2. Ik en al de gelovigen hebben hem lief, omwille van de waarheid, die in ons, in hen zowel als in de overigen, blijft (
1 Johannes 2:24) en met ons zal zijn in de eeuwigheid (
Johannes 14:16 v.
1 Johannes 2:27;
5:1).
Het woord Kuria is in Vers 1 vertaald door "vrouw" (van het Oud-Hoogduitse fr "wâ, frouwâ, de vrouwelijke vorm van fr". d. i. heer, overgebleven in het Duitse Frohndienst, Frohnfeste, Frohnleichnam, dus zoveel als meesteres, evenals "matrone" van het Latijnse matar); het zou echter ook als eigennaam kunnen gebruikt worden voor personen van het vrouwelijk geslacht, zodat men zou kunnen vertalen "aan de uitverkorene kuria. " Met die naam van een ons overigens onbekende, winnen wij echter niets. Bij nader inzien moeten wij ook terugnemen wat wij Deel VI, Aanh. II f. pag. 557 schreven, dat onder "uitverkorene" een gemeente (1 Petrus 5:13) en onder "kuria" een gemeente boven andere uitstekende Re 1:4, verstaan zou moeten worden; dus de bijvoeging "en haar kinderen, die ik in waarheid liefheb en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben, omwille van de waarheid, die in ons blijft en met ons zijn zal in de eeuwigheid" zien wij integendeel, dat hier sprake is van een Christelijke vrouw, die in groot aanzien is bij alle leden van de Klein-Aziatische kerk, die van de waarheid getrouw zijn gebleven; een vrouw, die na het sterven van haar man een groot huisgezin bestuurde, dat uit vele kinderen en vooral uit zonen bestond. Deze kinderen waren meestal van gelijke gezindheid als de moeder, de zuivere waarheid nog onverdeeld aanhangende en stonden bij de gelovige Christenen in dezelfde achting als zij. Maar uit Vers 4 : "ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen" blijkt, dat de apostel zich hier ten eerste nog slechts uitdrukt op verschonende, terughoudende wijze, als hij in het algemeen zijn lof toedeelt, als betrof het alle kinderen van de vrouw, waaraan bij schrijft, zonder uitzondering. Er zijn enigen onder, die lust hebben om met de dwaalleraars, die Johannes in zijn eerste brief bestrijdt, gemene zaak te maken en aan deze de toegang tot het huis te openen 1Jo 2:14. Nu ziet de apostel zich gedrongen de moeder en haar zonen, die in de waarheid staan, ernstig te vermanen "dat zij zich niet blootstellen aan zo'n groot gevaar voor hun zielen en hen dringend te herinneren aan hun plicht, dat zij voor de verleiders het huis sluiten en door het afbreken van alle vriendschappelijke betrekking zichzelf beschermen tegen hun aanstekelijk vergif (Vers 7-11). Dit is dan het eigenlijke doel van de zo korte brief. Al het andere, waarover de apostel nog veel zou kunnen schrijven, wil hij liever uitstellen tot mondelinge bespreking, omdat hij toch snel naar Efeze hoopt terug te kunnen keren; maar deze zaak kon hij niet tot die tijd laten wachten, omdat bij gevaar in het uitstel zag.
Wanneer de waarheid van God eens ingang gevonden heeft in het menselijk hart en de hele mens aan zich onderworpen heeft, dan kan geen macht van de wereld of van de hel haar weer verdrijven. Wij onderhouden haar niet als een gast, maar als de heer des huizes; dit is een Christelijke noodzakelijkheid; wie niet zo gelooft is geen gelovige. Zij, die de levendmakende kracht van het Evangelie kennen en de invloed van de Heilige Geest, die Gods Woord uitlegt, toepast en bezegelt, zouden zich liever in stukken laten scheuren, dan dat zij het Evangelie van hun zaligheid verzaakten. Hoeveel duizenden van zegeningen liggen er verborgen in de verzekering, dat de waarheid voor eeuwig met ons zal zijn; dat zij onze steun zal zijn, terwijl wij leven, onze troost als wij sterven, ons klimmend loflied, onze eeuwige heerlijkheid: dit is het voorrecht van de Christen, zonder hetwelk ons geloof van weinig waarde zou zijn. Er zijn enige waarheden, waaraan wij ontgroeien en die wij achter ons laten, want zij zijn slechts aanvangslessen voor beginnenden: maar zo is het niet met de goddelijke waarheid, want hoewel zij melk voor kinderen is, is zij tevens in de hoogste zin vast voedsel voor mannen. De waarheid dat wij zondaars zijn, blijft bij ons, om ons te vernederen en waakzaam te maken; de gezegende waarheid dat wie in de Heere Jezus gelooft zal zalig worden, blijft bij ons als onze hoop en vreugd. De ervaring, in plaats van ons van de leer van de zaligheid los te maken, heeft ons daaraan met des te meer vastheid gehecht; onze gronden en redenen om te geloven zijn nu sterker en talrijker, dan ooit en wij hebben oorzaak om te geloven, dat dit zo zal zijn, totdat wij in de dood de Heiland in onze armen omvatten. Waar deze blijvende liefde tot de waarheid gevonden wordt, daar zijn wij ook verplicht onze liefde in praktijk te brengen. Geen nieuwe cirkel kan onze geloofssympathiën omklemmen: ruim als de verkiezing van de genade moet ook de gemeenschap van onze harten zijn. Er kan veel dwaling met de waarheid vermengd zijn, laat ons de dwaling bestrijden en de broeder blijven liefhebben, om de mate van waarheid, die wij in hem zien; bovenal laat onszelf de waarheid liefhebben en verbreiden.
Wel de mens die Jezus kent, die door Zijn Evangelie getroost is; bij het kruis van Christus vindt hij aan alle wezenlijke behoeften van het hart voldaan. Door de liefde van de Heere, liefde bij mensen. Met die enige vriend vele vrienden waarachtige, betrouwbare vriendschap; vriendschap, waarop hij rekenen durft, ondanks alle gemaakte ervaringen, alle gekende zwakheid en zonde van anderen en eigen hart, die hij genieten durft, ofschoon hij ze niet onwaardig acht. Vrienden die liefhebben niet het zijne, maar hemzelf, maar om Christus wil; een vriendschap, die in de liefde, maar veel meer nog in de liefde van Christus haar wezenlijke grond heeft. Ziedaar de vriendschap van de ouderling voor de uitverkoren kuria; hij heeft haar lief omdat zij, omdat hij de Heere liefheeft. Die Heer, die eenmaal, met Zijn ogen Maria aanwijzend, tot hem van Zijn kruis had gezegd: Zie uw moeder! heeft hem ook als uit de hemel toegeroepen van deze Kuria: Zie uw zuster! daarin, dat hij in haar zien mag, dat zij de waarheid, die in Christus is, de waarheid van het Evangelie liefheeft en in haar ziel heeft opgenomen tot zaligheid en heiligheid. Hij bemint haar, omdat zij voor God is, omdat Christus ook haar voor God gekocht heeft door Zijn bloed. Zo wezenlijk, als dit alles zo wezenlijk, is zijn vriendschap. Daarom kan Kuria van deze vriendschap niet twijfelen, zolang zij aan de waarheid niet twijfelen kan. De ouderling noemt haar de uitverkoren Kuria, in bijzondere zin. Zij kan zichzelf wel als de nog altijd zondige en gebrekkige Kuria kennen, onwaardig de vriendschap van de Johannes, die zij "uitnemender acht dan zichzelf", maar zij weet, dat als de apostel haar een uitnemende acht onder de gelovigen, het nochtans niet slechts is om deze uitnemendheid, dat hij haar in waarheid liefheeft, maar reeds als gelovige, maar omwille van de waarheid. Dies durft zij op deze zijn vriendschap ondanks al haar zonde en al haar gebrek rekenen, zoals zij rekent op de liefde van Hem, die haar liefgehad heeft, toen zij nog een vijandin was van Zijn kruis en haar met Zichzelf alle dingen, ook de liefde van al Zijn oprechte vrienden gegeven heeft. De Christelijke vriendschap staat op die wezenlijke vaste bodem, waarop het kruis van Christus staat. Komt tot dat kruis, zo zult u tot die vriendschap komen, o u, die uw hart duizendmaal gaf en terugnam; O u, die twijfelt aan alle wezenlijke liefde en trouw! Leert in de liefde van Christus geloven; beproeft het met de trouw van Zijn vrienden. En u, die elkaar in Christus liefheeft, heeft toch steeds Christus in elkaar lief, vergeet niet, dat Hij de wezenlijkheid van uw vriendschap is en dat al het andere, dat u in elkaar, dat u in de ene Christen boven de anderen beminnen kunt, het bijkomstige is, waaraan zich het hart niet te zeer moet hechten. Laat het volstrekt, laat het geheel, laat het meer en meer een vriendschap zijn omwille van de waarheid. Zo zal zij des te inniger en te onschatbaarder wezen.