12. Hoewel ik dan, zo moet u dan ook nu tevens inzien, aan u geschreven heb over die zaak en niet kon zwijgen alhoewel ik u moest bedroeven, dat is niet geweest om diens wil, die onrecht gedaan had, alleen om de bestraffing van die misdadiger, noch om diens wil, die onrecht gedaan was, omwille van mijzelf, om mij voor mijn gekrenkt eergevoel voldoening te verschaffen, maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, onze gezindheid jegens U duidelijk openbaar zou worden en de waarachtigheid van ons ambt zou worden hersteld in de tegenwoordigheid van God, in hetgeen u als in Gods tegenwoordigheid, dus met een oprecht en rein hart zou doen.
Wat Paulus gezegd heeft van de uitwerking van de droefheid naar God, wordt in Vers 11 uit de ervaring van de lezers bevestigd; want vanwaar is die "vlijtigheid" gekomen dan door deze droefheid, die vlijt, waarvan Titus bericht kon geven. "Vlijtigheid", dat woord zegt nog te weinig; één woord kan het niet voldoende uitdrukken; daarom volgen met een "ja" verschillende woorden, namelijk in de eerste plaats "verantwoording", zij hadden zich gedrongen gezien om hun onschuld voor hun eigen persoon aan dergelijke daad uit te spreken; vervolgens "onlust" of "toorn. " Hun verstoordheid tegen hem, die zo zeer gezondigd had, was gebleken in scherpe berisping van hem; verder in de derde plaats "vrees. " Zij vreesden niet alleen voor hem, die de apostel zo sterk bedreigd had (1 Corinthiërs 5:3 vers ), maar ook voor zichzelf en hun verhouding tot de apostel (1 Corinthiërs 4:21). Ten vierde "verlangen" om de apostel bij persoonlijk wederzien van hun onschuld te kunnen overtuigen en van zijn volle liefde weer verzekerd te kunnen zijn. Ten vijfde "ijver", omdat zij er op uit waren, reeds nu dadelijk alles aan te wenden, om de gestoorde betrekking weer te herstellen en ten zesde "wraak", omdat zij tot dat einde datgene deden, wat dadelijk kon worden gedaan, namelijk de schuldige bestraffen. Paulus getuigt, dat zij het in niet één opzicht hebben laten ontbreken, om hun onschuld ten opzichte van het feit, waarvan gesproken wordt, in het licht te stellen. Wat dit feit is, wordt door het verband van de plaats met Hoofdstuk 2:4, niet in het onzekere gelaten. Heeft de apostel daar het ergste geval van de ongebondenste ontucht op het oog gehad, hetzelfde geldt ook hier, maar slechts bij wijze van aanduiding noemt hij hier evenals daar die erge zaak, die hem genoodzaakt heeft dat gedeelte van zijn brief te schrijven, dat voor de gemeente het meest bedroevend was en dat hij dan ook niet behoeft te noemen in dit verband, waarin gehandeld wordt over de droefheid door zijn brief veroorzaakt.
In het twaalfde vers stelt Paulus zijn handelwijze in die zaak voor in het licht van de vrucht daarvan (om de Corinthiërs ook te laten voelen het: een onberouwelijke bekering tot zaligheid). Al het smartelijke, treffende en krenkende, dat voor schrijver en lezers in de brief lag, is nu vergeten en begraven. Er is niets van over dan de heilzame vrucht, tot vreugde van beide. Deze vrucht neemt hij daarom ook het eigenlijke doel van zijn brief en dat was het naar de bedoeling van de Goddelijke leiding, waarvan hij daarbij verzekerd was en die aan het slot zo heerlijk werd bevestigd. Het is de vraag: wie moet gedacht worden hij het: "die onrecht gedaan was. " Niet weinige uitleggers verklaren deze woorden van de vader van de bloedschenders, wiens vrouw de echtbrekende zoon had genomen. Reeds in 1 Corinthiërs 5:1 1Co is gewezen op hetgeen er voor pleit, dat de vader niet leefde en deze plaats zal wel niet voldoende zijn om een tegenbewijs te leveren. Integendeel de beledigde, die Paulus op het oog heeft, is hij zelf. De gemeente moest hem als beledigd beschouwen door hetgeen geschied was. Voor hem toch voelde zij volgens Vers 11 vrees en verlangen naar een bewijs van verzoening; op hem had ook betrekking het verlangen, wenen en ijveren in Vers 7 door Titus bericht. Het gezegde van de apostel in Hoofdstuk 2:5 "als iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dele" bewijst het, hoezeer het de Corinthiërs evenals Paulus aanging om de verwekte droefenis te beschouwen, als een hem aangedaan.
In de eerste plaats was de broeder, die zijn vaders vrouw had, een belediger van de gemeente; maar deze, omdat zij het zonder uitoefening van tucht liet en voortging hem als broeder te behandelen, maakte zich schuldig aan een beledigen van haar apostel en van Christus. Paulus voelde echter dat zijn eigen leed verre overtroffen werd door het medelijden met de beledigde gemeente en in de hoop, die zijn grote liefde tot hen koesterde, dat hun kinderlijke en gehoorzame gezindheid wel verzwakt, maar niet gestorven was, schreef hij hun: "opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden in de tegenwoordigheid van God. "
In zijn verzoenend woord gaat de apostel voort: daaruit dat dit alles het gezegend gevolg is geweest van mijn schrijven, kunt u zien, dat mijn eigenlijk doel niet geweest is eenvoudig een op zichzelf staand vergrijp te bestraffen, of aan een bepaalde beledigde voldoening te verschaffen, maar wel dat ik op het oog had de reiniging en heiliging van de gehele gemeente; was dit het geval dan verviel ook al het grievende van de berisping.
Daarvan moet de herder de gemeente proberen te overtuigen, dat hij geen ander belang kent dan het hare.