3. Ik zeg dit wat ik hier van die kwade geruchten en beschuldigingen neerschrijf, niet tot uw veroordeling alsof u allen dergelijke boosaardige woorden sprak en wij u allen daarom voor onze vijanden hielden; want Ik heb tevoren in hetgeen ik in
Hoofdstuk 6:11, verklaarde, gezegd, dat u in onze harten bent (
Filippenzen 1:7), om samen te sterven en samen te leven, d. i. dat wij u liefhebben en in uw lot delen, onder alle omstandigheden, of het ten dode dan of het ten leven ga (
2 Corinthiërs 6:9.
Romeinen 8:38). 4. Ik heb, in plaats van u te veroordelen vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, als tot degenen op wie ik een goed vertrouwen heb; ik heb veel roem over u bij degenen, die in Macedonië zijn (
Hoofdstuk 9:2); ik ben vervuld met vertroosting; a) ik ben zeer overvloedig van blijdschap, in al onze verdrukking, die wij in dit leven moeten ondervinden (
Hoofdstuk 1:4;
4:8) en waarmee wij ook nu weer in Macedonië bewaard zijn (
Vers 5).
a) Mattheus 5:12. Handelingen 5:41. Filippenzen 2:17. Colossenzen 1:24.
Deze afdeling, vergeleken met Hoofdstuk 10, wijst duidelijk aan, dat Paulus de brief wel schrijft aan de gemeente, die uitwendig nog onverdeeld is, maar dat hij zich inwendig toch in de eerste negen hoofdstukken meer wendt tot de welgezinden en in de latere hoofdstukken meer tot de tegenstanders.
De woorden "geef ons plaats" moeten verklaard worden van het aan- en opnemen met het gemoed, van het welwillend, liefdevol aanhoren en ter harte nemen van de bedoeling van de sprekers. De apostel vraagt daarmee voor zich een vriendelijk aannemen met welwillend vertrouwen, zoals men van een liefhebbende en geliefde vriend kan verwachten.
Uit liefdeloosheid en bekrompenheid gedoogden die van Corinthiërs (ofschoon zijzelf voor het grootste deel dit van Paulus niet geloofden), dat zijn vijanden beschuldigingen tegen hem inbrachten. Drie aanklachten waren het, die tegen hem waren geldig gemaakt, namelijk dat hij anderen had beledigd, dat hij hen in het verderf had gestort door te grote hardheid en dat hij geld had afgeperst. Terwijl hij deze beschuldigingen ontkent, vreest hij, uit grote liefde tot de gemeente, al heeft hij ook een groot vertrouwen op hun liefde, dat hij hen reeds door deze verantwoording tegen beschuldigingen heeft gegriefd, omdat zij hem geenszins enig verwijt deden. Hij herinnert aan het gezegde in Hoofdstuk 6:12 en verklaart hen dat de liefde, die hij daar jegens hen betuigd heeft een gemeenschap is in leven en in sterven. (V.).
In het hart van Paulus waren de Corinthiërs de medestervenden van hem, die dagelijks stierf, de medelevenden van hem, die van dag tot dag ten leven vermengd werd; "want", zo kon hij zeggen (Hoofdstuk 4:15), "al deze dingen zijn omwille van u. " Bij zijn sterven in de dienst van Christus had hij ze in het hart en zijn voorbede trok hen mee in de zalige gemeenschap van sterven en zijn leven in geloof hoopte bij met hen te delen totdat het gemeenschappelijk beschouwen aanving (Hoofdstuk 4:14), "die ons met jullie daar zal stellen. "
In de woorden: "ik heb vrijmoedigheid in het spreken tegen u", zegt Paulus, hoe hij in zijn binnenste tot de gemeente in betrekking staat, als die het beste van haar verwacht; in het "ik heb veel roem over u" drukt hij uit, hoe hij zich, wat de gemeente betreft, over anderen uitdrukt, omdat hij het beste van haar kan zeggen en roemen. Vervolgens spreekt hij nader de indruk uit, waaronder hij dit schrijft, terwijl hij naast deze beide zinnen de andere plaatst: "ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. " Hiermee bedoelt hij niet vertroosting en blijdschap in het algemeen, maar een vertroosting en vreugde, zoals daar door het verband nader zijn bepaald. Deze hebben hem zo geheel ingenomen, dat er niets in hem is, dat zonder deze zou zijn en die hij juist zo rijkelijk ondervindt, dat zij al zijn smart te boven gaan, hoe groot en menigvuldig die ook soms is.