2 Corinthiërs 1:3-6
Na de inleiding begint de apostel een opsomming van Gods weldaden, hem en zijn medearbeiders bewezen in hun menigerlei verdrukkingen, waarvan hij gewaagt om God dank te zeggen en Zijn heerlijkheid te verkondigen, vers 3-6, want het betaamt dat in alle dingen in de eerste plaats God verheerlijkt worde. Merk hier op:
I. Aan wie de apostel dank brengt en lof betaalt, namelijk aan den gezegenden God, wie alleen lof toekomt, en wie hij op verscheidene wijzen zijn hulde brengt.
1. De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus: ho theos kai patêr toe Kurioe Jêsoe Christoe. God is de Vader van Christus' goddelijke natuur door eeuwige generatie, van Zijn menselijke natuur door de wonderdadige ontvangenis in het lichaam der maagd, en van Christus als Godmens en onzen Verlosser, door verbondsbetrekking, en in en door Hem als Middelaar onze God en Vader, Johannes 20:17. In het Oude Testament vinden wij dikwijls de benaming: De God van Abraham, Izaak en Jakob, om aan te duiden Gods verbondsbetrekking tot hen en hun zaad, en in het Nieuwe Testament wordt God genoemd de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, om aan te duiden Zijn verbondsbetrekking tot den Middelaar en Zijn geestelijk zaad, Galaten 3:16.
2. De Vader der barmhartigheden. Er is in God als deel van Zijn wezen een overvloed van tedere barmhartigheden, en alle barmhartigheden zijn van God oorspronkelijk, barmhartigheid is Zijn wezen en verlustiging. Hij heeft lust aan goedertierenheid, Micha 7:18.
3. De God aller vertroosting, Hij van wie DE TROOSTER uitgaat, Johannes 15:26. Hij geeft het onderpand des Geestes in onze harten, vers 22. Al onze vertroosting komt van God, en onze zoetste vertroostingen zijn in Hem.
II. De oorzaken van des apostels dankzegging:
1. De zegeningen, die hij zelf en zijne metgezellen van God ontvangen hebben: want God heeft hen vertroost in al hun verdrukkingen, vers 4. In de wereld hadden zij verdrukking, maar in Christus hadden zij vrede. De apostelen ondergingen vele verdrukkingen, maar in alle die vonden zij vertroostingen, hun lijden, (dat hij het lijden van Christus noemde, vers 5, omdat Christus deelt in het lijden dat Zijn leden om Zijnentwil ondergaan) was overvloedig, maar hun vertroosting in Christus was evenzeer overvloedig. Merk op:
A. Wij zijn aangewezen om den troost van Gods barmhartigheid te ontvangen, indien wij bereid zijn Hem daarvan de eer te geven.
B. Wij spreken het best over God en Zijn goedheid wanneer we uit eigen ondervinding spreken, en zo wij er over met anderen handelen, hun mededelen wat God aan onze eigen zielen gedaan heeft.
2. Het voordeel, dat anderen er door verkrijgen konden, want God bedoelde dat zij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, vers 4, door hun mede te delen wat zij zelven ondervonden hadden van de goddelijke goedheid en barmhartigheid. Het lijden van goede mensen is tot dat doel bestemd, vers 6, wanneer zij toegerust zijn met geloof en geduld. A. Welke gunsten God ons ook bewijst, het doel is niet slechts ze aangenaam te maken voor ons zelven, maar ook nuttig voor anderen.
B. Zo wij het geloof en geduld van goede mensen in hun droefenissen navolgen, mogen wij hopen deel te krijgen aan hun vertroostingen hier en aan hun zaligheid hiernamaals.