2 Corinthiërs 7:1-4
Deze verzen bevatten een dubbele aanmaning:
I. Om te vorderen in heiligheid, of te voleindigen de heiligmaking in de vreze Gods, vers 1. Deze aanmaning wordt gegeven met de tederste toegenegenheid tot hen, die hij innig liefheeft, en aangedrongen met sterke beweegredenen, zoals de beschouwing van de buitengewoon grote en dierbare beloften, welke in het vorige hoofdstuk vermeld zijn, en waaraan de Corinthiërs hun deel en gerechtigheid hadden. De beloften Gods zijn sterke aansporing tot heiligmaking, en wel in twee opzichten daarvan, namelijk:
1. Om te sterven aan de zonde, om onze lusten en verdorvenheden te doden, om ons zelven te reinigen van alle besmetting des vlezes en des geestes. Zonde is besmetting, en besmetting beide van lichaam en ziel. Er zijn zonden des vlezes, die met het lichaam bedreven worden, en zonden des geestes, geestelijke ondeugden, en wij moeten ons reinigen van de besmetting van beide, want God moet verheerlijkt worden in ons lichaam en in onze ziel beide.
2. Het leven in rechtvaardigheid en heiligheid. Indien wij geloven dat God onze Vader is, moeten wij trachten Zijne heiligheid deelachtig te worden, heilig te zijn gelijk Hij heilig is, en volmaakt gelijk onze Vader in de hemelen volmaakt is. Wij moeten steeds toenemen in heiligheid, en niet tevreden zijn met oprechtheid (welke onze evangelische volmaaktheid is) zonder naar zondeloze volmaaktheid te jagen, ofschoon wij daarin altijd zullen tekortkomen zolang wij in deze wereld zijn. En dit moeten wij doen in de vreze Gods, welke is de wortel en het beginsel van alle godsvrucht, en zonder welke er geen heiligheid bestaat. Het geloof in en de hoop op de beloften Gods mag niet tekort doen aan onze vreze voor God, die een welgevallen heeft in degenen, die Hem vrezen en op Zijne goedertierenheid hopen.
II. Om behoorlijken eerbied voor de bedienaren van het Evangelie te tonen. Geeft ons plaats, vers 2. Zij, die arbeiden in het Woord en in de leer, moeten in waarde gehouden worden, en zeer veel geacht om huns werks wille, en dat zal bevorderlijk zijn aan ons toenemen in heiligheid. Wanneer de bedienaren des Evangelies om huns werks wil veracht worden, bestaat er gevaar, dat ten laatste het Evangelie zelf zal veracht worden. De apostel achtte het geen verlaging naar de welwillendheid van de Corinthiërs te staan, en ofschoon wij niemand mogen vleien, moeten wij jegens allen voorkomend zijn. Hij zegt hun:
1. Hij heeft niets gedaan om hun achting en welwillendheid te verspelen, maar hij was zeer voorzichtig om niets te doen, wat hun onwil kon opwekken, vers 2. Wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand leed gedaan, maar altijd uw welzijn op het oog gehad. Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd, zei hij tot de ouderlingen van Efeze, Handelingen 20:33. Wij hebben niemand verdorven, door valse leer of door vleierij. Wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht, wij hebben niet getracht ons zelven of onze bijzondere belangen te bevoordelen door ongeoorloofde en onwaardige maatregelen, ten nadele van anderen. Dat is een uitlating gelijk die van Samuël in 1 Samuël 12.. Dan vooral kunnen de dienaren des te meer de achting en toegenegenheid van de gemeente verwachten, wanneer zij veilig getuigen kunnen, dat ze aan niets schuldig staan, dat verachting of ongenoegen verdient. 2. Hij maakt hierop niet opmerkzaam omdat zij te weinig toegenegenheid voor hem gevoelen, vers 3, 4. Zo teder en voorzichtig behandelt de apostel de Corinthiërs, waaronder er toch waren, die zeer verblijd zouden geweest zijn indien ze gelegenheid gevonden hadden om hem verwijtingen te doen en anderen tegen hem in te nemen. Ten einde alle verdachtmaking te voorkomen, alsof hij hen beschuldigde van hem ongelijk aan te doen, of alsof hij hen onrechtvaardig beschuldigde van iets dergelijks, verzekert hij hen opnieuw van zijn grote toegenegenheid voor hen, zodat hij zou kunnen wensen zijn gehele verdere leven te Corinthe te mogen doorbrengen, samen te sterven en samen te leven, indien slechts zijn werk in de andere gemeenten en zijn apostolisch ambt (dat niet tot ene plaats beperkt was) hem dat toelieten. En hij voegt er bij, dat het zijn grote toegenegenheid voor hen was, die hem zoveel vrijmoedigheid in het spreken tegen hen gaf, en maakte dat hij veel in hen roemde in alle plaatsen en bij alle gelegenheden, want hij was vervuld met vertroosting en zeer overvloedig van blijdschap in al zijn verdrukking.