij ook, laat ons er maar terstond mede beginnen". En hoewel zij de straf hunner zonde af bidden, maken zij, als in een adem, het plan om de zonde te begaan.