Handelingen 19:21-40
I. Paulus komt hier te Efeziërs in moeilijkheid juist op het ogenblik toen hij voornemens was van daar heen te gaan, om elders een arbeid te beginnen. Zie hier:
1. Hoe hij het plan had gevormd om naar andere plaatsen te gaan, vers 21, 22. Hij was een man, die grote plannen maakte voor den dienst van God, en zijn invloed zo ver mogelijk wilde doen reiken. Daar hij nu ruim twee jaren te Efeziërs had doorgebracht, wenste hij:
a. De gemeenten van Macedonië en Achaje te bezoeken, inzonderheid die te Filippi en te Corinthe, de voornaamste steden van deze gewesten, vers 21. Dáár had hij gemeenten gesticht, en nu wenst hij ze te bezoeken. Hij nam voor in den geest, hetzij in zijn eigen geest of gemoed, zonder het vooralsnog bekend te maken, of door de aanduiding van den Heiligen Geest, die in alles zijn Leidsman was, en door wie hij zich liet leiden. Hij nam zich voor te gaan zien hoe het met het werk Gods in die plaatsen gesteld was, ten einde wat verkeerd was te herstellen, en wat goed was verder aan te moedigen.
b. Van dáár wilde hij naar Jeruzalem gaan, om de broederen aldaar te bezoeken, en hun verslag te doen van zijn arbeid, en hoe het welbehagen des Heeren door zijne hand gelukkiglijk voortging. Van dáár wilde hij dan naar Rome gaan, Rome gaan zien, niet alsof hij slechts zijne nieuwsgierigheid wilde bevredigen door de bezichtiging van die aloude beroemde stad, maar het was ene uitdrukking, die algemeen gebruikt werd, hij bedoelde slechts er de Christenen te gaan zien, en hun dienst te bewijzen, Romeinen 1:11. De Godvruchtigen te Rome waren de heerlijkheid der stad, en dezen verlangde hij te zien. Dr. Lightfoot onderstelt, dat het na den dood van keizer Claudius was, die in het tweede jaar van Paulus' verblijf te Efeziërs gestorven was, dat Paulus er aan dacht om naar Rome te gaan, omdat, zo lang Claudius leefde, het den Joden niet vergund was om naar Rome te komen, Hoofdstuk 18:2.
c. Hij zond Timotheus en Erastus naar Macedonië, om de gemeenten aldaar kennis te geven van zijn voorgenomen bezoek, en om er de collecten gereed te hebben voor de arme heiligen te Jeruzalem. Spoedig daarna schreef hij den eersten brief aan de Corinthiërs, met het voornemen om zelf hem te volgen, zoals blijkt uit 1 Corinthiërs 4:17, 19. Ik heb Timotheus tot u gezonden, maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil. Voor het ogenblik bleef hij nog in Azië, in de landstreek rondom Efeziërs , om er gemeenten te stichten.
2. Hoe hij in zijn voornemen gesteund werd, en genoodzaakt werd het ten uitvoer te brengen door de moeilijkheid, die hij ten laatste te Efeziërs ondervonden heeft. Het was vreemd, dat hij daar zo lang met rust was gelaten, maar het schijnt, dat hij er wel moeilijkheden gehad heeft, die niet in deze geschiedenis vermeld zijn, want in den brief, dien hij te dier tijd schreef, zegt hij, dat hij tegen de beesten gevochten heeft te Efeziërs , 1 Corinthiërs 15:32, hetgeen schijnt te betekenen, dat zij hem in de schouwplaats tegen wilde dieren hebben laten vechten, naar de barbaarse behandeling, die zij soms de Christenen hebben aangedaan. En hij spreekt van de verdrukking, die hun in Azië is overkomen, toen hij in twijfel was ook van het leven, ja het vonnis des doods in zich zelven had, 2 Corinthiërs 1:8, 9. Maar ten opzichte der moeilijkheid, die hier verhaald is, was hij meer verschrikt dan geschaad. In het algemeen wordt hier meegedeeld: Op dien tijd ontstond daar gene kleine beroerte vanwege den weg des Heeren vers 23. Sommige geschiedschrijvers zeggen, dat de beruchte bedrieger Apollonius Tyanæus, die zich als mededinger opwierp van Christus, en, evenals Simon de Tovenaar, van zich zelven zei, dat hij wat groots was, te Efeziërs was omstreeks den tijd, toen Paulus zich aldaar bevond. Maar het schijnt, dat zijn tegenstand van het Evangelie van zo weinig betekenis was, dat Lukas het niet der moeite waard vond, er melding van te maken. De beroering, waarvan hij ons verhaalt, was van een anderen aard. Laat ons de bijzonderheden er van nagaan. Hier is:
I. Ene grote klacht, ingebracht tegen Paulus en de andere predikers van het Evangelie, nl. dat zij de mensen aftrokken van de aanbidding van Diana, en aldus het bedrijf te gronde richtten van de zilversmeden, die voor den tempel van Diana arbeidden.
1. Die de klacht inbrengt is Demetrius, een zilversmid, waarschijnlijk wel een voorman van dat bedrijf, en die gehouden wilde worden voor iemand, die er de belangen beter van begreep en bevorderde dan anderen van het gilde. Of hij ook andere voorwerpen fabriceerde wordt ons niet meegedeeld, maar de voordeligste tak van zijn bedrijf was het maken van zilveren tempelen van Diana, vers 24. Sommigen denken, dat het zilveren medailles waren, waarop het beeld van Diana of van haren tempel, of van beiden gegraveerd waren. Anderen zijn van mening, dat het voorstellingen of modellen waren van den tempel, met het beeld van Diana in miniatuur, geheel van zilver, maar zo klein, dat de mensen ze bij zich konden dragen, zoals de papisten hun crucifixen. Zij, die van verre kwamen om in den tempel van Efeziërs te aanbidden, kochten deze zilveren tempeltjes om ze mede naar huis te nemen, en aan de nieuwsgierigheid hunner vrienden er naar te voldoen, alsmede om de herinnering aan dat fraaie gebouw bij zich zelven levendig te houden. Zie hoe handwerkslieden, en niet minder hoe listige lieden van een hogeren rang in de maatschappij dan zilversmeden, voor zich zelven voordelen behalen uit de bijgelovigheid der lieden, en er hun eigen wereldse doeleinden mede bevorderen.
2. Hij dient zijne klacht niet in bij de overheid, maar bij de volksmenigte, het grauw. Hij heeft die van de kunst waren saamvergaderd met de handwerkers van dergelijke dingen (een troep handwerkslieden, die voor niets besef of gevoel hadden dan voor hetgeen hun eigene aardse belangen betrof.) Dezen poogt hij tegen Paulus op te zetten, want dezen zullen zich zo weinig door rede of verstand, en zo veel door woede en haat laten leíden, als hij slechts kon begeren.
3. Zijne klacht en zijne voorstelling der zaak zijn zeer uitvoerig.
a. Hij stelt als grondregel vast, dat het bedrijf van zilveren tempelen te maken voor de aanbidders van Diana zeer noodzakelijk was, en dus in wezen moest gehouden worden, vers 25. "Gij weet, dat wij uit dit gewin niet alleen ons levensonderhoud, ons noodzakelijk voedsel hebben, maar ook onze welvaart. Wij worden rijk, verkrijgen huizen en land, wij leven op groten voet en kunnen bekostigen wat ons aangenaam is, ons tot vermaak en genoegen strekt. Daarom moeten wij niet toelaten, dat dit bedrijf te niet gaat." Het is natuurlijk, dat de mensen in zorge zijn voor hetgeen waardoor zij, terecht of te onrecht, hun welvaart verkrijgen, en velen hebben alleen om die reden zich tegen het Evangelie van Christus gekant, dat het de mensen afhield van onwettige bedrijven, hoeveel rijkdom er ook door verkregen kon worden.
b. Hij beschuldigt Paulus de mensen het aanbidden van afgoden te hebben ontraden. De woorden, waarin hij zijne beschuldiging heeft uitgesproken, luiden, dat hij had verklaard: Het zijn gene goden, die met handen gemaakt worden, vers 26. Kon dan ene waarheid duidelijker of klaarblijkelijker zijn dan deze, of ene redenering klemmender en meer overtuigend zijn dan die van de profeten: Een werkmeester heeft het gemaakt, dus is het geen God? Het eerste en het meest zuivere denkbeeld, dat wij van God hebben, is, dat Hij Zijn bestaan heeft uit zich zelven, en van niemand afhankelijk is, maar dat alle dingen uit Hem zijn ontstaan, en van Hem afhankelijk zijn. Dan moet hier ook uit volgen, dat het gene goden zijn, die de schepselen zijn van der mensen vernuft, en het werk zijn van der mensen handen. Toch moet dit voor een ketters en atheïstisch denkbeeld gehouden worden, en Paulus als een misdadiger worden beschouwd, omdat hij dat denkbeeld uitspreekt. Niet, dat zij iets tegen deze leer zelf weten aan te voeren, maar wel tegen het gevolg er van, nl. dat hij niet alleen te Efeziërs , de hoofdstad, maar in bijna geheel Azië, onder het landvolk, die hun beste klanten waren, en op wie zij het meest dachten te kunnen rekenen, de mensen overreed en afgekeerd heeft van de aanbidding van Diana, zodat er nu veel minder aftrek was van de zilveren tempelen dan vroeger, en er ook niet meer zulke hoge prijzen voor betaald werden. Er zijn van de zodanige, die ijveren voor hetgeen grovelijk ongerijmd is, tegen alle gezond verstand indruist, hetgeen waarvan het valse en leugenachtige, om zo te zeggen, boven op ligt, zoals dit hier, bijvoorbeeld: dat het goden zijn, die met handen gemaakt worden, zo men er zich slechts op menselijke wetten voor beroepen kan, en wereldse belangen en langdurige gewoonte aan zijne zijde heeft.
c. Hij wijst hen op het gevaar van verval voor hun handwerk. Al wat dit aanraakt, treft hen op ene zeer gevoelige plaats. "Indien deze leer ingang vindt, dan is het gedaan met ons, en dan kunnen wij onze winkels wel sluiten. Wij zijn in gevaar dat dit deel van ons handwerk in verachting komt, in slechten reuk zal komen als iets dat bijgelovigheid bevordert en, de wereld bedriegt, en zo zal het door iedereen gesmaad en in diskrediet gebracht worden. Dit ons deel, ons belang, ons deel in den handel en in het bedrijf" -kinduneuei hêmin to meros-"zal niet slechts gevaar lopen van te gronde te gaan, maar het zal ons zelven in gevaar brengen, wij zullen niet alleen tot den bedelstaf worden gebracht, maar tot misdadigers gemaakt."
d. Hij wendt een groten ijver voor voor Diana, en bezorgdheid voor hare eer. Niet alleen onze kunst, ons bedrijf, komt in gevaar -indien dit alles ware, hij zou niet met zoveel warmte gesproken hebben, maar wat hij vreest, is, dat de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden en ook hare majesteit ten onder zal gaan, en voor niets ter wereld zouden wij de eer dezer godin zien verkleinen, aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst. Zie nu wat de grootste ijveraars voor die aanbidding van Diana ten haren gunste konden aanvoeren:
A. Dat zij pracht en praal had. De schoonheid van den tempel was de zaak die hen bekoorde, hen ketende, zij konden het denkbeeld niet verdragen van iets dat tot hare vermindering, laat staan, haren ondergang, kon leiden.
B. Dat zij het grote aantal harer vereerders op hare zijde had: Gans Azië en de gehele wereld bewijzen haar godsdienst, en bijgevolg moet dit ook wel de ware godsdienst zijn, in weerwil van alles wat Paulus er tegen kan zeggen. En zo, omdat de gehele aarde zich verwondert achter het beest, geeft de draak, de duivel, de god dezer wereld, hem zijne kracht, en zijn troon en zijne grote macht. Openbaring 13:2, 3. II. Door die klacht werd de toorn des volks opgewekt. De beschuldiging werd listig ingekleed en voorgedragen met het doel het volk in woede te ontsteken, en dat doel werd bereikt, want bij deze gelegenheid toonden zij:
1. Een groot misnoegen over het Evangelie en de predikers er van, Zij werden vol van toornigheid, vers 28, vol van woede en verontwaardiging is de eigenlijke betekenis van het woord. De handwerkslieden werden uitzinnig, werden dol, zoals wij zeggen, toen hun gezegd werd, dat zowel hun bedrijf als hun afgod in gevaar waren.
2. Ene grote bezorgdheid voor de eer hunner godin. Zij riepen, zeggende, "Groot is de Diana der Efeziërs, en wij zullen ons aan haar houden, leven en sterven ter harer verdediging. Zijn er mensen, die haar der verachting willen prijs geven, haar met verderf en ondergang dreigen? Laat het aan ons over om met dezen klaar te komen. Laat Paulus zeggen wat hij wil om te bewijzen, dat het gene goden zijn, die met handen worden gemaakt, wij blijven er bij, dat, wat er ook zij van andere goden en godinnen: Groot is de Diana der Efeziërs. Wij moeten en zullen pal staan voor den godsdienst van ons land, die ons door onze vaderen is overgeleverd." Aldus wandelden alle volken, elk in den naam zijns gods, en hadden er ene gunstige mening van, hoe veel te meer behoren de dienstknechten van den waren God dit dan niet te doen, die zeggen kunnen: Deze God is onze God eeuwiglijk en altoos.
3. Ene grote wanorde onder elkaar, vers 29. De gehele stad werd vol verwarring -de gewone en natuurlijke uitwerking van een onmatigen ijver voor valsen godsdienst. Alles wordt er in verwarring door gebracht, het verstand wordt onttroond en de hartstocht ten troon verheven, en de mensen lopen te hoop, zonder te weten wat zij eigenlijk willen.
III. De handelwijze van het gepeupel onder de macht van die woede, en hoe ver zij er in gingen.
1. Zij sloegen de handen aan sommigen van Paulus' metgezellen, en voerden hen met geweld naar de schouwplaats, vers 29. Sommigen denken, dat het hun bedoeling was hen met de wilde dieren te laten vechten, zoals Paulus soms gedaan heeft, of wellicht wilden zij hen slechts mishandelen, hen bespotten en tot een schouwspel voor de menigte doen dienen. Die zij grepen, waren Gajus en Aristarchus, van beiden lezen wij elders, Gajus was van Derbe, Hoofdstuk 20:4. Ook van Aristarchus wordt daar gesproken en in Colossenzen 4:10. Zij waren met Paulus van Macedonië gekomen, en hun enige misdaad was, dat zij metgezellen van Paulus waren op de reis, zijne metgezellen in den dienst en in het lijden.
2. Paulus, die het ontkomen was om door hen gegrepen te worden, had, toen hij zijne vrienden om zijnentwil in gevaar zag, tot het volk willen ingaan, om, zo er geen ander middel was, zich voor hen op te offeren, veeleer dan zijne vrienden om zijnentwil te laten lijden, en dit was een bewijs van zijn edelmoedig hart, en dat hij zijn naaste liefhad als zich zelven.
3. Hiervan werd hij teruggehouden door de vriendelijkheid zijner vrienden, de discipelen lieten het hem niet toe, want het betaamde hem meer om zich daartoe aan te bieden, dan het hun betaamde het toe te laten. Zij hadden reden om tot Paulus te zeggen wat David's dienstknechten tot hem gezegd hebben, toen hij zich in den dienst des rijks aan gevaar wilde blootstellen: Gij zijt nu als onzer tien duizend, 2 Samuël 18:3. Anderen van zijne vrienden traden tussenbeide om hem te beletten om zich aldus het gevaar in de kaken te werpen: zij zouden hem veel harder behandelen dan Gajus en Aristarchus, daar zij hem als den aanvoerder der partij beschouwden, het is dus beter hen den storm het hoofd te laten bieden, dan dat hij er zich aan zou wagen, vers 31. Het waren sommigen der oversten van Azië, de vorsten van Azië-Asiarchai. De critici zeggen ons, dat zij de oversten waren der priesters, of, naar het gevoelen van anderen, de oversten, of aanvoerders van hun spelers. Of zij bekeerlingen waren tot het Christelijk geloof (en sommigen zelfs van hun priesters en stadhouders waren dit), of alleen maar welgezinden voor Paulus als een oprecht en goed man, wordt ons niet gezegd, alleen maar, dat zij vrienden van hem waren. Dr. Lightfoot oppert de mening, dat zij eerbied en vriendelijkheid voor hem koesterden, van den tijd af, dat hij met de wilde dieren gevochten heeft in hun schouw- plaats, en bevreesd waren, dat hij wederom aldus mishandeld zou worden. Het is een vriendendienst om voor het leven en het welzijn van goede mensen meer zorg te dragen dan zij zelven doen. Het zou voor Paulus zeer gevaarlijk zijn geweest om zich in de schouwplaats te wagen, het was duizend tegen een, of het zou hem het leven kosten, en daarom hebben Paulus' vrienden bij hem overmocht om aan de wet van het zelfbehoud te gehoorzamen, en dit leert ons om zo lang wij kunnen het gevaar uit den weg te blijven, zonder daarbij uit den weg des plichts te gaan. Wij kunnen er toe geroepen worden ons leven over te geven, niet om het weg te werpen. Het is voor Paulus meer voegzaam om zich in ene synagoge dan in ene schouwplaats te wagen.
4. Het gepeupel was in volslagen verbijstering, vers 32. Zij riepen dan de een dit, de ander wat anders, al naar het hun grillen en hartstochten hun ingaven, en wellicht ook al naar de berichten, die zij ontvingen. Sommigen riepen: Weg met de Joden, anderen: Weg met Paulus, maar de vergadering was verward, daar zij elkanders zin en bedoeling niet begrepen, en zo spraken zij elkaar tegen, en zouden elkaar in het haar gevlogen zijn. Maar zij wisten ook niet wat zij zelven wilden, want de waarheid was, dat het merendeel niet wist om wat oorzaak zij samengekomen waren. Zij wisten niet waardoor de oploop ontstaan was, noch wie hem had doen ontstaan, en nog veel minder wat zij hier nu eigenlijk te doen hadden, maar bij zulke gelegenheden komen de meesten slechts om te vragen wat er te doen is. Zij volgen het geschreeuw, zij volgen de menigte, nemen toe zoals een sneeuwbal, en waar velen zijn, zullen meer komen.
5. De Joden zouden wel deel genomen hebben aan dien volksoploop (in andere plaatsen waren zij de eerste aanstokers van zulk een oproer), maar zij hadden te Efeziërs geen invloed genoeg om het grauw op de been te brengen. Evenwel, nu het tumult er was, waren zij kwalijk gezind genoeg, om er aan mede te doen, vers 33. Zij deden Alexander uit de schare voortkomen, riepen hem op om ten behoeve der Joden tegen Paulus en zijne metgezellen te spreken. "Gij hebt gehoord wat Demetrius en de zilversmeden te zeggen hebben tegen hen, als vijanden van hun godsdienst: sta ons nu toe u te zeggen wat wij te zeggen hebben tegen hem als vijand van onzen godsdienst." De Joden stieten hem voort om dit te doen, moedigden hem aan, en zeiden hem, dat zij hem zouden steunen en bijstaan. Dit beschouwden zij als noodzakelijk voor hun eigene bescherming en veiligheid, daarom wordt wat hij bedoelde te zeggen zijne verantwoording bij het volk genoemd, niet voor zich in het bijzonder, maar voor de Joden in het algemeen, die door de aanbidders van Diana evenzeer als hun vijanden beschouwd werden als Paulus. Nu wilden zij hen doen begrijpen, dat zij evenzeer vijanden waren van Paulus als zij, nl. de Efeziërs. En zij, die zich thans aldus beijveren, om zich van Christus' dienstknechten te onderscheiden, zo bevreesd zijn om voor hen te worden aangezien, zullen daarnaar hun oordeel ontvangen in den groten dag. Alexander wenkte met de hand, verlangende om tegen Paulus gehoord te worden, want het zou wel vreemd geweest zijn, als er ene vervolging gaande is tegen de Christenen, zonder dat de Joden er op de ene of andere wijze aan deelnemen. Als zij het kwaad niet kunnen beginnen, dan zullen zij toch helpen om het voort te doen gaan, en aldus hadden zij gemeenschap aan anderer zonden. Sommigen denken dat deze Alexander een Christen was geweest, maar afvallig was geworden, en tot het Judaïsme was teruggekeerd, en daarom als de geschiktste persoon werd aangewezen om Paulus te beschuldigen, en dat hij die Alexander de kopersmid was, die aan Paulus zoveel kwaad betoond heeft, 2 Timotheus 4:14, en dien hij den Satan heeft overgegeven, 1 Timotheus 1:20.
6. Dit heeft bewerkt, dat de vervolgers hun vervolging van Paulus' vrienden gestaakt hebben, en haar deden overgaan in gejuich ter ere van hun godin, vers 34. Als zij verstonden dat hij een Jood was, en, als zodanig, een vijand van de Diana verering, (want de Joden hadden nu een onverzoenlijken haat opgevat tegen afgoden en afgodendienst,) waren zij-wat hij ook tegen Paulus of voor Paulus te zeggen mocht hebben-vast besloten hem geen gehoor te verlenen, en daarom zetten zij het grauw aan tot schreeuwen, den kreet aan te heffen: "Groot is de Diana der Efeziërs! Wie haar ook in minachting zoeke te brengen, hij zij Jood of Christen, wij zijn besloten haar te roemen en te verheffen. Zij is de Diana der Efeziërs, onze Diana, en het is onze eer en ons gelukkig voorrecht haren tempel in ons midden te hebben, en zij is groot, ene beroemde godin, die algemeen vereerd en aangebeden wordt. Er zijn andere Diana's maar de Diana der Efeziërs staat boven die allen, omdat haar tempel rijker en prachtiger is dan die van de anderen." Twee uren lang hebben zij dit geroepen, dit en niets anders, en dit werd nu als ene afdoende weerlegging beschouwd van Paulus' leer, dat het gene goden zijn, die met handen gemaakt worden. Aldus worden soms de heiligste waarheden in minachting gebracht door niets anders dan geschreeuw en getier en de woede en razernij van het gepeupel! Van ouds is van afgodendienaars gezegd, dat zij razen naar de afgoden, en hier zien wij er een voorbeeld van. Diana had de Efeziërs groot gemaakt, want de stad werd verrijkt door den groten toeloop van mensen, die van overal naar den tempel van Diana kwamen, en daarom hebben zij er belang bij om door alle mogelijke middelen hare tanende reputatie op te houden met den uitroep: Groot is de Diana der Efeziërs.
IV. De demping van dit oproer en de verspreiding van de oproermakers door het beleid en de waakzaamheid van den stadsschrijver. Hij wordt grammateus genoemd-de schrijver, of secretaris, of archivaris, volgens sommigen "de gouverneur der stad", de bewaarder der registers van hun spelen", de Olympische spelen, volgens sommigen, wiens ambt het was de namen te registreren van de overwinnaars en van de prijzen, die hun ten deel zijn gevallen. Met heel veel moeite slaagde hij er eindelijk in het rumoer tot zwijgen te brengen, zodat hij zich kon doen horen, en toen hield hij ene vredelievende rede voor hen, waarin hij een voorbeeld gaf van de waarheid van Salomo's gezegde: De woorden der wijzen worden in stilheid aangehoord, meer dan het geroep degene, die over de zotten heerst, Prediker 9:17, 1) zoals Demetrius gedaan heeft.
1. Hij komt hun in het gevlij door te erkennen, dat Diana de beroemde godin was der Efeziërs, vers 35. Zij behoeven niet zo luid en met zo veel ijver ene waarheid staande te houden, die door niemand ontkend wordt, en waarmee niemand onbekend kan wezen. Iedereen weet dat de stad der Efeziërs ene vereerster, of aanbidster is van de grote Diana, de neookoros is, niet slechts waren de inwoners aanbidders van deze godin, maar aan de stad, als corporatie, was in hare handvest, de eredienst van Diana opgedragen, zij had zorg te dragen voor haren tempel en voor de geriefelijkheid van hen, die er kwamen om haar hulde te bewijzen. Efeziërs is de æditua (zij zeggen, dat dit het meest juiste woord is) of de sacristein van de grote godin Diana. De stad was meer de beschermster van Diana, dan Diana de beschermster van de stad. Zodanige zorge hebben de afgodendienaars gedragen voor de instandhouding van de aanbidding der goden met handen gemaakt, terwijl de eredienst van den waren en levenden God veronachtzaamd wordt, en weinige natiën of steden er in roemen dien te beschermen en te bevorderen! De tempel van Diana te Efeziërs was een zeer rijk en prachtig gebouw, maar het schijnt, dat het beeld van Diana in den tempel meer vereerd werd dan de tempel zelf, omdat zij dachten, dat het beeld den tempel heiligde, en zij deden het volk geloven, dat het van Jupiter uit den hemel gevallen is, en dus niet behoorde tot de goden, die door mensenhanden gemaakt zijn. Zie hoe gemakkelijk bijgelovige mensen door bedriegers misleid kunnen worden! Omdat dit beeld van voor zeer langen tijd opgericht was, en niemand zeggen kon, wie het gemaakt had, maakten zij het volk wijs, dat het van Jupiter uit den hemel gevallen was.
"Dewijl dan deze dingen onweersprekelijk zijn, zegt de stadsschrijver heel deftig, (maar of hij het ernstig meende en geloofde mag betwijfeld worden), "die dingen worden zo algemeen geloofd en aangenomen, dat gij gene tegenspraak behoeft te vrezen". Sommigen nemen het in dien zin: "Daar het beeld van Diana uit den hemel gevallen is, zoals wij allen geloven, is hetgeen gezegd wordt tegen goden door mensen gemaakt, voor ons van gene betekenis, het raakt ons niet."
2. Hij waarschuwt hen tegen alle geweld en oproerigheid, hun godsdienst had daar gene behoefte aan en werd er niet door gediend of bevorderd, vers 36. Het is behoorlijk, dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet. Een uitnemende regel om ten alle tijde betracht te worden, zowel in bijzondere als in openbare aangelegenheden: niet haastig en onstuimig te wezen in hetgeen wij doen maar voorzichtig en den tijd nemende voor nadenken en beraad, ons en anderen niet driftig te maken, maar kalm en bedaard te zijn, steeds het verstand op den troon houdende, en de hartstochten onder bedwang. Dit woord zouden wij bij de hand moeten hebben om er stilte mede te gebieden, als wij zelven, of die ons omringen, onstuimig en onordelijk worden: het is behoorlijk, dat wij stil zijn en niets onbedachts doen, niets in haast doen, waarvan wij later, als wij den tijd hebben, berouw zouden hebben.
3. Hij neemt de blaam weg, die op Paulus en zijne metgezellen was geworpen, en zegt hun, dat zij niet waren, zoals men hen hun had voorgesteld, vers 37. "Gij hebt deze mannen hier gebracht, en zijt gereed hen in stukken te scheuren, maar hebt gij nagedacht over hetgeen zij misdreven hebben? Wat kunt gij tegen hen bewijzen? Zij zijn gene kerkrovers, gij kunt hen van gene heiligschennis beschuldigen, of van het wegnemen van enigerlei gewijd voorwerp, zij hebben tegen den tempel van Diana geen geweld gepleegd, noch de schatten er van geroofd. Zij hebben ook uwe godin niet gelasterd, zij hebben gene smadelijke taal gebruikt tegen de aanbidders van Diana, niet op vuile wijze van haar of haren tempel gesproken. Waarom vervolgt gij dan met al dit geweld hen, die, hoewel zij niet van uw gevoelen zijn, zich toch niet heftig of met bitterheid over u uitlaten? Zij zijn rustig en kalm, waarom zoudt gij dan driftig en toornig zijn?" Het was de afgod in het hart, waar tegen zij al hun kracht gericht hebben door verstand en bewijsvoering, indien zij dezen afgod slechts kunnen neerwerpen, dan zal de afgod in den tempel wel van zelf vallen. Zij, die prediken tegen afgodische kerken, hebben de waarheid aan hun zijde, en behoren haar met kracht te handhaven, en haar tot der mensen geweten trachten te doen doordringen, maar laten zij gene rovers zijn van die kerken (zij sloegen hun handen niet aan den roof, Esther 9:15, 16) noch lasteraars van dien eredienst, met zachtmoedigheid onderwijzende, niet met hartstocht en vuile taal smadende, degenen, die tegenstaan, want gelijk Gods waarheid der mensen leugen niet behoeft, zo heeft zij ook der mensen overmatigen toorn niet van node. De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. 4. Hij verwijst hen naar de regelmatige wijze van handelen der wet, welke altijd in de plaats moet komen van volksoplopen, en bij beschaafde natiën en in ene wel geordende maatschappij zal dit ook altijd geschieden. Het is een grote zegen om in een land te wonen, waar voorzieningen zijn gemaakt voor het bewaren van den vrede en de bedeling van het recht, en de aanwijzing tot herstel van onrecht, en in dit opzicht zijn wij, die tot onze natie behoren, even gelukkig als ieder ander volk. Indien zij nu over een bijzonder, hun aangedaan, onrecht hebben te klagen, zo laten zij zich tot de rechters en de gerechtshoven wenden, die op gezette tijden in het openbaar hun zittingen houden. Indien Demetrius en het gilde der zilversmeden, die al dit tumult teweeg hebben gebracht, grieven hebben, indien zij wettige voorrechten hebben, waarop, naar zij menen, door iemand inbreuk is gemaakt, laten zij hun beklag doen, een proces beginnen, dan zal de zaak onpartijdig onderzocht, en behoorlijk recht gedaan worden, de rechtsdagen worden gehouden, en daar zijn stadhouders. Er is een proconsul en zijn gemachtigde, wier plicht en roeping het is beide partijen te horen, en naar recht en billijkheid uitspraak te doen, en aan hun uitspraak hebben alle partijen zich te onderwerpen. Zij moeten noch hun eigene rechters zijn, noch zich op het volk beroepen.
De wet is goed, zo iemand die wettelijk gebruikt, als laatste middel zowel ter ontdekking van een betwist recht, als tot verkrijging van een geweigerd recht. Betrof de klacht ene openbare grief, betrekking hebbende op de staatsinstelling, dan moet recht gedaan worden, niet door een verwarden hoop volks, maar door ene wettige vergadering, vers 39. Indien gij iets van andere dingen verzoekt, dingen, die het algemeen belang raken, dat zal in ene wettige vergadering beslecht worden, ene wettige vergadering van het stadsbestuur, op regelmatige wijze bijeengeroepen door hen, die de regering in handen hebben. Particulieren kunnen zich niet mengen in openbare aangelegenheden, om vooruit te lopen op de beslissing van hen, wier ambt het is er kennis van te nemen. Wij hebben genoeg te doen, als wij ons met onze eigene zaken bemoeien.
5. Hij maakt hen opmerkzaam op het gevaar, dat zij lopen, op de straf van gevangenneming en verbeurdverklaring hunner goederen, waaraan zij zich door dit oproer hadden blootgesteld, vers 40. "Het zal al heel wèl wezen, indien wij om dit oproer niet verklaagd worden, verklaagd bij den keizer, als ene oproerige stad, zodat onze handvest ons ontnomen wordt, want er is gene oorzaak waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop, wij kunnen niets ter verontschuldiging er van aanvoeren. Wij kunnen ons niet rechtvaardigen wegens deze verstoring van de orde, door te zeggen, dat anderen haar het eerst verstoord hebben, en wij slechts in zelfverdediging hebben gehandeld, er is niets, dat aan deze bewering een schijn van waarheid kan geven. Laat de zaak dus niet nog verder gaan, want zij is reeds ver genoeg gegaan. De meeste mensen hebben meer ontzag voor het oordeel der mensen dan voor het oordeel Gods. Hoe goed zou het wezen, indien wij aldus het rumoer van onze onordelijke hartstochten en lusten tot zwijgen konden brengen, er het geweld van in toom konden houden door de gedachte, dat wij van al die wanordelijkheden weldra rekenschap zullen hebben te geven aan den Rechter van hemel en aarde! Wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van heden, oproer in onze harten en in onze huizen, en hoe zullen wij ons verantwoorden, daar er gene oorzaak is, gene rechtmatige oorzaak, of gene evenredige oorzaak, waarmee wij reden kunnen geven van dezen oploop, van dezen toorn en dat geweld? Gelijk wij de ongeregeldheid van onze lusten te keer moeten gaan, zo moeten wij ook onze hartstochten bedwingen, en wel hiermede, dat om al deze dingen God ons in het gericht zal doen komen, Prediker 11:9, en wij moeten ons gedragen, als die rekenschap zullen geven. 6. Na hun aldus het ongerijmde hunner oproerige bijeenkomst getoond te hebben, en de kwade gevolgen, die er uit zouden kunnen voortkomen, ried hij hun aan om nu maar ten spoedigste uit elkaar te gaan, vers 40. Hij liet de vergadering gaan, gaf misschien den omroeper bevel om aan te kondigen dat allen vreedzaam heen moesten gaan en zich met hun eigene zaken gaan bezig houden, en zij deden het. Zie hier:
a. Hoe de alles besturende voorzienigheid Gods den openbaren vrede bewaart door ene onweerstaanbare macht te oefenen over den geest der mensen! Aldus wordt de wereld nog enigermate in orde gehouden, en worden de mensen weerhouden van als de vissen der zee te zijn, onder welke de grotere de kleinere verslinden. In aanmerking genomen welk een onstuimig, woest ding, welk een onbedwingbaar, ontembaar wild dier het grauw is, als het is opgewekt en in opstand komt, hebben wij wel reden Gods goedheid te erkennen, dat wij niet altijd onder deszelfs macht en tirannie zijn.
Hij stilt het bruisen der zeeën, het bruisen harer golven, en (hetgeen geen minder voorbeeld is van Zijne almachtige kracht) het rumoer der volken, Psalm 65:8. b. Zie hoe vele middelen God heeft om Zijn volk te beschermen! Deze stadsschrijver was misschien in het geheel geen vriend van Paulus, of van het Evangelie, dat hij predikte, maar zijne menselijke wijsheid wordt dienstbaar gemaakt aan de doeleinden Gods. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit alle die redt hem de Heere.