1. En er zijn ook ten tijde van het Oude Testament naast die mannen van God (
Hoofdstuk 1:21) a) valse profeten onder het volk geweest. Op leugenachtige wijze gaven zij er zich voor uit, profeten van God te zijn, terwijl zij toch slechts door hun eigen boze geest werden gedreven (
2 Corinthiërs 11:13 Openbaring :2). Zij waren ten allen tijde a), zoals ook onder u valse leraars zijn zullen. Degenen geven op leugenachtige wijze voor, dat zij een goddelijke roeping hebben ontvangen, om de gemeente te leren, terwijl zij niets anders voortbrengen, dan wat geheel verkeerd is. Zij zijn het, die om de leer van de waarheid te verdringen, verderfelijke ketterijen bedekt invoeren zullen (
Judas 1:4, 19), ook door zo'n handelwijze de Heere, die hen gekocht heeft, om Zijn eigendom te zijn en in Zijn rijk onder Hem te leven en Hem te dienen (
1 Petrus 1:18 v.) verloochenend en (
1 Petrus 4:5) een haastig verderf over zichzelf brengend (
1 Thessalonicenzen 5:2 v.). a)
Deuteronomium 12:1 b)
Mattheus 24:11 Handelingen 20:29.
1 Timotheus 4:1.
2 Timotheus 3:1De apostel heeft met nadruk het woord van de Oud Testamentische profetie en zijn goddelijk aanzien beweerd. Daaraan verbindt hij zijn eigen voorspelling. Evenals naast het alleen ware licht van het goddelijk woord van de profetie, dat aan geheel Israël gegeven was, de dwaallichten van valse profeten zich verhieven, zo begint hij zijn voorspelling, zo zullen ook dwaalleraars opstaan in de Christelijke gemeente, die nog altijd op dat woord wordt gewezen. Ook hier wordt het streven van de schrijver duidelijk, dat zich zo sterk openbaarde in de eerste brief van Petrus, om de Christelijke gemeente te beschouwen als een volkomen voortzetting van de Oud Testamentisch-Israelitische. Daarmee komt overeen, dat hij, naar het parallelliseren van de Nieuw- met de Oud Testamentische dwaalleraars te besluiten, zichzelf met zijn voorspelling aan de vroeger genoemde reeks van Oud Testamentische echte profeten wil aansluiten, zoals hij ook in Hoofdstuk 1:15 het bewustzijn heeft uitgesproken in deze brief, aan de gemeenten voor alle tijden en omstandigheden een vaste grond en bescherming tegen alle dwalingen te geven. Zozeer is hij van deze beschouwing van de gemeenten als van het Nieuw Testamentische Israël doordrongen, dat hij niet alleen zonder meer van "het volk" spreekt, omdat dit, zoals vanzelf spreekt, Israël bedoelt, maar ook aan dat deel van de vergelijkende uitspraak, die over Israël handelt, de hoofdzin inruimt (Wij zouden verwachten, dat hij schreef: "Zoals er ook valse profeten onder het volk waren, zo zullen ook onder u valse leraars zijn. Hij noemt echter opzettelijk het Nieuw Testamentische tegenbeeld van de Oud Testamentische dwaalleraars niet weer valse profeten, maar met een door hem zelf gevormd woord, "valse leraars. " Terwijl toch in de Oud Testamentische gemeente, overeenkomstig haar typische betekenis, ook alle woord van God, waar of vals, in de grond alleen profetie kon en wilde zijn, zo is bij de dwaalleraars van de Nieuw Testamentische gemeente, overeenkomstig de vervulling en vooral bij hetgeen hier wordt behandeld, alleen sprake van het verbasteren van de reeds medegedeelde waarheid van valse leringen en theorieën over de reeds aanwezige Christelijke waarheid.
Als de apostel schrijft: "er zullen ook onder u valse leraars zijn", dan is dit voor de lezers alleen iets toekomstigs, elders, zoals uit de brief van Judas blijkt, is het reeds aanwezig en werkende en daar ook reeds op een wijze bestreden, die Petrus tot grond van zijn eigen bestrijding kan maken. Zo is het te verklaren, waarom hetgeen de schrijver van het optreden en het werk van deze verleiders in de kring van de lezers in Vers 1-3 zegt, door de toekomende tijd wordt voorgesteld, terwijl de beschrijving van hun aard en van hun overal gelijk handelen in de vorm van de tegenwoordigen is gezegd (Vers 9). Zo moet het ook worden verklaard, waarom hij zegt: "zij zullen verderfelijke sekten bedekt invoeren", terwijl men in plaats van het laatste woord eerder de uitdrukking "leerwijze" zou verwachten. Die sekten werden reeds elders gevonden en hoefden dus niet eerst gesticht te worden, maar konden als bestaande dadelijk worden ingevoerd.
De uitspraak over hun verkeerdheid is een dubbele; zij voeren sekten in, die de eenheid van de gemeente verscheuren en haar in het verderf voeren en zij zeggen de Heere, die zij toebehoren, omdat Hij ze gekocht heeft, de gehoorzaamheid op, verloochenen Hem, omdat zij Hem in werkelijkheid niet laten zijn degene, die over hen heeft te gebieden. Daarmee verenigt zich dan het woord over hun lot: zij brengen een verdoemenis over zich, die hen snel overvallen zal, zonder dat zij daarop rekenen en zonder dat zij die nog zouden kunnen afwenden. De apostel verzekert dat met het oog op de terugkomst van de Heere, die zelf zo vaak van haar heeft gezegd, dat zij de onvoorbereiden plotseling zal overvallen.
Niet de Heere Jezus Christus, maar God de Vader, want het woord curiov wordt hier niet gebruikt, dat overal gevonden wordt, waar gesproken wordt van Christus, als de Heere, maar tdespothv dat uitdrukt de macht die meesters hebben over hun slaven en zoals God heeft over het gehele mensdom; en overal waar dit woord gebruikt wordt, wordt het gepast op God de Vader (Lukas 2:29 Handelingen 4:24. 2 Timotheus 2:21 Openbaring :10) en dat het hier die zin heeft, blijkt in het bijzonder uit de gelijkluidende tekst Judas 5:4, waar de verloochening van de Heere Onze God, door deze mensen duidelijk onderscheiden wordt van die van onze Heere Jezus Christus. Deze wordt gezegd de Joden gekocht te hebben. Is Hij niet uw vader, die u verkregen of gekocht heeft. Deuteronomium 32:6 En de Christenen: U bent duur gekocht, zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die voor God zijn. 1 Corinthiërs 6:20 Men moet denken aan zulke mensen, die wettig geroepen en in zoverre door de Heere Christus zelf aangesteld waren tot Zijn dienaren, om door de prediking van het Evangelie Zijn koninkrijk uit te breiden. Zij hadden daarom de Verlosser, als hun gebiedende Heer, moeten erkennen en eerbiedigen en zich met een onbepaalde gehoorzaamheid aan Zijn voorschriften onderwerpen. Maar ondertussen, zij verloochenden Hem, zij maakten wel de vertoning, alsof zij dienaren waren van het Evangelie en Christus als hun gebiedende Heer erkenden, maar zij verzaakten Hem met hun daden; door kennelijk en listig voortplanten van hoogst verderfelijke wanbegrippen, die met de geloofs- en zedenleer van het Evangelie regelrecht strijdig waren, betoonden zij, dat zij, voor Hem niet de minste liefde noch achting hadden.