Filippenzen 1:7-8
De apostel betuigt hier de vurige liefde, die hij voor hen gevoelt en zijn belangstelling in hun geestelijk welzijn. Ik houde in mijn hart, vers 7. Hij beminde hen als zijn eigen ziel en zij lagen hem na aan het harte. Hij dacht veel aan hen en had grote zorg voor hen. Merk op:
1. Waarom had hij hen in zijn hart? Omdat gij, beide in mijne banden en in mijne verantwoording en bevestiging van het Evangelie, gij allen mijne genade mede deelachtig zijt. Dat is: zij hadden zegen ontvangen door hem en zijn dienst, zij waren deelgenoten van de genade Gods, die door hem en door zijne banden hun gegeven was. Dat maakt de mensen aan de dienaren dierbaar, dat zij door hun dienst zegen ontvangen. Of: gij zijt deelgenoten van mijne genade, gij hebt u met mij verenigd in mijn werken en lijden. Zij waren deelgenoten van zijn lijden door medelijden en belangstelling en bereidheid om hem bij te staan. Dat noemt hij: deelgenoten van zijne genade zijn, want zij, die lijden met de heiligen, zullen met hen vertroost worden, en die in de moeiten delen, zullen in de beloning delen. Hij had hen lief omdat zij hem trouw bleven in zijn banden, en in de verantwoording en bevestiging van het Evangelie. Zij waren even gereed om, in hun roeping en naar hun bekwaamheid, het Evangelie te verdedigen als de apostel dat was in zijne omstandigheden, en daarom had hij hen in zijn hart. Deelgenoten in het lijden moeten elkaar dierbaar zijn, zij, die verdragen en geleden hebben voor dezelfde goede zaak Gods en van Zijn dienst, moeten om die reden elkaar hartelijk liefhebben. Of: omdat gij mij in het hart hebt, dia to echein me en têi kardïai humaas. Zij toonden hun eerbied voor hem door standvastig te blijven in de leer, die hij verkondigd had, en waren bereid met hem daarvoor te lijden. Het beste kenmerk van onze achting voor onze dienaren is trouw blijven aan de door hen verkondigde leer.
2. Het bewijs is: Gelijk het bij mij recht is, dat ik dit van u allen gevoel, omdat ik u in mijn hart houde. Daaraan bleek dat hij hen in zijn hart hield, dat hij goede gedachte over hen en goede hoop voor hen had. Het is zeer betamelijk van anderen het beste te denken, en in alle omstandigheden van hen zo goed mogelijk te onderstellen.
3. Een beroep op God omtrent de waarheid hiervan, vers 8. Want God is mijn getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. Daar hij hen in het hart had, verlangde hij naar hen, of hij verlangde hen te zien en van hen te horen, of hij verlangde naar hun geestelijk welzijn en hun wasdom in kennis en genade. Hij had blijdschap in hen, vers 4, ter wille van het goede, dat hij omtrent hen zag en hoorde, en hij was begerig naar hen allen, niet alleen naar de verstandigen en rijken onder hen, maar ook naar de geringsten en armsten. En hij was zeer begerig naar hen, met grote toegenegenheid en welwillendheid, en zulks met innerlijke bewegingen van Jezus Christus, met die tedere belangstelling, welke Christus toonde voor kostbare zielen. Paulus was hierin een navolger van Christus, en alle goede dienaren behoren te trachten dat ook te zijn. De innerlijke bewegingen voor arme zielen, die in Jezus zijn! Uit medelijden met hen ondernam hij hun redding, en gaf zich zelven geheel om die tot stand te brengen. In gelijkheid aan het voorbeeld van Christus, had Paulus medegevoel voor hen, en begeerde naar hen allen in de inwendige bewegingen van Jezus Christus. Zullen wij dan geen medelijden en liefde gevoelen voor de zielen, voor welke Christus zoveel medelijden en liefde had? Hij beroept zich hiervoor op God. God is mijn getuige. Het was een inwendige geneigdheid des geestes, die hij te kennen gaf, alleen God wist de oprechtheid daarvan, en derhalve beroept hij zich op Hem. Of gij het weet of niet, God die het hart kent, weet het.